Geen categorie

  • Lagere waarde bedrijfsdeel pand vanwege duurzame zelfbewoning?

Lagere waarde bedrijfsdeel pand vanwege duurzame zelfbewoning?

Als u voor uw onderneming in de inkomstenbelasting gebruikmaakt van een gedeelte van een pand, terwijl u in het andere deel woont, kunt u het bedrijfsdeel over het algemeen als ondernemingsvermogen aanmerken. Bij staking van uw onderneming gaat het bedrijfsdeel dan over naar privé en moet u hierover fiscaal afrekenen.

Mag dan bij de waardebepaling hiervan rekening worden gehouden met een lagere waarde vanwege duurzame bewoning? En zo ja, in welke mate?

Fysiotherapeut stopt ermee

In een zaak die speelde voor rechtbank Noord-Holland kwam deze vraag aan de orde bij de aangifte van een fysiotherapeut die zijn bedrijf gestaakt had. Hij voerde zijn praktijk vanuit het bedrijfsdeel van een woon-bedrijfspand, die hij als ondernemingsvermogen had aangemerkt. Bij het staken van zijn bedrijf ging dit bedrijfsdeel over naar privé en moest hij fiscaal afrekenen over het verschil tussen de werkelijke waarde en de boekwaarde van het bedrijfsdeel. Bij de berekening van de werkelijke waarde had hij met lagere waarde vanwege duurzame zelfbewoning van het bedrijfsdeel rekening gehouden. 

De Belastingdienst accepteerde die lagere waarde niet, omdat het bedrijfsdeel alleen gebruikt werd voor ondernemingsactiviteiten en niet voor duurzame zelfbewoning.

Duurzame zelfbewoning van het bedrijfsdeel?

De rechtbank stelde om te beginnen vast dat de bewijslast dat er sprake is van een lagere waarde door duurzame zelfbewoning, bij de fysiotherapeut lag. Verder stelde de rechtbank dat volgens eerdere rechtspraak het bedrijfsdeel voor de overgang naar privé al duurzaam bewoond moet zijn.

De fysiotherapeut moest dus aannemelijk maken dat ook het bedrijfsgedeelte al voor de staking van zijn onderneming duurzaam door hem bewoond werd. Dat deed hij onder meer door aannemelijk te maken dat het bedrijfsgedeelte niet afzonderlijk kon worden verhuurd of verkocht, zonder vergaande afbreuk te doen aan het woongenot van het woongedeelte. Het praktijkgedeelte van het pand had daarnaast weliswaar een eigen opgang, maar had geen eigen sanitair of aansluitingen voor gas en elektra. Ook was er slechts een dunne scheidingswand met het privégedeelte aanwezig en bevond zich hierin een doorgang. Tot slotvormde het pand één kadastraal geheel, zodat het bedrijfsdeel niet zelfstandig verkocht kon worden.  

Ja, dus lagere waarde

De rechtbank stelde op grond van de argumenten en aangevoerde feiten door de fysiotherapeut vast, dat het pand na staking uitsluitend voor privédoeleinden bestemd was. De conclusie luidde dan ook dat met de duurzame zelfbewoning rekening moest worden gehouden bij de waardebepaling van het bedrijfsdeel.

Bedrijfsdeel geen ondernemingsvermogen?

De Belastingdienst probeerde het nog wel over een andere boeg. De rechtbank ging echter niet mee met de stelling van de inspecteur dat het bedrijfsdeel ten onrechte tot het ondernemingsvermogen was gerekend. De rechtbank gaf aan dat over het algemeen de wil van belastingplichtige beslissend is om een gemengd pand al dan niet (deels) tot het ondernemingsvermogen te rekenen, tenzij dit de redelijkheid te buiten gaat. Dit was hier niet het geval.

Hoeveel lagere waarde?

De rechtbank besloot vervolgens de waardevermindering vanwege duurzame zelfbewoning vast te stellen op 15%, zich baserend op een goedkeurend besluit van de Belastingdienst uit 2018. De waarde van het praktijkdeel werd overeenkomstig deze vermindering vastgesteld. 

Door |2026-03-13T07:42:28+01:0030 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Lagere waarde bedrijfsdeel pand vanwege duurzame zelfbewoning?
  • Hoger griffierecht per 1 januari 2026

Hoger griffierecht per 1 januari 2026

Het griffierecht wordt per 1 januari 2026 verhoogd met 2,94%. De verhoging wordt op hele euro’s afgerond. De verhoging vloeit voort uit de jaarlijkse indexatie met de consumentenprijsindex.

Griffierecht

Wie in belastingzaken een beschikking van de inspecteur bij de rechter wil aanvechten, is in beginsel griffierecht verschuldigd. Dit is onder meer het geval als u in beroep gaat tegen een afgewezen bezwaarschrift, of bij hoger beroep bij het gerechtshof of cassatie bij de Hoge Raad. 

Let op! Voor het aantekenen van bezwaar hoeft geen griffierecht betaald te worden.

Nieuwe tarieven voor instellen beroep

Natuurlijke personen die beroep aantekenen, moeten voor de meeste belastingen vanaf 1 januari 2026 € 54 griffierecht betalen, ofwel € 1 meer dan nu. Voor sommige belastingen, waaronder de btw en mrb, wordt het tarief € 200 in plaats van € 194 nu. Voor rechtspersonen, zoals een bv of stichting, geldt voor alle belastingsoorten een tarief van € 397, ofwel € 12 meer dan nu.

Nieuwe tarieven voor hoger beroep en cassatie

Natuurlijke personen die hoger beroep instellen bij een gerechtshof of in cassatie gaan bij de Hoge Raad, betalen vanaf 1 januari 2026 voor de meeste belastingen een griffierecht van € 147, ofwel € 4 meer dan nu. Voor enkele belastingen geldt voor hen vanaf 2026 een hoger griffierecht van € 297, ofwel € 8 meer dan in 2025. Voor rechtspersonen geldt bij alle belastingen bij hoger beroep en cassatie vanaf 2026 een griffierecht van € 596, € 17 meer dan nu.

Let op! Voor onvermogenden geldt een vrijstelling van de betaling van griffierecht.

Restitutie indien gelijk

U krijgt het betaalde griffierecht terug als u de zaak wint. Ook krijgt u dan in de regel een vergoeding voor gemaakte proceskosten, zoals de kosten van een adviseur. Deze vergoeding is gebaseerd op forfaitaire bedragen. Deze zijn afhankelijk van de verrichte inspanningen en de zwaarte van de zaak. Een vergoeding dekt meestal maar een deel van de kosten. Ook deze vergoedingen worden per 1 januari 2026 met 2,94% verhoogd.

Door |2026-03-12T08:20:49+01:0030 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Hoger griffierecht per 1 januari 2026
  • Tijdelijke beslistermijnverlenging WIA-uitkering en herbeoordeling

Tijdelijke beslistermijnverlenging WIA-uitkering en herbeoordeling

Het UWV heeft aangekondigd vanaf januari 2026 ‘tijdelijk’ de beslistermijn voor werknemers die een WIA-uitkering of een herbeoordeling aanvragen te verdubbelen van acht naar zestien weken.

Wettelijke beslistermijn

De wettelijke beslistermijn bedraagt acht weken. Dit heeft de wetgever een redelijke termijn gevonden. Als de beslissing niet binnen acht weken kan worden afgegeven, moet het UWV daarover berichten en moet daarbij vermelden wanneer zij de beslissing dan wel kunnen nemen. Het UWV streeft er met ingang van 1 januari 2026 dus naar om mensen binnen zestien weken een beoordeling en duidelijkheid te geven. Dit betekent dat werknemers pas later dwangsommen kunnen gaan verbeuren.

Wettelijk afwijken

In individuele situaties mag van de beslistermijn worden afgeweken en wel in de volgende gevallen:

  • gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd;
  • zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend; of
  • zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven.

Mag dit wel?

De vraag is wel wat de juridische grondslag is voor de voorgenomen generieke verdubbeling. Bij overmacht moet het gaan om “een onmogelijkheid om te beslissen die veroorzaakt wordt door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen.” 

De bestaande tekorten aan verzekeringsartsen zijn niet nieuw en waren voorzienbaar. Deze gang van zaken biedt geen oplossing voor de bestaande problemen bij het UWV waarvan mensen de dupe worden. De vraag is dan ook of deze beslissing dan ook juridisch standhoudt.

Door |2026-03-12T08:20:50+01:0029 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Tijdelijke beslistermijnverlenging WIA-uitkering en herbeoordeling
  • Te korte termijn voor hoorgesprek onacceptabel

Te korte termijn voor hoorgesprek onacceptabel

Als u het met een belastingaanslag niet eens bent, kunt u bezwaar aantekenen. Voordat de inspecteur op uw bezwaar beslist, stelt hij u in de gelegenheid over uw bezwaar te worden gehoord. De inspecteur dient u van deze mogelijkheid op de hoogte te stellen. De termijn hiervoor moet redelijk zijn en niet te kort. Wanneer is sprake van ‘te kort’? Een casus.

Let op!Een hoorgesprek hoeft niet plaats te vinden als u verklaart ervan af te willen zien of als u niet binnen een redelijke termijn verklaart ervan gebruik te willen maken.

Inspecteur stelt te korte termijn

In een zaak die onlangs tot aan de Hoge Raad werd uitgevochten, ging het om de vraag of de door de inspecteur gestelde termijn voor het hoorgesprek te kort was. In deze zaak hadden eerst de belastingplichtige en daarna de inspecteur een eerdere afspraak over het hoorgesprek geannuleerd. 

De inspecteur stelde daarop een nieuwe termijn voor een hoorgesprek vast, maar het hoorgesprek moest dan al vier of vijf dagen later plaatsvinden. Tussen de verzenddatum van de uitnodigingbrief en de genoemde termijnen lag bovendien een weekend. Omdat hierop niet werd gereageerd, werd het bezwaar door de inspecteur afgewezen.

Hoge Raad: termijn onaanvaardbaar kort

De belastingplichtige stelde dat de termijn voor het hoorgesprek te kort was. Hij kreeg van de rechtbank en het gerechtshof geen gelijk, maar in cassatie van de Hoge Raad wel. Die noemde de door de inspecteur gestelde termijn onaanvaardbaar kort. 

Redenen niet van belang

De inspecteur had gesteld dat hij de eerdere afspraak voor het hoorgesprek had geannuleerd, omdat hij in afwachting was van nadere informatie over het geschil. De Hoge Raad vond dit niet van belang. Dat de zaak al langere tijd speelde en dat de belastingplichtige dus genoeg tijd had gehad zich op het hoorgesprek voor te bereiden, was in de ogen van de Hoge Raad evenmin een argument een dermate korte termijn te stellen. Dat gold ook voor het feit dat de inspecteur gedwongen was op korte termijn op het bezwaar te beslissen, omdat anders een dwangsom verschuldigd zou zijn.

De Hoge Raad besliste dan ook dat de inspecteur opnieuw uitspraak moest doen op het bezwaar.

Door |2026-03-11T08:03:19+01:0029 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Te korte termijn voor hoorgesprek onacceptabel
  • Welk btw-tarief voor plastic draagtas?

Welk btw-tarief voor plastic draagtas?

Consumenten kunnen in een winkel vaak voor een gering bedrag een plastic draagtas aanschaffen. Een eigenaar van supermarkten procedeerde tot aan de Hoge Raad om te achterhalen of op deze tasjes terecht het hoge btw-tarief van 21% van toepassing is.

Zelfstandige prestatie

In deze procedure draaide het met name om de vraag of het verkopen van de plastic draagtassen voor de btw als een zelfstandige prestatie moest worden aangemerkt. Uitgangspunt voor de btw is bij levering van verschillende prestaties op iedere prestatie het behorende btw-tarief moet worden toegepast. Alleen in bepaalde situaties kan hiervan worden afgeweken. 

Wanneer afwijken?

Afwijken is aan de orde als meerdere prestaties zo nauw met elkaar verbonden zijn dat splitsing ervan kunstmatig zou zijn. Afwijken is ook mogelijk als er bij verschillende prestaties sprake is van één hoofdprestatie en één of meer bijkomende prestaties. Een bijkomende prestatie is geen doel op zich, maar een middel om van de hoofdprestatie optimaal gebruik te kunnen maken. Alleen in deze situaties volgt het bijkomende product het btw-tarief van de hoofdprestatie.

Draagtas is zelfstandige prestatie

De rechtbank en het gerechtshof Amsterdam komen tot de conclusie dat de draagtasjes als zelfstandige prestatie aangemerkt moeten worden. Ze zijn niet bijkomend, maar juist een doel op zich voor de consument die in de supermarkt geen boodschappentas bij zich heeft. De consument heeft dan ook de keuze al dan niet een draagtas aan te schaffen en moet hier ook apart voor betalen.

Geen verpakking

Een draagtasje kan ook niet als verpakkingsmateriaal worden betiteld en volgt dus niet het btw-tarief van de hoofdprestatie, aldus de rechters. Het is immers geen onderdeel van een product, maar ze zijn bij aankoop juist leeg. Er is dan ook geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat op de prestatie ‘draagtas’ het hoge btw-tarief van 21% moet worden toegepast. 

De Hoge Raad is het hiermee eens en laat de uitspraak van het Hof Amsterdam dan ook in stand.

Door |2026-03-11T08:03:20+01:0023 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Welk btw-tarief voor plastic draagtas?
  • Hoe hoog moet de nieuwe flatrate-premie zijn?

Hoe hoog moet de nieuwe flatrate-premie zijn?

Alle pensioenregelingen moeten per 2028 voldoen aan de Wet toekomst pensioenen. Dat betekent dat alle werknemers, jong/oud, fulltime/parttime, een gelijke premie (flatrate) moeten krijgen.

Nieuwe werknemers per 2028

Nieuwe werknemers krijgen dus vanaf 2028 allemaal dezelfde premie, ongeacht leeftijd. Ook krijgen zij allemaal eenzelfde partnerpensioen, zijnde een vast percentage van het salaris. Dat deze premie afwijkt van een vergelijkbare werknemer qua leeftijd die al werkzaam is, mag op grond van objectieve discriminatie. Iemand is immers in dienst per 2028 of nog niet. Dat laat onverlet dat het ‘scheve ogen’ kan geven, zeker als een nieuwe werknemer meer premie krijgt als een zittende werknemer die al jaren voor het bedrijf werkt. Dat geldt ook voor een oudere werknemer die minder krijgt dan een zittende werknemer van vergelijkbare leeftijd, ook al is deze al lang(er) werkzaam.

Let op! Uitgezonderd zijn werknemers die gebruikmaken van het overgangsregime. Dat zijn werknemers die nu een stijgende beschikbare premiestaffel hebben en per ultimo 2027 in dienst zijn. Zij mogen dan de maximale premie van 30% zelfs overschrijden.

Wat is een ‘goede premie’?

De eerste vraag is dan wat een ‘goede premie’ is. Dat hangt in ieder geval af van de eigen bijdrage van een werknemer. Als de werkgever 15% betaalt zonder eigen bijdrage, dan is dat immers ‘beter’ dan 18% met een eigen bijdrage van 1/3, zijnde 6%. 

Bij pensioenfondsen ligt de gemiddelde premie vaak rond de 25%, dat is dan wel inclusief premie voor het partnerpensioen, premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid en kosten. In de vrije markt ligt de gemiddelde premie rond de 18 tot 20%, waarbij de kosten voor risicopremies daar nog bovenop komen voor de werkgever. In adviesbranches zoals consultants, IT en accountantskantoren ligt de premie vaak ‘nog’ lager, rond de 10 tot 12%. Dat is dus relatief laag. Immers, bij een premie van 15% moet netto 4% rendement worden gehaald om ongeveer op een middelloonpensioen uit te komen. Daar zit dan eigenlijk nog geen inflatiecorrectie in. Uiteraard is de hoogte van de pensioenpremie een keus en vaak ook een ‘ruil’ tussen salaris of pensioen. Maar een premie van minimaal 15 tot 18%, met een eigen bijdrage van 1/3, is wel het minimale wat nodig is voor een redelijk pensioen, zeker ook om concurrerend te zijn als werkgever.

Mogen zittende werknemers opteren voor de nieuwe flatrate-premie?

Formeel hebben zij geen recht daarop, maar het kan een optie zijn. Zeker als in de bestaande regeling geen, maar in de nieuwe regeling wel een eigen bijdrage zit, kan het zowel voor werknemer als werkgever toch een aantrekkelijk optie zijn om ‘meer’ pensioen op te bouwen. 

Dat het verschil in pensioenpremie – pensioen wordt niet voor niets ook wel uitgesteld salaris genoemd – vroeg of laat discussie op de werkvloer gaat geven, mag duidelijk zijn. De juridische onderbouwing om dat toch toe te staan is prima, maar zal niet altijd acceptabel zijn. Zeker als er daarna weer fusies of overnames volgen, met nog meer verschil in pensioenpremie, zal dat betekenen dat er op termijn toch (weer) geharmoniseerd moet worden.

Door |2026-03-10T08:41:03+01:0023 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Hoe hoog moet de nieuwe flatrate-premie zijn?
  • Mag gemeente kostenraming achteraf aanpassen?

Mag gemeente kostenraming achteraf aanpassen?

Als u een naheffingsaanslag parkeerbelasting krijgt, betaalt u ook voor de hiermee verband houdende kosten. De omvang van deze kosten wordt door de gemeente zo goed mogelijk geraamd. Mag een dergelijke raming achteraf ook worden bijgesteld?

Kosten parkeerbelasting

Een gemeente kan voor een aantal zaken belasting heffen. Dat geldt onder meer voor parkeren, waarvoor u parkeerbelasting verschuldigd kunt zijn. Betaalt u niet of te weinig, dan kan een naheffingsaanslag worden opgelegd inclusief kosten. 

Let op! Deze kosten bedragen dit jaar maximaal € 78,80 en stijgen in 2026 naar € 82.

Kostenraming onjuist

Rechtbank Den Haag moest de vraag beantwoorden wat de gevolgen zijn als een raming van de kosten achteraf onjuist blijkt en deze raming wordt bijgesteld. In het betreffende geval had een automobilist een naheffing parkeerbelasting gehad met een bedrag van € 51,09 aan kosten. Omdat een gemeente niet meer kosten in rekening mag brengen dan men zelf voor het handhaven van de parkeerbelasting maakt, stond de vraag centraal of de kostenraming wel klopte.

Foutje, bedankt…

Duidelijk werd dat de raming enkele fouten bevatte. In totaal was er in de raming voor een bedrag van ruim € 37.000 te veel aan kosten geraamd. Daar stond echter tegenover dat in de raming per ongeluk een veel groter bedrag aan kosten niet was opgenomen, onder andere het lidmaatschap van de gemeente van de Coöperatie Parkeerservice. Deze coöperatie beheert de parkeerautomaten en rijdt met scanauto’s rond. Deze kosten hadden ook meegenomen moeten worden, aldus de gemeente.

Bijstellen mag

De rechtbank kwam op grond van rechtspraak uit het verleden tot de conclusie dat het is toegestaan om tijdens een procedure een kostenraming te herzien. Het gaat er immers slechts om dat niet meer kosten in rekening worden gebracht dan de kosten die de gemeente zou hebben geraamd, uitgaande van de juiste cijfers. Daarbij rust op de gemeente de bewijslast.

Nu dit in deze zaak uit de cijfers bleek, werd de gemeente in het gelijkgesteld en bleef de naheffing parkeerbelasting in stand.

Door |2026-03-10T08:41:04+01:0023 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Mag gemeente kostenraming achteraf aanpassen?
  • Extra aandacht voor voorlopige aanslag 2026

Extra aandacht voor voorlopige aanslag 2026

Veel belastingplichtigen, zo ook ondernemers in de inkomstenbelasting, kunnen al in december 2025 de voorlopige aanslag voor 2026 ontvangen. De Belastingdienst wijst erop dat u deze voorlopige aanslag pas ná de dagtekening moet betalen.

Berichtenbox

De voorlopige aanslag(en) voor 2026 kunt u vanaf eind december terugvinden in uw Berichtenbox in Mijn Belastingdienst. De papieren versie van de aanslag wordt in januari 2026 ook per post bezorgd. 

Let op! Betaalt u vóór de dagtekening, dan kunnen de systemen van de Belastingdienst dit mogelijk niet correct verwerken en worden de bedragen teruggestort.

Uiterste betaaldatum

De datum waarop de betaling bij de Belastingdienst binnen moet zijn, is afhankelijk van de wijze van betaling. U kunt ineens betalen, maar ook in termijnen. De uiterste datum van de betaling ineens of in termijnen, staat vermeld op de voorlopige aanslag.

Tip! U kunt ook voor een automatische betaling kiezen, waardoor een betaling bij voldoende saldo op uw rekening nooit te laat wordt gedaan.

Controleren

De Belastingdienst baseert uw voorlopige aanslag op gegevens uit het verleden, de laatste definitieve aanslag of voorlopige aanslag van het voorgaande jaar. Controleer of de gebruikte gegevens niet te veel afwijken van uw huidige situatie. Is dit wel zo, dan is het verstandig de voorlopige aanslag (online) te wijzigen, zeker als u verwacht bij te moeten betalen.

Wijzigen

U kunt uw voorlopige aanslag wijzigen in Mijn Belastingdienst. Als u bent ingelogd kunt u de betreffende gegevens vervangen door de juiste. 

Tip! Ontvangt u de voorlopige aanslag 2026, dan kijken wij graag voor u of alles nog klopt.

Door |2026-03-09T08:15:00+01:0023 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Extra aandacht voor voorlopige aanslag 2026
  • Toch nog zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid in 2026

Toch nog zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid in 2026

De zachte landing voor de handhaving van schijnzelfstandigheid wordt in 2026 gedeeltelijk verlengd. Nadat het kabinet eerdere aangenomen moties hierover niet wilde uitvoeren, is het kabinet op 19 december 2025 toch deels overstag gegaan.

Geen volledige verlenging zachte landing

Het kabinet vindt het ongewenst om de zachte landing zoals die in 2025 geldt, volledig te verlengen. Na nieuwe aangenomen moties in de Tweede Kamer kiest het kabinet echter wel voor een gedeeltelijke verlenging.

Start met bedrijfsbezoek

De gedeeltelijke verlenging betekent dat de Belastingdienst ook in 2026 in principe start met een bedrijfsbezoek in plaats van meteen met een belastingcontrole. De ondernemer krijgt daarna in principe de mogelijkheid om zijn bedrijfsvoering te verbeteren.

Let op! Het starten met een bedrijfsbezoek betekent niet dat de Belastingdienst niet alsnog een belastingcontrole kan opstarten na het bedrijfsbezoek. Die mogelijkheid heeft de Belastingdienst in 2025 al en zal ook in 2026 mogelijk zijn.

Naheffingen en vergrijpboetes

De Belastingdienst kan in 2026 – net als in 2025 – wel naheffingen opleggen. Als sprake is van (evidente) schijnzelfstandigheid heeft de Belastingdienst dus de mogelijkheid om te handelen. Waar in 2025 nog geen vergrijpboetes opgelegd kunnen worden, kan dat vanaf 2026 wel. De verlenging van de zachte landing geldt dus niet voor vergrijpboetes. Dit geldt zowel voor werkenden als voor werkgevenden.

De Belastingdienst kan een vergrijpboete opleggen als sprake is van (voorwaardelijke) opzet of grove schuld. Het kabinet vindt het onwenselijk om (voorwaardelijke) opzet of grove schuld nog langer onbestraft te laten en wil de zachte landing op dit punt daarom niet verlengen.

Let op! De Belastingdienst kan in 2026 ook weer kiezen of ze een belastingcontrole doet over een kalenderjaar of over een recent aangiftetijdvak.

Geen verzuimboetes

De verlenging van de zachte landing geldt nog wel voor verzuimboetes. De Belastingdienst legt dus in 2026 nog geen verzuimboetes op.

Let op! De verlenging van de zachte landing geldt alleen in 2026. Vanaf 2027 zal de Belastingdienst dus niet meer starten met een bedrijfsbezoek en ook verzuimboetes opleggen.

Door |2026-03-09T08:15:01+01:0022 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Toch nog zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid in 2026
  • Hoe zit het met het recht op uren bij het vastklikmoment

Hoe zit het met het recht op uren bij het vastklikmoment

Als een oproepkracht steeds een aanbod weigert voor een vaste urenomvang, bestaat er dan toch nog recht op de uren die moesten zijn geboden op het zogenaamde ‘vastklikmoment’?
Een casus.

Het vastklikmoment

Oproepkrachten kunnen zelf een beroep doen op het rechtsvermoeden voor wat betreft de omvang van de arbeid. Ze kunnen daarbij verwijzen naar het gemiddeld aantal gewerkte uren over een periode van drie maanden. Die maanden kunnen ook in het verleden liggen. Daarnaast heeft een werkgever de verplichting om een oproepkracht na twaalf maanden in de dertiende maand een aanbod te doen voor een vaste urenomvang, gebaseerd op het aantal gemiddeld gewerkte uren in de afgelopen twaalf maanden, het zogeheten ‘vastklikmoment’. Vergeet de werkgever om dat aanbod te doen, dan heeft de oproepkracht recht op loon voor de uren waarvoor het aanbod had moeten zijn gedaan. Ook als hij daar niet voor heeft gewerkt.  

Hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Wat is de situatie als de oproepkracht steeds het jaarlijkse urenaanbod heeft geweigerd. Kan hij dan nog wel een beroep doen op het genoemde rechtsvermoeden? Deze vraag stond centraal in een recent arrest van de Hoge Raad. 

Wat speelde er?

Het ging om een payrollbedrijf voor taxichauffeurs. De taxichauffeurs worden te werk gesteld bij taxibedrijven. De werkgever richt zich onder meer op straat-taxiwerk in het uitgaansvervoer en op leerlingenvervoer. De werkgever had aan een oproepkracht twee keer een aanbod gedaan voor een vaste urenomvang. Eerst voor 44,69 uur en later voor 26,20 uur. Beide keren had de oproepkracht het aanbod afgewezen en was hij in dienst gebleven op basis van een nulurencontract. 

Per 1 mei 2022 kwamen hij en zijn werkgever een arbeidsurenomvang van 30 uur per week overeen. De werknemer, inmiddels niet meer werkzaam als oproepkracht, deed echter een beroep op het rechtsvermoeden over een periode gelegen in het verleden en waarover hij al een aanbod voor een vaste urenomvang van zijn werkgever had ontvangen. Hij verzocht de werkgever per brief d.d. 30 april 2021 om hem met terugwerkende kracht vanaf 16 maart 2020 tot 1 juli 2021 uit te betalen op basis van 42,5 uur per maand. 

De werkgever ging daarin niet mee en stapte naar de rechter. De kantonrechter wees het verzoek toe voor de periode vanaf 30 april 2021, de datum waarop hij een beroep op het rechtsvermoeden deed. Over de daaraan voorafgaande periode wees de kantonrechter de vordering af. Het gerechtshof heeft vervolgens het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De werkgever hoefde de werknemer dus geen loon uit te keren op basis van 42,5 uur voor de periode vóór 30 april 2021, maar wel voor de periode tot 1 juli 2021.  De zaak werd vervolgens voorgelegd aan de Hoge Raad.

Wat oordeelde de Hoge Raad?

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het ‘bewijsvermoeden’ naast het ‘urenaanbod’ bestaat. Een oproepkracht kan dus een beroep doen op het rechtsvermoeden, ook als hij herhaaldelijk het urenaanbod heeft afgewezen. Het afwijzen van een urenaanbod blokkeert dus geen loonclaim. Een werknemer kan met terugwerkende kracht een beroep doen op het rechtsvermoeden voor wat betreft de omvang van de arbeidsovereenkomst, zelfs over een periode waarover hij het aanbod van een vaste urenomvang heeft afgewezen. 

Let op! Een werknemer kan een beroep van een werknemer op het rechtsvermoeden ontkrachten door aan te voeren dat dit geen representatieve periode betreft. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat meer is gewerkt dan over een langere periode gebruikelijk was.

Tip! Het is van belang om steeds een urenaanbod te blijven doen en schriftelijk vast te leggen dat de oproepkracht dat naast zich neer heeft gelegd. Het is ook mogelijk het beroep op het ‘rechtsvermoeden’ te weerleggen door aan te geven dat de inzet in de afgelopen drie maanden incidenteel was en verband hield met piekdrukte, vervanging wegens ziekte, et cetera.

Door |2026-03-06T08:22:35+01:0022 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Hoe zit het met het recht op uren bij het vastklikmoment