MKB Nieuws

Stikstofcorrectie bij mestscheiding

Uit onderzoek blijkt dat bij mestscheiding en opslag van de dikke en dunne fractie daarna stikstofverliezen (N-verlies) optreden. Bij controles op de naleving van de gebruiksnormen en de verantwoordingsplicht past RVO daarom een correctie toe wanneer mest is gescheiden.

Volgens de rekenregels wordt het N-verlies voor drijfmest van graasdieren berekend op totaal 3,2% van de stikstofinhoud van de ingaande mest en voor staldieren op 3,9%. De correctie geldt voor het jaar waarin de mest is gescheiden. Om deze correctie te kunnen uitvoeren is het van belang dat uit de administratie van de mestscheiding zorgvuldig blijkt:

  • Wanneer (en hoe vaak) de mestscheiding heeft plaatsgevonden (factuur en betalingsbewijs);
  • De hoeveelheid en soort drijfmest die is gescheiden;
  • Het N-gehalte van de ingaande meststroom.

Wanneer uit administratie niet of onvoldoende blijkt dat er mestscheiding heeft plaatsgevonden, zal er geen correctie voor eventuele stikstofverliezen worden toegepast. Dit is ook het geval wanneer wordt uitgegaan van de forfaitaire gegevens.

Door |2025-05-08T17:00:07+02:007 mei 2025|Agrarisch nieuws, MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Stikstofcorrectie bij mestscheiding

Versoepeling pseudo-eindheffing RVU verlengd tot en met 2028

De huidige versoepeling van de RVU-regeling, de regeling vervroegde uittreding, stopt eind 2025. In oktober 2024 was al een akkoord gesloten voor een verlenging van de versoepeling van de regeling voor mensen met zwaar werk. In de Voorjaarsnota 2025 is nu ook een verlenging van de versoepeling en een verhoging van de drempelvrijstelling opgenomen.

Pseudo-eindheffing RVU

Belastingdienst

Als een werkgever een uitkering doet zodat een oudere werknemer eerder kan stoppen met werken, is de werkgever hierover een pseudo-eindheffing verschuldigd van 52%. Van een dergelijke regeling voor vervroegde uittreding is sprake, als de regeling het effect heeft dat een periode wordt overbrugt  tot een pensioenregeling of AOW start. Ook  uitkeringen die een pensioenregeling aanvullen, worden als zodanig aangemerkt.

Let op! In handreikingen en in de jurisprudentie zijn verduidelijkingen gegeven over de vraag of sprake is van een RVU of niet. Neem voor meer informatie hierover contact op met een van onze adviseurs.

Tijdelijke versoepeling pseudo-eindheffing RVU

Vanaf 1 januari 2021 geldt een tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing RVU. Hierdoor kunnen werkgevers maximaal drie jaar voor de AOW-leeftijd van een werknemer een bedrag meegeven aan de werknemer, zonder dat hierover de pseudo-eindheffing verschuldigd is. Dit bedrag is gelijk aan de drempelvrijstelling die jaarlijks opnieuw vastgesteld wordt. Is de RVU-uitkering hoger dan de drempelvrijstelling, dan is over het meerdere wel 52% pseudo-eindheffing verschuldigd.

 Jaar  Drempelvrijstelling bruto per maand
2021  € 1.847
2022  € 1.847
2023  € 2.037
2024  € 2.182
2025  € 2.273


Let op!
De tijdelijke versoepeling eindigt eind 2025. Er geldt wel overgangsrecht waardoor er voor een uiterlijk op 31 december 2025 overeengekomen RVU, in de jaren 2026 tot en met 2028 nog gebruik kan worden gemaakt van de drempelvrijstelling.

Verlenging versoepeling en verhoging drempelvrijstelling

In de Voorjaarsnota 2025 is opgenomen dat de versoepeling van de pseudo-eindheffing RVU met drie jaar wordt verlengd tot en met 2028. Er is ook budget opgenomen voor verhoging van de drempelvrijstelling. Daarnaast is er budget gereserveerd voor een mogelijke verlenging van de versoepeling vanaf 2029.

Verhogen pseudo-eindheffing tot maximaal 65%

Ter dekking van de verlenging van de versoepeling en verhoging van de drempelvrijstelling is in de Voorjaarsnota 2025 opgenomen dat de pseudo-eindheffing vanaf 2026 in stappen wordt verhoogd tot deze in 2028 65% bedraagt. Ook voor 2029 en 2030 lijkt de heffing op 65% te blijven.

Belastingplan 2026

De verlenging en verhoging zijn nog niet definitief. Het plan is om de verlenging en verhogingen op te nemen in het Belastingplanpakket 2026 dat op Prinsjesdag 2025 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Daarna moeten zowel de Tweede als de Eerste Kamer nog instemmen.

Door |2025-05-02T15:52:00+02:002 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Versoepeling pseudo-eindheffing RVU verlengd tot en met 2028

Toelatingsstelsel uitzendbureaus per 1 januari 2027

Het kabinet wil uitzendbureaus en andere partijen die werknemers uitlenen aan derden en daarbij wetten en regels ontduiken of omzeilen flink aanpakken. In veel gevallen betalen deze partijen arbeidsmigranten te weinig of laten ze werken onder slechte omstandigheden. De Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) – inmiddels aangenomen door de Tweede Kamer – moet dit voorkomen.

Nieuw toelatingsstelsel

Handtekening

Er komt voor partijen die werknemers uitlenen (uitleners) een toelatingsstelsel. Een speciale Toelatende Instantie bepaalt wie toegelaten wordt. Uitleners mogen per 1 januari 2027 alleen arbeidskrachten ter beschikking stellen als zij daartoe zijn toegelaten. Bedrijven die gebruikmaken van uitzendkrachten mogen dit alleen doen via toegelaten uitleners.

Overgangsrecht

Tot 1 januari 2027 zal er een overgangsrecht gaan gelden. Als bedrijven onder het overgangsrecht vallen, mogen ze personeel blijven uitlenen zolang het ministerie de aanvraag voor een vergunning nog niet heeft beoordeeld.

Uitleners die gebruik willen maken van het overgangsrecht moeten zich tussen 1 november 2026 en 1 januari 2027 melden bij het ministerie van SZW. Deze deadline geldt voor uitleners met én zonder certificaat van de Stichting Normering Arbeid (SNA).

Daarnaast geldt als voorwaarde voor het overgangsrecht dat uitleners binnen de eerste zes maanden na inwerkingtreding een toelatingsaanvraag doen. Dit zal moeten vóór 1 juli 2027.

Let op! Uitleners die na 1 juli 2027 de toelatingsaanvraag indienen, kunnen geen beroep meer doen op het overgangsrecht.

Voorwaarden toelating

Er zal een speciale Toelatende Instantie worden ingericht die de aanvragen gaat beoordelen. Om toegelaten te worden tot het nieuwe stelsel moeten uitleners aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten zij beschikken over een actuele Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), moeten zij een waarborgsom van € 100.000 storten (voor startende bedrijven geldt een waarborgsom van € 50.000) en moeten zij kunnen aantonen dat ze voldoen aan relevante wetgeving.

En verder

Periodiek zal worden gecontroleerd of de uitleners nog aan alle eisen voldoen. Daarnaast wordt de bestaande registratieplicht in de Basisregistratie Personen (BRP) juridisch verankerd en komt er een wettelijke zorgplicht voor aanbieders.

Inspectie

De Nederlandse Arbeidsinspectie zal vanaf 2028 gaan handhaven, wat betekent dat  in- en uitleners die zich niet aan de wet houden worden beboet.

Door |2025-05-02T15:55:24+02:002 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Toelatingsstelsel uitzendbureaus per 1 januari 2027

Ongelijke verdeling huwelijksgoederengemeenschap en verrekenbeding wordt aangepakt

Het kabinet gaat ongelijke verdelingen van een huwelijksgemeenschap en ongelijke verdelingen bij een verrekenbeding fiscaal aanpakken. Een wetswijziging hiertoe ligt nu ter consultatie.

Aanleiding

Juridisch

Aanleiding is de uitkomst van een arrest van de Hoge Raad van begin 2024 waarbij twee echtgenoten huwelijksvoorwaarden aangingen in het zicht van overlijden van één van hen. De Hoge Raad oordeelde dat de ongelijke verdeling – waarbij de langstlevende 90% kreeg toebedeeld – niet in strijd was met de wet. Het kabinet wil dit aanpakken en kiest er daarom voor om de wet te wijzigen.

Internetconsultatie

De voorgenomen wetswijziging wordt opgenomen in het Belastingplan 2026 dat op Prinsjesdag 2025 zal worden gepresenteerd. Over deze wetswijziging is nu een internetconsultatie gestart. Deze consultatie loopt nog tot 14 mei 2025.

Constructie

De constructie komt erop neer dat partners in het zicht van overlijden, bijvoorbeeld bij een ongeneeslijke ziekte, in hun huwelijkse voorwaarden de gerechtigdheid tot de huwelijksgoederengemeenschap aanpassen ten gunste van de partner die hoogstwaarschijnlijk het langst leeft. Ook het wijzigen van een verrekenbeding ten gunste van de partner die hoogstwaarschijnlijk het langst leeft, heeft hetzelfde effect. De achterblijvende partner erft minder en er hoeft minder erfbelasting te worden betaald dan bij een gelijke verdeling (50%-50%).

Voorstel wetswijziging

Het kabinet wil genoemde constructie bestrijden. Het voorstel van het kabinet gaat echter veel verder dan het bestrijden van de aanpassingen van de huwelijksvoorwaarden inzake de huwelijksgoederengemeenschap of de verrekenbedingen in het zicht van overlijden van één van de partners. Het kabinet stelt namelijk voor om schenk- of erfbelasting te heffen bij elke ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap of bij elk toegepast verrekenbeding waarbij aan een partner meer toekomt dan de helft van de gemeenschap of de te verrekenen som. Hiermee worden dus niet alleen huwelijkse voorwaarden getroffen die gewijzigd zijn in het zicht van overlijden, maar alle huwelijkse voorwaarden waarvan het effect is dat er een ongelijke verdeling ontstaat.

Wat betekent de wetswijziging?

Als het voorstel ongewijzigd in de wet wordt opgenomen, betekent dit het volgende:

  • Als bij een overlijden een partner bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap of bij uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als verkrijging op grond van erfrecht. Afhankelijk van de hoogte en andere verkrijgingen, is de langstlevende partner hierover erfbelasting verschuldigd.
  • Als een partner bij een echtscheiding door ontbinding van de huwelijksgemeenschap of uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als schenking. Afhankelijk van de hoogte en andere schenkingen is hierover schenkbelasting verschuldigd.

Terugwerkende kracht 18 april 2025

Hoewel het voorstel nog in een wetsvoorstel moet worden opgenomen en door de Tweede en Eerste Kamer moet worden goedgekeurd, wordt in het voorstel al wel rekening gehouden met onmiddellijke inwerkingtreding vanaf 18 april 2025, de datum waarop in de Voorjaarsnota 2025 de maatregel bekend werd.

Uitzonderingen

Alleen de volgende huwelijkse voorwaarden worden niet getroffen door de voorgestelde wetswijziging:

  • huwelijkse voorwaarden waarin al een ongelijke verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is overeengekomen vóór 18 april 2025, en
  • huwelijkse voorwaarden waarin al een finaal verrekenbeding met ongelijke breukdelen is overeengekomen vóór 18 april 2025.

Let op! Alle huwelijkse voorwaarden die vanaf 18 april 2025 zijn aangegaan of gewijzigd, worden wel volledig door de maatregel getroffen. Dit is ook het geval als de huwelijkse voorwaarden vanaf 18 april 2025 op andere onderdelen dan de ongelijke verdeling worden aangepast. Door elke aanpassing van huwelijkse voorwaarden vanaf 18 april 2025 wordt dus de uitzonderingspositie opgeheven!

Door |2025-05-02T15:54:24+02:002 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Ongelijke verdeling huwelijksgoederengemeenschap en verrekenbeding wordt aangepakt

Fiscale regeling aandelenopties bij start-ups en scale-ups

Het kabinet is van plan om een fiscale regeling te introduceren om de toegang tot talentvolle werknemers voor start-ups en scale-ups te verbeteren. De bedoeling is dat door een nieuwe fiscale regeling voor aandelenopties, medewerkersparticipatie wordt bevorderd en daarmee start-ups succesvoller kunnen doorgroeien naar scale-ups.

Belastingkorting aandelenopties

Handen schudden

Het voorstel is om een belastingkorting in de loonbelasting te introduceren voor voordelen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups. De belastingkorting wordt vormgegeven door de grondslag van de voordelen uit aandelenopties te beperken tot 65%, zodat over een lager voordeel belasting wordt geheven. Het doel is om het effectieve tarief uit te laten komen op de belastingheffing in box 2.

Uitstel belastingheffing aandelenopties

Het voorstel is om ook het moment van belastingheffing uit te stellen naar uiterlijk het moment waarop de aandelen – die verkregen zijn na uitoefening van de aandelenopties – worden verkocht. Op die manier hoeft er nog geen belasting betaald te worden als er nog geen geld beschikbaar is.

Vanaf 2027?

Het doel is om de regeling met ingang van 2027 in werking te laten treden. De regeling wordt op dit moment uitgewerkt tot een wetsvoorstel en is dus nog niet definitief. De Tweede Kamer wordt voor het zomerreces nader geïnformeerd.

Door |2025-05-02T15:53:03+02:002 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Fiscale regeling aandelenopties bij start-ups en scale-ups

CBb: wijziging aanvullende gegevens niet meer mogelijk

Een varkenshouder kreeg over het jaar 2017 een mestboete van € 80.000 vanwege een overschrijding van de gebruiksnormen. In het hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven was de vraag aan de orde of RVO bij het vaststellen van de eindvoorraad mest in 2017 had mogen uitgaan van de door de varkenshouder in de Aanvullende Gegevens Landbouwer (AGL) 2016 en 2017 verstrekte gegevens over de bezinklaag in de mestput.

Volgens de varkenshouder waren die gegevens onjuist. Zijn toenmalige adviseur had in de AGL 2017 geen melding gemaakt van een aangroei van de bezinklaag van twee centimeter. Volgens de varkenshouder hanteert RVO op grond van haar vaste beleid altijd een dergelijke aangroei bij varkensbedrijven en had zij dat in zijn geval ten onrechte niet gedaan. De varkenshouder betwistte het standpunt van RVO dat uit onderzoek is gebleken dat het bij oude stallen als die van hem goed mogelijk en niet ongebruikelijk is dat een bezinklaag niet aangroeit..

Het College oordeelde dat RVO bij het vaststellen van de eindvoorraad mest 2017 had mogen uitgaan van hetgeen in de AGL 2016 en 2017 was vermeld over de bezinklaag in de mestput. Daaruit bleek dat er in 2017 geen aangroei was.

 

Door |2025-05-07T11:07:28+02:0030 april 2025|Agrarisch nieuws, MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor CBb: wijziging aanvullende gegevens niet meer mogelijk

Schoonmakers via Helpling kwalificeren als uitzendkracht

De Hoge Raad heeft bepaald dat schoonmakers die via het inmiddels failliete online platform Helpling hun diensten aanboden, kwalificeerden als uitzendkracht. Er was geen sprake van een arbeidsovereenkomst.

Feiten

Juridisch

De FNV had samen met een schoonmaker die via Helpling diensten aanbood, een procedure aangespannen tegen het online platform Helpling. Helpling was een online platform voor schoonmaakwerkzaamheden. In deze procedure werd de rechter verzocht te bepalen of er sprake was van een reguliere arbeidsovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers.
Mocht de rechter daar niet in meegaan, dan werd verzocht te bepalen of sprake was van een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers. Helpling daarentegen, was van mening dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen de huishoudens en de schoonmakers.

Hoe werkte het platform?

Een schoonmaker kon zich via de website van Helpling aanmelden voor schoonmaakwerkzaamheden. De schoonmaker kon daarbij zelf aangeven tegen welk uurtarief hij wilde werken. Helpling liet vervolgens aan huishoudens die op zoek waren naar een schoonmaker via het platform zien welke schoonmakers beschikbaar waren. Het huishouden deed vervolgens een boekingsverzoek, waarna bij acceptatie hiervan door de schoonmaker de boeking feitelijk tot stand kwam. Helpling verzorgde via een speciale betaaldienst de betalingen aan de schoonmakers en rekende een provisie van minimaal 23% en maximaal 32%.

Er golden voor de huishoudens en voor de schoonmakers verschillende door Helpling opgestelde algemene voorwaarden, waarmee ze akkoord moesten gaan.

Oordeel gerechtshof

Eerder oordeelde het gerechtshof al dat er tussen Helpling en de schoonmakers een uitzendovereenkomst bestond, en er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De huishoudens waren daarbij de inleners. Tegen deze uitspraak stelden zowel Helpling als de FNV beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, omdat ze het niet eens waren met de kwalificatie uitzendovereenkomst.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad heeft – in afwijking van het advies van de Advocaat Generaal – geoordeeld dat er inderdaad sprake was van een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers. Noch uit de wetsgeschiedenis noch uit het stelsel van de wet volgt dat de terbeschikkingstelling van een uitzendkracht uitsluitend kan plaatsvinden in het kader van het beroep of bedrijf van de inlener. Er is voldaan aan de criteria van een uitzendovereenkomst, namelijk dat de huishoudens als inlenende partij het toezicht en de leiding uitoefenden en dat Helpling de formele gezagsrelatie had en de betalingen beheerde. Dit laatste maakt dat er ook geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen de schoonmakers en de huishoudens.

Door |2025-04-29T13:24:17+02:0029 april 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Schoonmakers via Helpling kwalificeren als uitzendkracht

Wijziging belastingverdrag Nederland-Duitsland inzake thuiswerken

Nederland en Duitsland hebben afgesproken om het huidige belastingverdrag te wijzigen. Dit kan gevolgen hebben voor thuiswerkers. Grenswerkers kunnen na de wijziging maximaal 34 dagen thuiswerken, zonder dat zij in beide landen belasting over hun inkomen hoeven te betalen.

Belastingverdrag: verdeling belastingheffing

Vlaggen

In het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland zijn afspraken opgenomen over in welk land welk inkomen belast mag worden. Zo is de afspraak dat als een inwoner van Duitsland voor een in Nederland gevestigde werkgever in Nederland werkt, Nederland belasting mag heffen over het loon. Dezelfde afspraak geldt voor een inwoner van Nederland die in Duitsland werkt voor een in Duitsland gevestigde werkgever, in dat geval mag Duitsland belasting heffen.

Werken in ander land

Als een inwoner van Duitsland voor een in Nederland gevestigde werkgever werkzaamheden verricht in Duitsland, verschuift het heffingsrecht over het met die werkzaamheden verdiende loon naar Duitsland. Duitsland mag dan over dat deel van het loon belasting heffen. Verricht de inwoner van Nederland voor een in Duitsland gevestigde werkgever werkzaamheden in Nederland, dan mag Nederland belasting heffen.

Thuiswerken

Het voorgaande betekent dat de inwoner van Duitsland die ook weleens thuiswerkt (in Duitsland) voor een in Nederland gevestigde werkgever, zowel in Nederland als in Duitsland belasting moet betalen. Dat geldt ook voor de inwoner van Nederland die ook weleens thuiswerkt (in Nederland) voor een in Duitsland gevestigde werkgever.

Dit heeft verschillende nadelen. Zo ontstaat er onzekerheid over het definitieve netto-inkomen omdat een deel van het loon in Nederland en een deel van het loon in Duitsland belast wordt. Bovendien leidt de belastingheffing in twee landen tot extra administratieve lasten en moeten er wellicht extra kosten voor een belastingadviseur gemaakt worden.

Wijziging belastingverdrag

Om deze nadelen (deels) te voorkomen, wordt het belastingverdrag gewijzigd. Opgenomen wordt dat een inwoner van Duitsland die werkt voor een in Nederland gevestigde werkgever in een kalenderjaar maximaal 34 dagen thuis kan werken, waarbij het heffingsrecht volledig in Nederland blijft. Een inwoner van Nederland die werkt voor een in Duitsland gevestigde werkgever kan, met behoud van het volledige heffingsrecht in Duitsland, per kalenderjaar ook maximaal 34 dagen thuis werken.

Let op! Nederland en Duitsland spraken ook af dat sprake is van een thuiswerkdag als meer dan 30 minuten per dag thuisgewerkt wordt..

Nog niet in werking

De wijziging is nog niet in werking getreden. Deze moet namelijk eerst nog worden voorgelegd aan de Raad van State en worden goedgekeurd door de Tweede en Eerste Kamer. Ook het Duitse parlement moet de wijziging nog goedkeuren.

Let op! Werkt de inwoner van Duitsland of de inwoner van Nederland per kalenderjaar meer dan 34 dagen thuis, dan hebben zij  geen profijt van de wijziging. Nederland en Duitsland ondertekenden wel een intentieverklaring om op termijn te overleggen over een thuiswerkregeling met meer dan 34 thuiswerkdagen per kalenderjaar.

Door |2025-04-29T13:23:02+02:0029 april 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Wijziging belastingverdrag Nederland-Duitsland inzake thuiswerken

Samenwerkingsverband dga met eigen bv fiscaal aangepakt

Als dga kunt u een samenwerkingsverband met de eigen bv aangaan. Voor deze belastingconstructie werkt het kabinet op dit moment een aanpak uit.

Samenwerking bv en dga als IB-ondernemer

Belastingdienst

Als dga bestaat de mogelijkheid om als IB-ondernemer een samenwerkingsverband aan te gaan met de eigen bv. Dit gebeurt dan in de vorm van een vof, cv of maatschap tussen de dga en de bv. De bv brengt in het samenwerkingsverband dan de onderneming in en/of het gebruik/genot van bepaalde activa. De dga brengt zijn arbeid in.

Let op! Zo eenvoudig als hierboven beschreven is het uiteraard niet. Aan een dergelijke samenwerking zitten verschillende haken en ogen. Daarbij moeten naast de fiscale aspecten ook de civiele aspecten, zoals bijvoorbeeld de aansprakelijkheid, niet uit het oog verloren worden.

Gebruikelijkloonregeling

Het kabinet vindt dit een ongewenste belastingconstructie . De gebruikelijkloonregeling wordt dan namelijk ontweken door alle arbeid buiten de bv te houden. De aandeelhouder maakt daarnaast als IB-ondernemer gebruik van fiscale ondernemersfaciliteiten in de IB die daar, naar het oordeel van het kabinet, niet voor bedoeld zijn.

Onderzoek aanpak constructie

Het kabinet bekijkt momenteel daarom hoe ze deze in hun ogen ongewenste belastingconstructie kunnen aanpakken. Daarbij wordt gedacht aan het niet kunnen toepassen van de fiscale ondernemersfaciliteiten in de IB in dit soort situaties. Het kabinet onderzoekt nog welke ongewenste neveneffecten een dergelijke maatregel kan hebben. De maatregel moet namelijk wel proportioneel zijn en bovendien uitvoerbaar.

Let op! Meer dan de mogelijke aanpak zoals hierboven beschreven is op dit moment nog niet bekend. Houd er echter rekening mee dat het kabinet van plan is om de fiscale voordelen van een dergelijk samenwerkingsverband hoe dan ook aan te pakken.

Door |2025-04-29T13:27:31+02:0029 april 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Samenwerkingsverband dga met eigen bv fiscaal aangepakt

Geen fiscale eenheid vennootschapsbelasting zonder economische eigendom

Als u meerdere bv’s bezit, kunt u ervoor kiezen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting aan te gaan. De winst van alle bv’s in de fiscale eenheid wordt dan bij elkaar geteld en samen belast, ervan uitgaande dat er maar één belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting is.

Voorwaarden aangaan fiscale eenheid

Overheid

Niet alle bv’s kunnen zomaar een fiscale eenheid met elkaar vormen. Alleen als voldaan is aan de volgende voorwaarden kan om een fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting verzocht worden:

  • De moedervennootschap bezit ten minste 95% van het gehele juridische en economische eigendom in het nominaal gestorte aandelenkapitaal van de dochtervennootschap. Dit aandelenbezit vertegenwoordigt ten minste 95% van de statutaire stemrechten in de dochtervennootschap. In alle gevallen moet het aandelenbezit recht geven op ten minste 95% van de winst en ten minste 95% van het vermogen van deze dochtervennootschap.
  • De boekjaren van de deelnemende bv’s moeten samenvallen. Er geldt een uitzondering wanneer een bv in de loop van het jaar wordt opgericht.
  • Alle deelnemende bv’s moeten dezelfde winstbepalingsregels hanteren.
  • Zowel de moedervennootschap als de dochtervennootschap(pen) moet(en) feitelijk in Nederland zijn gevestigd.
  • De moedermaatschappij mag de aandelen in de dochtermaatschappij niet als voorraad aanhouden.

Voor- en nadelen

Een belangrijk voordeel van een fiscale eenheid is dat u verliezen van bv’s onderling kunt verrekenen, zodat er direct minder belasting wordt betaald. Een belangrijk nadeel is dat er maar één keer geprofiteerd kan worden van het lage Vpb-tarief van 19% tot een winst van € 200.000.

Casus: twijfel over economische eigendom

Voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden speelde een zaak waarbij een bv de juridische eigendom van de aandelen van een andere bv bezat, maar twijfel bestond of de bv ook de economische eigendom van de aandelen bezat en dit aan de gewenste fiscale eenheid in de weg zou kunnen staan.

Vooraf overeengekomen verkoopprijs

Het Hof stelde vast dat voor de vorming van een fiscale eenheid ook de economische eigendom van de aandelen voor minstens 95% in bezit moet zijn. Het Hof stelde vast dat de bv niet de economische eigendom van de aandelen bezat. Er was namelijk vooraf overeengekomen dat de aandelen in de dochter-bv op een vooraf vastgesteld moment en tegen een vooraf vastgestelde prijs weer zouden worden verkocht. Eventuele wijzigingen van de waarde van de aandelen kwamen dus niet voor rekening van de moedermaatschappij. Hierdoor liep de moedermaatschappij geen economisch risico.

Geen opgewekt vertrouwen

De moedermaatschappij voerde nog aan dat er sprake was van opgewekt vertrouwen, omdat de inspecteur via een beschikking de fiscale eenheid had bekrachtigd. Het Hof ging hier echter niet in mee, omdat de moedermaatschappij zelf had aangegeven wél over de economische eigendom van  de aandelen in de dochter-bv te beschikken. Nu dit niet het geval bleek, was de inspecteur niet gebonden aan de op basis van foutieve informatie afgegeven beschikking. De  bv’s konden derhalve geen fiscale eenheid aangaan.

Door |2025-04-29T13:25:47+02:0029 april 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Geen fiscale eenheid vennootschapsbelasting zonder economische eigendom