Agrarisch nieuws

Antibioticagebruik in veehouderij verder gedaald

Het antibioticagebruik in de Nederlandse veehouderij is in 2025 opnieuw gedaald, namelijk met bijna 7% ten opzichte van 2024. Sinds 2009 is de verkoop van antibiotica voor dieren met ruim 77% afgenomen. Daarmee is de resistentie tegen antibiotica in dieren ook afgenomen. De doelstelling om het gebruik van antibiotica terug te brengen tot een verantwoord en aanvaardbaar laag niveau is in veel (deel)sectoren bereikt. Voor de kalversector ligt er echter nog wel een belangrijke opgave.

Nieuwe afspraak met kalversector
In de kalversector is het gemiddelde antibioticagebruik al enkele jaren stabiel. Ook het aantal bedrijven dat veel antibiotica gebruikt, is niet afgenomen. De sector heeft in het Veal Forward plan de ambitie uitgesproken om 50% reductie te realiseren in 2032 ten opzichte van 2022. Daarnaast heeft de staatssecretaris van LVVN met de sector afgesproken dat in 2032 het aantal in bedrijf zijnde hooggebruikende bedrijven met 50% is verminderd ten opzichte van 2026. Om dit te bereiken zal de sector een verscherpte aanpak van (structurele) hooggebruikers invoeren, die naar verwachting per 1 januari 2027 ingaat. Ook kijkt de sector op meerdere fronten naar het verbeteren van de gezondheid van de kalveren over de gehele keten.

Gebruik bij vleeskuikens onverwacht gestegen
Bij vleeskuikens is het antibioticagebruik sinds 2011 met 80% is afgenomen, onder meer door een toename van bedrijven met trager groeiende vleeskuikens. Opvallend is echter dat het gebruik in 2025 met bijna 25% is toegenomen ten opzichte van 2024. De sector heeft daarom een werkgroep opgericht die de oorzaak van de stijging moet achterhalen. Het valt op dat er een relatief hoog gebruik is in de eerste week dat de vleeskuikens op het bedrijf zijn. De sector kijkt waar de stijging vandaan komt en wat veehouders en dierenartsen kunnen doen om het gebruik weer terug te dringen.

Uitbreiding monitoring gebruik naar alle gehouden dieren
De monitoring van het gebruik van antimicrobiële diergeneesmiddelen zal uitgebreid worden naar alle gehouden dieren, waaronder schapen en paarden (per 2027) en vanaf 2030 ook honden en katten.

Door |2026-09-10T00:07:43+02:0010 september 2026|Agrarisch nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Antibioticagebruik in veehouderij verder gedaald

Dierhouder moet dieren bescherming bieden tegen slechte weersomstandigheden

Het Besluit houders van dieren verplicht onder meer om de dieren die niet in een gebouw worden gehouden, bescherming te bieden tegen gezondheidsrisico’s en slechte weersomstandigheden. Ook houders van bijzondere of sterke dieren moeten hiertegen voldoende bescherming bieden. Dat blijkt uit een recente uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).

De zaak draaide om wolvarkens die op een zeer nat en modderig perceel werden gehouden, zonder droge ligplaats of schuilgelegenheid. Naar aanleiding van een NVWA-controle had de minister van LVVN een last onder bestuursdwang opgelegd om voldoende bescherming af te dwingen.

Volgens de dierhouder kunnen wolvarkens zich heel goed redden onder dergelijke omstandigheden. Ook bleek uit het gezondheidsdossier dat er de afgelopen tien jaar geen gezondheidsproblemen waren geweest die waren terug te voeren op de wijze van houden van deze dieren.

Het CBb oordeelde dat de wettelijke basiseisen ook dan gelden. Dat dieren van nature beter tegen kou of regen kunnen, betekent niet dat een houder geen aanvullende maatregelen hoeft te treffen.

Belangrijk is bovendien dat niet alleen ziekte of sterfte bepalend is. Een veehouder moet gezondheidsrisico’s vooraf voorkomen. Bij buitenhuisvesting betekent dit dat dieren daadwerkelijk toegang moeten hebben tot een droge, comfortabele plek en beschutting tegen neerslag, wind en kou.

Uit eerdere rechterlijke uitspraken blijkt dat slechte weersomstandigheden niet alleen zien op neerslag, wind en kou, maar ook op hitte en felle zon.

 

Door |2026-09-09T09:57:48+02:009 september 2026|Agrarisch nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Dierhouder moet dieren bescherming bieden tegen slechte weersomstandigheden

Schadevergoeding voor pachter bij tussentijdse opzegging eenjarige pacht

Het Nederlandse pachtrecht kent een sterke bescherming van de pachter. Zo moet een pachtovereenkomst ter goedkeuring worden voorgelegd aan de grondkamer. De grondkamer toetst de overeenkomst aan de wettelijke regels en kan de overeenkomst wijzigen als bepaalde afspraken niet zijn toegestaan of onredelijk zijn. Dat kan ook als pachter en verpachter het volledig eens zijn over de overeengekomen pachtvoorwaarden. Dat blijkt uit een recente uitspraak van de Centrale Grondkamer.

Zaak
De provincie en een landbouwer hadden een geliberaliseerde pachtovereenkomst voor de duur van één jaar afgesloten voor een perceel grasland. Dit perceel zou mogelijk tussentijds worden ingericht als natuur. Bij daadwerkelijke opzegging door de provincie zou de pachtprijs hierop worden aangepast.

De grondkamer keurde de pachtovereenkomst goed na wijziging van de bepalingen over een eventuele tussentijdse opzegging. De provincie was het niet eens met de wijziging en ging in beroep bij de Centrale Grondkamer.

Opzeggingsbeding buitensporig
De Centrale Grondkamer oordeelde dat ondanks de onzekerheid die de pachter had geaccepteerd het tussentijdse opzeggingsbeding buitensporig was. De pachter kan zijn bedrijfsvoering immers hebben afgestemd op het gepachte, bijvoorbeeld voor mestafzet, teelt en subsidieaanvragen. Het financiële risico werd volledig bij de pachter gelegd. Dat oordeel gold hier ongeacht de hoogte van de pachtprijs.

Schadevergoeding voor pachter bij tussentijdse opzegging
De buitensporigheid kan volgens de Centrale Grondkamer worden weggenomen door in de pachtovereenkomst op te nemen dat de pachter bij tussentijdse opzegging recht heeft op vergoeding van de concrete schade die daardoor ontstaat.

Overeenkomsten met langere looptijd
De uitspraak ziet uitsluitend op een pachtovereenkomst van één jaar. Overeenkomsten met een langere looptijd zijn niet beoordeeld; daarvoor blijft de beoordeling afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

 

Door |2026-09-03T00:15:11+02:003 september 2026|Agrarisch nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Schadevergoeding voor pachter bij tussentijdse opzegging eenjarige pacht

Aankondiging afstandsnorm voor geitenhouderijen

Het kabinet wil een landelijke afstandsnorm van 500 meter invoeren tussen geitenhouderijen en woonkernen en andere gevoelige functies, zoals kinderdagverblijven en ouderenzorginstellingen. De norm moet voorkomen dat nieuwe situaties ontstaan waarin omwonenden een verhoogd gezondheidsrisico lopen.

Gevolgen afstandsnorm
Binnen een straal van 500 meter van gevoelige functies of woonkernen mogen geen nieuwe geitenhouderijen gevestigd worden. Ook mogen geen woonkernen en andere gevoelige functies binnen 500 meter van een geitenhouderij gebouwd worden.

Voor bestaande geitenhouderijen binnen 500 meter geldt het voorgenomen uitgangspunt dat uitbreiding niet mogelijk is zolang geen bewezen effectieve en handhaafbare emissiereducerende maatregelen beschikbaar zijn. Zodra dergelijke maatregelen beschikbaar zijn, wil het kabinet onder voorwaarden een beperkte uitbreiding mogelijk maken.

Juridische uitwerking
De afstandsnorm is nog niet juridisch van kracht. Eerst wordt een plan-milieueffectrapportage uitgevoerd, waarna de regelgeving onder de Omgevingswet verder wordt uitgewerkt. Het kabinet verwacht dat het totale traject gemiddeld 2,5 tot 3 jaar duurt.

Handhaving provinciale moratoria
Het kabinet vraagt provincies rekening te houden met de aangekondigde maatregelen en bestaande moratoria te handhaven totdat de regelgeving van het Rijk in werking is getreden. De gemeenten worden gevraagd om bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening te houden met de aangekondigde regelgeving.

Prioritaire locaties
Daarnaast worden prioritaire locaties aangewezen waar de gezondheidsrisico’s het grootst zijn. Daar wordt samen met gemeenten en provincies gekeken naar maatwerk, waaronder emissiereductie, verplaatsing of vrijwillige uitkoop.

Door |2026-09-02T10:42:31+02:002 september 2026|Agrarisch nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Aankondiging afstandsnorm voor geitenhouderijen

Droogtemaatregelen: verlenging uitrijdperiode mest, versoepeling GLB-voorwaarden

De minister van LVVN heeft naar aanleiding van de aanhoudende droogte een aantal maatregelen genomen voor de uitrijdperiode van dierlijke mest op grasland, het GLB en de eco-regeling.

Uitrijdperiode dierlijke mest
De uitrijdperiode voor drijfmest op grasland wordt voor alle grondsoortregio’s verlengd tot en met 15 september. Voor vaste dierlijke mest op graslandpercelen op zand- en lössgronden wordt de uitrijdperiode eveneens verlengd naar 15 september.

De minister wil hiermee voorkomen dat eind augustus nog veel mest wordt uitgereden op verdroogde grond. Volgens een advies van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) brengt het uitrijden van (veel) mest op verdroogde grond risico’s op uit- en afspoeling met zich mee. Een verlenging van de uitrijdperiode voor dierlijke mest op grasland tot half september leidt volgens de CDM echter niet tot een betekenisvolle toename van de uit- en afspoeling van nitraat ten opzichte van de reguliere uitrijdperiode.

Maatregelen GLB en/of eco-regeling
De minister heeft besloten om overmacht toe te kennen voor twee conditionaliteitsvoorwaarden en een aantal subsidievoorwaarden binnen de eco-regeling. Als gevolg van de overmacht zullen deze voorwaarden, ongeacht wat er naar voren komt bij een eventuele controle, als voldaan worden beschouwd.

Voor de conditionaliteitsvoorwaarden gaat het om de goede landbouw en milieuconditie 6 (GLMC) ‘Minimale bodembedekking’ en de onderdelen daarbinnen die een minimale bodembedekking voorschrijven van 80 procent. In de zomer voor percelen die uit productie zijn gehaald en voor kleigronden de minimale periode voor de bedekking in de herfst. Ook bij de eco-activiteit ‘groene braak’ gaat het om de voorwaarde om een minimale zichtbare bedekking te hebben van 80 procent. Voor de eco-activiteit ‘onderzaai vanggewas’ gaat het eveneens om de voorwaarde voor een minimale zichtbare bedekking van 80 procent en de voorwaarde dat deze direct na de oogst van de hoofdteelt aanwezig moet zijn.

Voor de eco-activiteit ‘vroeg ras rooigewas’ wordt de uiterste rooidatum van 1 september gelijkgesteld met de huidige uiterlijke inzaaidatum van vanggewassen op zand- of lössgrond van 1 oktober.

Door |2026-08-26T18:56:25+02:0026 augustus 2026|Agrarisch nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Droogtemaatregelen: verlenging uitrijdperiode mest, versoepeling GLB-voorwaarden

Nieuwe openstelling SABE-regeling 2026

De Subsidiemodule Agrarische Bedrijfsadvisering en Educatie (SABE), vallend onder het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB), wordt jaarlijks opengesteld. Het doel is het ondersteunen van landbouwondernemers die individueel of samen hun kennis over verduurzaming van de bedrijfsvoering willen vergroten.

Openstelling 2026
De modules betreffende advies- en bedrijfsplanvouchers voor landbouwondernemers worden in de periode 7 oktober tot en met 18 november 2026 opnieuw opengesteld. Met deze vouchers kunnen agrarische ondernemers onafhankelijk advies inwinnen gericht op duurzaamheidsopgaven, kringlooplandbouw en klimaatneutrale landbouw. Met een adviesvoucher kan een landbouwer een bedrijfsspecifiek bedrijfsadvies verkrijgen op één bepaald aandachtsgebied. Met een bedrijfsplanvoucher kan een geheel bedrijfsplan worden verkregen gericht op omschakeling naar duurzame landbouw.

Budget en volgorde behandeling aanvragen
Het budget bedraagt € 4,5 miljoen voor adviesvouchers en € 2,1 miljoen voor bedrijfsplanvouchers. Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst, waarbij het principe geldt ‘wie het eerst komt wie het eerst maalt’. Gezien de grote belangstelling in de vorige openstellingsperiodes zal een aanvraag daarom direct op de eerste dag van de openstellingsperiode ingediend moeten worden.

Door |2026-08-26T12:24:17+02:0026 augustus 2026|Agrarisch nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Nieuwe openstelling SABE-regeling 2026

Prognose CBS: overschrijding fosfaatplafond 2026 met 1,3%

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verwacht op basis van de gegevens van het tweede kwartaal van 2026 dat het totale fosfaatplafond van de Nederlandse veestapel (135 miljoen kg) dit jaar met 1,8 miljoen kg fosfaat (1,3%) wordt overschreden. De totale stikstofproductie ligt met 436,2 kg 0,9% lager dan het plafond van 440,0 miljoen kg stikstof.

Sectorale plafonds
De fosfaatplafonds worden overschreden door de varkenshouderij met 1,2 miljoen kg (4,3%), de melkveehouderij met 0,6 miljoen kg fosfaat (1,3%) en de overige diersoorten met 0,8 miljoen kg (5,3%). Bij de pluimveehouderij is sprake van een onderschrijding van 0,9 miljoen kg fosfaat (4,4%).

Het stikstofplafond wordt alleen in de varkenshouderij overschreden, namelijk met 3,9 miljoen kg stikstof (5,5%). In de andere sectoren is sprake van een onderschrijding: de melkveehouderij met 6 miljoen kg (2,2%), de pluimveehouderij met 1,1 miljoen kg (2,3%) en de overige diersoorten met 0,6 miljoen kg (1,1%).

Afroming varkensrechten
Gelet op de verwachte overschrijding van het sectorale mestproductieplafond in de varkenshouderij voor zowel fosfaat als stikstof, heeft de minister van LVVN besloten voorbereidingen te treffen voor de herintroductie van afroming bij overdrachten in de varkenshouderij. De definitieve besluitvorming vindt later dit jaar plaats. Daarbij wordt ook het afromingspercentage vastgesteld. Indien tot afroming wordt besloten, zal de maatregel naar verwachting begin 2027 in werking treden.

Ruweiwitgehalte melkveevoerrantsoen
Met de melkveesector is in het kader van de stikstofproblematiek afgesproken om te streven naar een verlaging van het ruweiwitgehalte (RE) in het melkveevoerrantsoen en dit gehalte in 2026 niet hoger te laten zijn dan 158 gram RE per kilogram droge stof. Volgens de CBS-prognose komt het gehalte dit jaar uit op 161 gram. De onzekerheid is echter groot, omdat de samenstelling van snijmaïs en vers gras nog niet bekend is en van krachtvoer gedeeltelijk.

Door |2026-08-26T12:24:16+02:0026 augustus 2026|Agrarisch nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Prognose CBS: overschrijding fosfaatplafond 2026 met 1,3%

Vermindering pachtprijs bij extreme omstandigheden

Heeft extreme droogte geleid tot een fors lagere opbrengst? Dan kan een pachter onder voorwaarden aanspraak maken op vermindering van de pachtprijs. Artikel 7:330 BW biedt hiervoor ruimte wanneer sprake is van buitengewone omstandigheden die de opbrengst aanzienlijk hebben verminderd ten opzichte van wat bij het aangaan van de pachtovereenkomst mocht worden verwacht.

Een lagere opbrengst in een normaal slecht jaar is niet voldoende. De droogte moet uitzonderlijk zijn en de gevolgen mogen niet redelijkerwijs door de pachter te voorkomen zijn, bijvoorbeeld door verzekering of andere maatregelen zoals beregening.

De pachtprijs wordt bovendien niet automatisch verlaagd. Komen pachter en verpachter er samen niet uit, dan kan de pachter een verzoek indienen bij de grondkamer. Daarbij ligt de bewijslast in beginsel bij de pachter.

Een goed onderbouwd verzoek is daarom belangrijk. Denk aan gegevens over de droogteperiode, getroffen percelen en gewassen, opbrengstregistraties (per perceel), neerslag- en bodemvochtgegevens, beregening, foto’s en vergelijkingen met normale opbrengsten. Ook moet concreet worden berekend welke tijdelijke vermindering wordt gevraagd.

Let op! Een vordering vervalt zes maanden na het einde van het betreffende pachtjaar of -seizoen.

 

Door |2026-08-19T14:46:41+02:0019 augustus 2026|Agrarisch nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Vermindering pachtprijs bij extreme omstandigheden

Hof: bestemming bedrijfswoning weegt zwaar voor WOZ-waarde

Het Gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat bij de WOZ-waardering van een bedrijfswoning de publiekrechtelijke gebruiksbeperking een doorslaggevende rol speelt. De zaak betrof een bedrijfswoning bij een manege. De gemeente verlaagde de WOZ-waarde na bezwaar van € 653.000 naar € 552.000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de eigenaar hoger beroep instelde. De eigenaar stelde dat de WOZ-waarde nog steeds te hoog was, omdat de woning uitsluitend als bedrijfswoning mocht worden gebruikt. Volgens het bestemmingsplan mocht de woning alleen worden bewoond door personen van wie huisvesting noodzakelijk is voor de exploitatie van de manege.

Het Hof benadrukt dat voor de Wet WOZ wordt uitgegaan van volle eigendom, maar dat wél rekening moet worden gehouden met publiekrechtelijke beperkingen, zoals een bestemmingsplan. Door de bestemming ‘bedrijfswoning’ is de kring van potentiële kopers zeer beperkt. Een bedrijfswoning kan helemaal niet afzonderlijk verkocht worden. Daardoor zijn verkoopprijzen van reguliere woningen niet geschikt als referentie voor de waardering van bedrijfswoningen.

De gemeente kon niet aannemelijk maken dat de door haar vastgestelde WOZ-waarde juist was. Tegelijkertijd was ook het taxatierapport van de eigenaar niet rechtstreeks bruikbaar, omdat dit zag op de waarde van het volledige manegecomplex en was opgesteld voor financieringsdoeleinden. Omdat geen van beide partijen de juiste waarde aannemelijk maakte, stelde het Hof de WOZ-waarde in goede justitie vast op € 275.000.

Belang voor de praktijk
Deze uitspraak onderstreept dat een bedrijfswoning met een functionele binding aan een (agrarisch) bedrijf aanzienlijk minder waard kan zijn dan een vergelijkbare reguliere woning. Bij bezwaar tegen een WOZ-beschikking is het daarom van belang om de gebruiksbeperkingen uit het bestemmingsplan expliciet te betrekken en kritisch te beoordelen of de gemeente gebruikmaakt van passende referentieobjecten. Referenties van vrij verhandelbare woningen zijn daarvoor niet zonder meer geschikt. Een juiste WOZ-waarde is niet alleen van belang voor de hoogte van de OZB, maar kan ook doorwerken in diverse andere belastingen.

Door |2026-08-12T00:13:37+02:0012 augustus 2026|Agrarisch nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Hof: bestemming bedrijfswoning weegt zwaar voor WOZ-waarde

Hoofdlijnenconvenant gewasbeschermingsmiddelen 2026-2040

Het kabinet heeft het Hoofdlijnenconvenant gewasbeschermingsmiddelen 2026–2040 aangeboden aan de Tweede Kamer. Overheid, landbouworganisaties, ketenpartijen en maatschappelijke organisaties hebben hierin afspraken gemaakt om de milieubelasting van gewasbeschermingsmiddelen te verminderen. Tegelijk moet de plantaardige landbouw economisch rendabel blijven.

Afspraken
De belangrijkste afspraken zijn:

  • Minder milieubelasting: Er komt een landelijk doel voor het terugdringen van de milieubelasting van gewasbeschermingsmiddelen. Op termijn wordt ook op bedrijfsniveau gemeten hoe bedrijven presteren.
  • Water en leefomgeving: Er komen extra maatregelen om de waterkwaliteit te verbeteren en om natuurgebieden en gevoelige locaties, zoals scholen en woningen, beter te beschermen.
  • Meer duurzame alternatieven: Het kabinet wil de ontwikkeling en toelating van groene en laag-risicomiddelen versnellen. Ook wordt geïnvesteerd in kennis en weerbare teeltsystemen.
  • Meer toezicht: Er wordt gewerkt aan een betere registratie van het middelengebruik en aan strengere controle op de naleving van de regels.
     

Deelconvenanten
De afspraken moeten dit jaar nog worden uitgewerkt in deelconvenanten.

Wat betekent dit voor uw bedrijf?
Een goede registratie van het middelengebruik wordt steeds belangrijker. Ook neemt de aandacht toe voor emissiebeperking, geïntegreerde gewasbescherming en het gebruik van duurzame alternatieven. Lukt het de sector niet om de afgesproken doelen te halen, dan kan het kabinet aanvullende maatregelen invoeren.

Door |2026-08-12T00:13:37+02:0012 augustus 2026|Agrarisch nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Hoofdlijnenconvenant gewasbeschermingsmiddelen 2026-2040