FelienDeRidder

Over Felien de Ridder

Deze auteur heeft nog geen informatie verstrekt.
So far Felien de Ridder has created 1429 blog entries.

Schriftelijke verklaringen benodigd bij (onder)gebruik percelen

Voor het opgeven van percelen in de Gecombineerde opgave voor uitbetaling van GLB-premies moet de aanvrager beschikken over een geldige gebruikstitel. De gebruikstitel is vormvrij en mag achteraf worden opgesteld, maar moet per kalenderjaar en per perceel blijken uit een op schrift gestelde en ondertekende overeenkomst of een verklaring waaruit de (mondelinge) toestemming voor het gebruik door de landbouwer blijkt.

Wanneer sprake is van onderverhuur, moet de aanvrager zowel een schriftelijke overeenkomst of verklaring van de onderverhuurder als van de eigenaar van het perceel hebben.

Dit speelde onlangs in een beroepszaak bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. RVO had de GLB-premies voor de jaren 2017 tot en met 2021 bij een landbouwer al vastgesteld, maar vorderde naderhand een deel van de uitbetaalde bedragen terug. Volgens het College had RVO zich terecht op het standpunt gesteld dat de landbouwer niet over een geldige gebruikstitel beschikte, omdat hij wel beschikte over grondgebruikersverklaringen van de gebruikgevers van de percelen, maar geen schriftelijke toestemming had van de eigenaren. RVO heeft daarom terecht een deel van de uitbetaalde GLB-premies teruggevorderd.

Het is daarom belangrijk om bij het in gebruik nemen van percelen van derden goed te controleren of deze partij ook de eigenaar van het perceel is. Houd er rekening mee dat het – met name bij overheids- of natuurinstanties – lastig kan zijn om achteraf nog schriftelijke toestemming te verkrijgen voor onderverhuur. Bij pacht is onderverhuur zelfs een geldige reden om de pachtovereenkomst te beëindigen.
 

Door |2026-03-18T11:18:11+01:0018 maart 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Schriftelijke verklaringen benodigd bij (onder)gebruik percelen

NVWA controleert op vervoer van compost

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controleert in de komende weken op het vervoer van compost in de zandregio’s in Noord-Brabant, Drenthe, Veluwe en Achterhoek. Voor het verhogen van het organische stofgehalte en het vochtvasthoudend vermogen van zandgrond wordt vaak compost gebruikt.

Vervoersbewijs Zuiveringsslib en Compost (VZC)
Bij de aanvoer van compost zijn composteerder, vervoerder en afnemer samen verantwoordelijk voor het opmaken van een Vervoersbewijs Zuiveringsslib en Compost (VZC) per vracht, tenzij er sprake is van vervoer naar een particulier en de vracht minder is dan 3 ton. Het VZC moet tijdens het transport aanwezig zijn, ook wanneer een landbouwer de compost zelf vervoert. De vervoerder vult het formulier volledig en correct in en dient het digitaal in bij RVO. Deze regels gelden voor alle soorten compost, dus ook voor GFT-compost, groencompost en keurcompost. Als het verplichte VZC ontbreekt, maakt de NVWA een rapport van bevindingen op, dat ter afhandeling wordt voorgelegd aan RVO.

Stimuleren organische stofrijke meststoffen
De aangevoerde hoeveelheden stikstof en fosfaat worden meegerekend binnen de gebruiksnormen voor meststoffen. Bij het gebruik van gft-compost of groencompost telt de hoeveelheid fosfaat maar voor 25% mee, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • Op een perceel moet ten minste 20 kilogram per hectare van de organische stofrijke meststof gebruikt worden;
  • Per hectare mag niet meer fosfaat van de organische stofrijke meststof gebruikt worden dan de maximale fosfaatgebruiksnorm.
     

Extra organische mest op bouwland met fosfaattoestand hoog
Op bouwland met de fosfaattoestand hoog mag 5 kg extra fosfaat per hectare worden uitgereden, mits minimaal 20 kg fosfaat per hectare uit organische stofrijke meststoffen wordt gebruikt. Hiertoe behoren onder meer gft-compost en groencompost.

Door |2026-03-18T11:13:55+01:0018 maart 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor NVWA controleert op vervoer van compost

GLB-subsidies en noemenswaardige hinder landbouwactiviteiten

Voor de uitbetaling van de basispremie en eco-premie moet het landbouwareaal aan algemene voorwaarden voldoen. Zo mag de landbouwgrond niet meer dan 90 dagen in een jaar gebruikt worden voor andere activiteiten en deze activiteiten mogen niet te veel last (door intensiteit, aard, duur, planning) veroorzaken. Is dit wel het geval, dan is er sprake van noemenswaardige hinder. 

Er is geen sprake van noemenswaardige hinder wanneer in het jaar van aanvraag maximaal 90 dagen niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden en de landbouwgrond na afloop van deze activiteiten weer voor begrazing of teelt gebruikt kan worden. De 90-dagenregel geldt niet als de grond aan de landbouw wordt onttrokken.

Voorbeeld: Stel dat een perceel in november aan de landbouw wordt onttrokken voor woningbouw en dat direct wordt gestart met voorbereidende werkzaamheden. In dat geval is het perceel voor het gehele jaar niet subsidiabel. Dit betekent dat er geen premie voor het perceel wordt uitbetaald en dat het ook niet kan meetellen voor de eco-regeling.

ANLb, SNL of Catalogus Groenblauwe diensten
Er is ook geen sprake van noemenswaardige hinder als op een landbouwareaal voor meer dan 90 dagen niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden in het kader van contracten op basis van subsidieregelingen ANLb, SNL of de Catalogus Groenblauwe diensten, mits de landbouwgrond na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is.

Melding in Gecombineerde opgave
Wanneer er sprake is van noemenswaardige hinder, moet dit worden gemeld in de Gecombineerde opgave. Treedt deze hinder op na het indienen van de opgave, dan moet dit onverwijld worden gemeld via een wijziging van de opgave.
 

Door |2026-03-10T17:09:46+01:0010 maart 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor GLB-subsidies en noemenswaardige hinder landbouwactiviteiten

Kleine bedrijven vrijgesteld van controles en sancties GLMC 7

Eén van de eisen in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is dat er op bouwland gewasrotatie moet plaatsvinden (GLMC 7). Daarbij gelden drie normen:

  1. Elk jaar moet op minimaal 1/3 van het bouwland een ander gewas als hoofdteelt worden geteeld, of een of meer volgteelten;
  2. Op een perceel moet eens per vier jaar een ander gewas als hoofdteelt worden geteeld;
  3. Op zand- en lössgrond moet in de periode 2023-2026 één keer een rustgewas als hoofdteelt geteeld worden. De hoofdteelt is het gewas dat in de periode 15 mei tot en met 15 juli het langst aanwezig is.

Voor de normen 1 en 2 gelden een aantal vrijstellingen (zie website RVO). Voor norm 3 geldt alleen een vrijstelling als een bepaalde teelt in de gehele periode van 2023 tot en met 2027 op een perceel staat.

Vrijstelling bedrijven tot 30 hectare van controles en sancties vanuit het GLB
De vrijstelling voor controles en sancties vanuit het GLB is betreffende GLMC 7 uitgebreid naar bedrijven tot 30 hectare (dit was 10 hectare). Deze bedrijven blijven echter wel verplicht om GLMC 7 na te leven. Verplichtingen die zijn opgenomen in de conditionaliteiten als regelingsbeheerseisen, zijn overgenomen uit nationale regelgeving. Dit zijn regels die te maken hebben met de gezondheid van mensen, dieren en planten, dierenwelzijn en het milieu. Voor kleine bedrijven blijven controles en sancties op deze nationale wet- en regelgeving van toepassing. Zij hebben voor deze bedrijven alleen geen doorwerking meer in de GLB-subsidies.

Door |2026-03-10T16:25:42+01:0010 maart 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Kleine bedrijven vrijgesteld van controles en sancties GLMC 7

Regelgeving scheuren grasland

Voor het scheuren, doodspuiten of vernietigen van grasland gelden afhankelijk van de grondsoort verschillende perioden waarin dit is toegestaan en gelden verschillende voorwaarden. Hieronder volgt een overzicht van de regelgeving die geldt voor het voorjaar. 
 
Zand- en lössgrond 
Op zand- en lössgrond mag grasland tussen 1 februari en 10 mei worden vernietigd, mits direct daarna een stikstofbehoeftig gewas wordt gezaaid. Niet toegestaan zijn onder meer de volgende gewassen: erwten, luzerne, spelt en zomergerst.

Na vernietiging van de graszode mag uitsluitend een stikstofbemesting plaatsvinden, indien uit een representatief grondmonster (scheurmonster) blijkt dat dit noodzakelijk is. Dit grondmonster moet zo kort mogelijk vóór het bemesten worden genomen.
 
Wanneer direct na het scheuren maïs, fabrieks- of consumptieaardappelen worden geteeld, wordt de stikstofgebruiksnorm verlaagd met 65 kg per hectare. In dat geval hoeft geen scheurmonster te worden genomen. De korting op de stikstofgebruiksnorm geldt niet wanneer het gras dat wordt vernietigd in het voorgaande najaar is ingezaaid als verplicht vanggewas na maïs of als niet-vlinderbloemige groenbemester. 

Tussen 11 en 31 mei mag grasland op zand- en lössgrond alleen gescheurd worden als direct daarna weer gras wordt ingezaaid. In dit geval geldt een bemonsteringsplicht als men na de vernietiging van de graszode een stikstofbemesting wil toepassen. 

Klei- en veengrond 
Op klei- en veengrond mag grasland vernietigd worden tussen 1 februari en 15 september. Indien men dit gewas wil bemesten met een stikstofhoudende meststof, moet uit een representatief grondmonster (scheurmonster) blijken dat de aanwezige hoeveelheid stikstof in de grond te laag is voor de stikstofbehoefte van het gewas. Het grondmonster moet zo laat mogelijk voor het bemesten worden genomen. Het gewas moet bemest worden volgens het advies behorend bij het grondmonster. 

Vrijstellingen
Grasland mag vernietigd worden als dit nodig is voor de aanleg en het onderhoud van infrastructuur en voor kavelinrichtingswerkzaamheden.

Controles en handhaving
De NVWA en RVO controleren op de naleving van deze regels. Overtredingen kunnen gevolgen hebben voor de gebruiksruimte en (GLB-)subsidies.
 

Door |2026-03-03T01:00:00+01:003 maart 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Regelgeving scheuren grasland

Veel mestregels blijven na vervallen derogatie bestaan

Veel mestregels die voortvloeien uit de derogatie waarvan Nederland tot dit jaar gebruik kon maken, blijven bestaan. Daarnaast worden, doordat het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn (8e AP) niet is vastgesteld, de in het concept 8e AP voorgenomen wijzigingen van regelgeving niet worden doorgevoerd. Dit betekent ook dat de voorgenomen wijzigingen in het 8e AP die een aanpassing zouden hebben betekend van maatregelen uit de derogatiebeschikking, zoals de aanwijzing van aandachtsgebieden, nu niet ingaan. Dat schrijft de minister van LVVN in een brief aan de Tweede Kamer.

Een en ander betekent ten algemene dat in 2026 alle mestregels gelden die op 31 december 2025 golden. Dit betreft de regels zoals opgenomen in de Meststoffenwet of de daarop gebaseerde regelgeving (Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm), de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm)), de mestregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling.

Hieronder volgt een overzicht:

  1. De met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden) blijven gelden, inclusief de bijbehorende korting op de stikstofgebruiksnorm;
  2. De mestproductieplafonds (nationaal en sectoraal) blijven gehandhaafd;
  3. Alle landbouwbedrijven blijven verplicht een bemestingsplan op te stellen. De verplichting voor derogatiebedrijven om het bemestingsplan binnen zeven dagen te wijzigen nadat zich een wijziging in de landbouwpraktijk heeft voorgedaan, komt te vervallen;
  4. De verplichting dat alle landbouwbedrijven sinds 1 januari 2025 gebruik moeten maken van het elektronisch mestregister blijft gelden;
  5. De verplichting tot het aanhouden van bufferstroken blijft gelden voor het mestbeleid en als conditionaliteit voor GLB-deelnemers;
  6. De activiteiten in het kader van de versterkte handhavingsstrategie, waaronder het geautomatiseerde systeem voor mesttransporten (rVDM), worden onverminderd voortgezet;
  7. De algemene verplichtingen voor het scheuren van grasland op zand- en lössgrond blijven gelden. Dit betreft onder andere de momenten waarop grasland mag worden gescheurd en de hoogte van de verlaging van stikstofgebruiksnorm op zand- en lössgronden (50 kg stikstof per hectare bij graslandvernieuwing en met 65 kg stikstof per hectare voor de teelt van maïs na gescheurd grasland);
  8. De voorwaarde over het meststoffengebruik bij de teelt van vlinderbloemigen is verwerkt in de huidige stikstofgebruiksnormen, en blijft daarmee ook gelden;
  9. Dierlijke mest moet nog steeds emissiearm worden aangewend. De voorwaarde dat (voor derogatiebedrijven) een sleepvoetbemester alleen mag worden gebruikt als de temperatuur 20 graden Celsius of hoger is, is niet meer van toepassing;
  10. Aflopende regels en voorwaarden voor bedrijven die in 2025 gebruik maakten van derogatie:
  • Eis 80%-grasland;
  • Niet toegestaan gebruik fosfaatkunstmest;
  • Verplichting tot het nemen van grondmonsters;
  • De verplichting om het vernieuwen van grasland na 31 mei op klei en veen bij RVO te melden, waarbij op deze percelen een korting van 50 kg op de stikstofgebruiksnorm gold. Deze verplichting geldt per 2026 alleen nog voor percelen op zand- en lössgronden;
  • De verplichting in NV-gebieden op klei- en veengronden om na maïs een vanggewas te telen.

Naast de hierboven genoemde regels zullen de reeds geïmplementeerde regels uit het 7e actieprogramma blijven gelden, zoals de stimulering van de teelt van vanggewassen op de zand- en lössgronden, de 1 op 4 rotatieverplichting met rustgewassen en de stimulering van organisch stofrijke meststoffen.

Door |2026-02-26T01:00:00+01:0026 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Veel mestregels blijven na vervallen derogatie bestaan

Overtreden rustgewasverplichting heeft geen gevolgen voor mestruimte

Op zand- en lössgrond moet in de periode 2023–2026 (gerekend vanaf 1 januari 2023) ten minste één keer een rustgewas worden geteeld, behoudens enkele uitzonderingen. Deze verplichting vloeit voort vanuit het mestbeleid. De gebruiker in 2026 is verantwoordelijk voor het nakomen van de rustgewasverplichting.

Aanvankelijk stelde RVO zich op het standpunt dat bij het niet voldoen aan deze verplichting in de betreffende vierjaarsperiode elke bemesting zou zijn verboden. RVO heeft dit standpunt inmiddels bijgesteld: het niet telen van een rustgewas heeft géén gevolgen voor de mestplaatsingsruimte op grond van de gebruiksnormen.

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht op de naleving van de rustgewasverplichting. Indien wordt geconstateerd dat niet aan de verplichting is voldaan, kan de NVWA een proces-verbaal opmaken. De verdere afhandeling vindt plaats via het Openbaar Ministerie en kan leiden tot een geldboete en – afhankelijk van de omstandigheden – een rechtszitting.

Daarnaast kan binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) een korting worden toegepast op de rechtstreekse betalingen en de vergoeding in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). Deze korting bedraagt minimaal 3% en kan hoger uitvallen indien sprake is van opzet.

In Mijn Percelen is een kaartlaag beschikbaar waarmee kan worden gecontroleerd of in de voorgaande drie jaren een rustgewas is geregistreerd. Deze kaartlaag is voornamelijk gebaseerd op de door grondgebruikers opgegeven hoofd- en nateelten.

Door |2026-02-25T01:00:00+01:0025 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Overtreden rustgewasverplichting heeft geen gevolgen voor mestruimte
  • Vanaf 1 juli 2026 € 3 vast douanerecht op invoer tot € 150

Vanaf 1 juli 2026 € 3 vast douanerecht op invoer tot € 150

Op invoer in de EU van kleine pakketten met een waarde tot € 150 wordt vanaf 1 juli 2026 een vast douanerecht van € 3 per product geheven.

Registratie in éénloketsysteem

Het vaste douanerecht van € 3 gaat gelden voor alle goederen die de EU binnenkomen als de verkopers van buiten de EU zijn geregistreerd in het éénloketsysteem voor invoer van de EU. In het éénlocketsysteem is 93% van alle e-commerce naar de EU geregistreerd.

De heffing gaat alleen gelden voor pakketten met een waarde tot € 150. Voor pakketten vanaf € 150 gelden nu namelijk al douanerechten.

Let op! Het vaste douanerecht gaat gelden per productgroep. Als een pakket drie verschillende producten bevat is vanaf 1 juli 2026 dus 3 keer € 3 vast douanerecht verschuldigd.

Tijdelijke oplossing

De heffing van € 3 douanerecht betreft een tijdelijke oplossing tot 2028. De Raad van de Europese Unie heeft namelijk in november 2025 al toegezegd om zo snel mogelijk douanerechten voor kleine pakketten in te voeren. Na invoering zal over alle goederen van minder dan € 150 douanerechten betaald worden tegen de normale EU-tarieven voor de afzonderlijke producten. Tot die tijd geldt vanaf 1 juli 2026 de tijdelijke regeling waarbij een vast douanerecht van € 3 wordt geheven. Onderwaardering van pakketten om daarmee belasting en invoerrecht te ontduiken en ontwijken, blijft daarmee dus nog wel mogelijk.

Administratiekosten

Er ligt ook een voorstel om, naast het vast douanerecht, nog een heffing in te voeren van € 2 voor administratiekosten. Dit zou in moeten gaan vanaf november 2026, maar het kabinet overweegt om dit in Nederland al eerder in te voeren. De besluitvoering over zo’n eerdere nationale handelingskostenvergoeding is per 13 januari 2026 echter tot nader orde uitgesteld. Nederland blijft wel de ontwikkelingen op dit vlak In Frankrijk, België en Luxemburg volgen. .

Door |2026-03-26T08:03:03+01:0012 januari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Vanaf 1 juli 2026 € 3 vast douanerecht op invoer tot € 150
  • Overdrachtsbelasting: drie tarieven en hogere startersvrijstelling in 2026

Overdrachtsbelasting: drie tarieven en hogere startersvrijstelling in 2026

De overdrachtsbelasting kent vanaf 2026 drie in plaats van twee tarieven. Daarnaast is de startersvrijstelling verhoogd. Waar moet u rekening mee houden?

Woning voor eigen gebruik

In 2026 geldt bij de overdracht van een woning die een koper zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, onder voorwaarden, een overdrachtsbelastingtarief van 2%. Dit is niet anders dan in 2025 toen hiervoor ook al het 2%-tarief gold.

Overige woningen

Wat wel gewijzigd is, is het tarief voor overige woningen. Verkrijgt u een woning die u niet zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, dan gold daar in 2025 nog een overdrachtsbelastingtarief van 10,4%. Vanaf 2026 is dit tarief 8%.

Bij overige woningen moet u denken aan een vakantiewoning, een woning die u koopt voor een studerend kind of een woning die u verhuurt.

Overig onroerend goed

Voor de verkrijging van overig onroerend goed blijft het overdrachtsbelastingtarief, net als in 2025, 10,4%.

Startersvrijstelling

Starters tot 35 jaar oud kunnen bij de aankoop van een woning die zij als hoofdverblijf gaan gebruiken, onder voorwaarden, een vrijstelling toepassen. Ze betalen dan geen overdrachtsbelasting. Een van de voorwaarden is dat de marktwaarde van de woning niet hoger is dan een bepaald bedrag.

In 2026 geldt de startersvrijstelling tot een marktwaarde van € 555.000 (2025: € 525.000). Is de marktwaarde hoger, dan geldt de startersvrijstelling niet, dus ook niet tot het bedrag van € 555.000.

Tip! Het grensbedrag voor de startersvrijstelling in 2027 is ook al bekend. In 2027 geldt de startersvrijstelling tot een bedrag van € 615.000. Voor de toepassing van de vrijstelling is de datum van de levering van de woning bij de notaris bepalend.

Door |2026-03-25T08:46:53+01:0012 januari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Overdrachtsbelasting: drie tarieven en hogere startersvrijstelling in 2026
  • Wat mag u in 2026 belastingvrij schenken?

Wat mag u in 2026 belastingvrij schenken?

Ook in 2026 kunt u weer gebruikmaken van de jaarlijkse schenkvrijstellingen. Tot welke bedragen kunt u belastingvrij schenken? Wat is er daarnaast nog gewijzigd met betrekking tot belastingvrij schenken?

Schenken aan kinderen

Veelal wordt geschonken aan kinderen. Hiervoor gelden dan ook de meeste vrijstellingen, die ook voor 2026 zijn geïndexeerd. U mag aan ieder kind in 2026 € 6.908 belastingvrij schenken (2025: € 6.713). 

Verhoogde vrijstellingen

Er geldt ook een tweetal eenmalig verhoogde vrijstellingen voor schenkingen van ouders aan hun kinderen. Zo mogen ouders in 2026 aan ieder kind in de leeftijd tussen de 18 en 40 jaar – uiterlijk op de 40e verjaardag – eenmalig een bedrag van € 33.129 (2025: € 32.195) schenken.

Let op! Als u dit eenmalig verhogde bedrag in 2026 schenkt, mag u uw kind niet ook nog het bedrag van € 6.908 belastingvrij schenken.

Volgt uw kind een dure studie? Dan mag u eenmalig een bedrag van € 69.009 (2025: € 67.064) aan uw kind tussen 18 en 40 jaar schenken ter financiering hiervan. Aan deze schenking is een aantal voorwaarden verbonden. Onder meer moet de studie minstens € 20.000 per jaar kosten, exclusief de kosten van het levensonderhoud. U moet de schenking notarieel vastleggen. Ook moet u aannemelijk kunnen maken dat de schenking daadwerkelijk voor de studie gebruikt is. 

Let op! Ook hier geldt dat als u dit bedrag schenkt, u uw kind in dat jaar niet ook nog het bedrag van € 6.908 belastingvrij mag schenken.

Let op! U mag de verhoogde vrijstellingen alleen gebruiken als er in het verleden niet eerder gebruikgemaakt is van een verhoogde vrijstelling. Dit geldt ook voor de verhoogde vrijstelling die enige jaren gold ten behoeve van een eigen woning.

Schenkingen aan anderen

Schenkt u een bedrag aan een ander dan uw kind, bijvoorbeeld aan uw kleinkind, dan bedraagt de vrijstelling in 2026 € 2.769 (2025: € 2.690).

Let op! Alle genoemde vrijstellingen gelden per kalenderjaar.

Meer schenken dan vrijgesteld?

Schenkt u meer dan de genoemde bedragen, dan betalen uw kinderen in 2026 10% belasting over een bedrag tot € 158.669 (2025: € 154.197). Over het meerdere betalen ze 20% belasting. Kleinkinderen en verdere afstammelingen betalen 18% belasting over een bedrag tot € 158.669 en 36% over het meerdere. Voor alle anderen bedraagt het tarief 30% tot € 158.669 en 40% over het meerdere. 

Ook vrijstellingen erfbelasting geïndexeerd

Naast de bedragen van de vrijstellingen in de schenkbelasting, zijn ook de vrijgestelde bedragen in de erfbelasting verhoogd als gevolg van de jaarlijkse indexatie. Dit levert de onderstaande vrijstellingen op:

   2025  2026
 Vrijstelling partner  € 804.698  € 828.035 
 Vrijstelling invalide kind  € 76.453  € 78.671 
 Vrijstelling (klein)kinderen  € 25.490  € 26.230 
 Vrijstelling ouder  € 60.359  € 62.110 

Let op! Het tarief in de erfbelasting is gelijk aan het tarief in de schenkbelasting.

Wijziging per 2026

Met betrekking tot bovenstaande vrijstellingen is van belang dat kinderen die geen juridische band hebben met hun biologische ouder gelijkgesteld worden aan kinderen die deze band wel hebben. Over schenkingen en erfenissen van hun biologische, maar niet juridische ouder, gelden voortaan dus dezelfde vrijstellingen.

Door |2026-03-17T07:52:50+01:005 januari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Wat mag u in 2026 belastingvrij schenken?