Geen categorie

  • Nieuwsbrief december 2025

Nieuwsbrief december 2025

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met dinsdag 16 december 2025, 20:00 uur.


1. Leeftijd youngtimer naar 25 jaar in 2027

Heeft u een oudere auto van de zaak? Houd er dan rekening mee dat de leeftijd in de youngtimerregeling in 2026 verhoogd wordt naar zestien jaar en vanaf 2027 naar 25 jaar. Wat betekent dit voor u?

Youngtimerregeling
Heeft u als IB-ondernemer, dga of werknemer een auto van de zaak die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen? Dan bedraagt de bijtelling in 2025 geen 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde, maar 35% van de waarde in het economisch verkeer.

Verhoging leeftijd in 2026 en vanaf 2027
In deze youngtimerregeling gaat iets veranderen. De Tweede en Eerste Kamer hebben namelijk een wetswijziging aangenomen waardoor de leeftijdsgrens voor deze auto’s in 2026 verhoogd wordt naar zestien jaar en vanaf 2027 zelfs naar 25 jaar.

Overgangsregeling in het jaar 2026
Voor het jaar 2026 heeft het kabinet op het laatste moment nog een overgangsregeling aangekondigd voor auto’s die in de loop van het jaar 2025 vijftien jaar oud zijn geworden of dat nog worden. In een besluit wordt goedgekeurd dat de huidige youngtimerregeling in 2026 van toepassing blijft op al in 2025 ter beschikking gestelde auto’s of ter beschikking staande auto’s als deze in 2026 zestien jaar oud worden. Voor deze auto’s mag daarom in het hele jaar 2026 de bijtelling berekend worden op 35% van de waarde in het economische verkeer, dus ook als ze op dat moment nog geen zestien jaar oud zijn.

Let op!
Voorwaarde is wel dat de auto in 2026 aan dezelfde werknemer of IB-ondernemer ter beschikking staat als in 2025.

Er geldt een keuze. Mocht het gunstiger zijn om in plaats van 35% van de waarde in het economische verkeer, 25% van de cataloguswaarde bij te tellen, dan kan daarvoor gekozen worden. Deze keuze is waarschijnlijk alleen mogelijk zolang de auto nog geen zestien jaar oud is.

Wat betekent dit?
Stel dat u een auto van de zaak heeft die op 30 september 2010 voor het eerst in gebruik werd genomen. Vanaf oktober 2025 bedraagt de bijtelling van deze auto dan geen 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde, maar 35% van de waarde in het economisch verkeer van deze auto.

Als de oorspronkelijke cataloguswaarde € 50.000 bedroeg en de waarde in het economisch verkeer in oktober 2025 € 8.000, bedraagt de maandelijkse bijtelling vanaf oktober 2025 geen € 1.041,67 (1/12 van 25% van € 50.000), maar € 233,33 (1/12 van 35% van € 8.000).

Vanwege het verhogen van de leeftijdsgrens naar zestien jaar zou de maandelijkse bijtelling vanaf januari tot en met september 2026 weer € 1.041,67 bedragen. Vanwege de goedkeuring van het kabinet mag in deze maanden echter ook een bijtelling van € 233,33 worden toegepast (bij een waarde in het economische verkeer van € 8.000). Van oktober tot en met december 2026 kunt u op grond van de wettelijke bepaling ook nog profiteren van de youngtimerregeling met een maandelijkse bijtelling van € 233,33 (even uitgaande van een gelijkblijvende waarde in het economisch verkeer).

Door de verhoging van de leeftijdsgrens naar 25 jaar bedraagt uw maandelijkse bijtelling vanaf januari 2027 echter € 1.041,67 (1/12 van 25% van € 50.000).

Let op!
Heeft u een oudere auto van de zaak of bent u van plan zo’n auto aan te schaffen? Houd dan rekening met deze wijzigingen in de youngtimerregeling.

Waarom?
De wetswijziging om de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling te verhogen, is ingegeven door een wetswijziging waardoor in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling voor auto’s zonder CO2-uitstoot wordt toegestaan. Hiervoor moest budgettaire dekking komen en dat is gevonden in de verhoging van de leeftijdsgrens van de auto.


2. Toch nog lagere bijtelling elektrische auto in 2026 en 2027

De Tweede en Eerste Kamer hebben een wetswijziging aangenomen om in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling voor een elektrische auto van de zaak toe te staan. Oorspronkelijk zou de lagere bijtelling met ingang van 2026 vervallen.

Bijtelling nieuwe elektrische auto in 2025
Als een werkgever in 2025 een nieuwe auto zonder CO2-uitstoot ter beschikking stelt aan een werknemer, geldt daarvoor in 2025 een bijtelling van 17% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Deze bijtelling blijft geldig gedurende 60 maanden nadat de auto voor het eerst op de weg is toegelaten.

Bijtelling nieuwe waterstofauto en auto met zonnepanelen in 2025
De beperking van de17%-bijtelling tot de eerste € 30.000 cataloguswaarde geldt alleen voor elektrische auto’s. Is er sprake van een auto zonder CO2-uitstoot die rijdt op waterstof, dan bedraagt de bijtelling 17% over de gehele cataloguswaarde. Ook voor een auto die voorzien is van geïntegreerde zonnepanelen die voldoen aan een aantal voorwaarden bedraagt de bijtelling 17% over de gehele cataloguswaarde.

Nieuwe auto vanaf 2026
De lagere bijtelling voor een in 2026 ter beschikking gestelde nieuwe auto zonder CO2-uitstoot zou vervallen. De Tweede en Eerste Kamer hebben echter een wetswijziging aangenomen waardoor voor auto’s zonder CO2-uitstoot in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling geldt.

Deze lagere bijtelling bedraagt voor een in 2026 ter beschikking gestelde volledig elektrische nieuwe auto 18% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. In 2027 is dit 20% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Voor een nieuwe auto op waterstof en een nieuwe auto met zonnepanelen gelden dezelfde percentages. Net als nu geldt de beperking tot € 30.000 niet.

Vanaf 2028 vervalt dan de lagere bijtelling voor in 2028 ter beschikking gestelde nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot.

Let op!
In de wetswijziging is opgenomen dat de lagere bijtelling, net als nu, geldig blijft gedurende 60 maanden nadat de auto voor het eerst op de weg is toegelaten.

Ook voor dga en de IB-ondernemer
De lagere bijtelling in 2026 en 2027 geldt niet alleen voor nieuwe auto’s die door een werkgever aan een werknemer ter beschikking worden gesteld. Deze geldt ook voor de dga en de IB-ondernemer met een auto van de zaak.


3. Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten aangenomen

De Eerste Kamer heeft op 11 november 2025 de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen. Uitleners, dus zowel uitzendbureaus als andere bedrijven die werknemers uitlenen, mogen dit vanaf 1 januari 2028 alleen doen als ze daarvoor een toelating (vergunning) hebben.

Doel Wtta
De Wtta beoogt werknemers, met name arbeidsmigranten, beter te beschermen alsmede eerlijke concurrentie tussen bedrijven te bevorderen. Het toelatingsstelsel geldt expliciet niet voor collegiale uitleen waarbij geen winst gemaakt wordt of bij intra-concern-terbeschikkingstelling.

Procedure aanmelding
Op 1 januari 2027 gaan de wet en het toelatingsstelsel in. Bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, moeten tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027 een toelating aanvragen. Het beoordelen van de bedrijven begint vanaf 1 juli 2027.

Let op!
Voor bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, is het raadzaam zich voor die datum bij de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) te melden. Deze bedrijven mogen dan namelijk doorgaan met uitlenen totdat de NAU een besluit heeft genomen over de toelating. Lees hier meer over op toelatinguitleenmarkt.nl.

Voorwaarden
Uitleners moeten – om toegang te krijgen – een VOG indienen en een waarborgsom van € 100.000 overmaken. Voor startende bedrijven bedraagt de waarborgsom in eerste instantie € 50.000 en na zes maanden nogmaals € 50.000. Daarnaast moeten uitleners bewijzen dat ze bestaande wet- en regelgeving naleven, zoals het uitbetalen van het wettelijk minimumloon. Alleen dan kunnen ze een toelating krijgen om personeel uit te lenen.

Tip!
Bedrijven die zich aan de regels houden, krijgen de waarborgsom na vier jaar teruggestort.

Uitvoering
De uitvoering van de wet ligt bij de NAU. Die beslist over de toelating van uitleners. Ook verzamelt de NAU signalen uit de markt en adviseert over verbeteringen. Daarnaast wijst de NAU de inspectie-instellingen aan die controleren of uitleners voldoen aan alle wet- en regelgeving. De NAU start vanaf 2026 met haar eerste werkzaamheden, zoals het aanwijzen van inspectie-instellingen en het openen van het aanmeldloket voor uitleners.

Let op!
De NAU houdt ook een openbaar register bij van alle toegelaten bedrijven. Bedrijven die gebruikmaken van uitzendkrachten mogen dit vanaf 1 januari 2028 alleen nog doen via toegelaten uitleners.

Handhaving
Op 1 januari 2028 gaat de Nederlandse arbeidsinspectie handhaven. Uitleners die zonder toelating actief zijn op de arbeidsmarkt krijgen een boete. De Nederlandse Arbeidsinspectie is met 135 fte uitgebreid om de pakkans te vergoten. Ook zijn op verschillende plekken hulppunten geopend om arbeidsmigranten te helpen met vragen of problemen. De komende periode komen er nog meer hulppunten bij.

Let op!
Genoemde boete geldt ook voor inleners die gebruikmaken van uitzendbureaus zonder vergunning.


4. Acceptatieplicht contant geld en de uitzonderingen

Onlangs is wettelijk vastgelegd dat consumenten kleinere betalingen, dat wil zeggen bedragen onder de € 3000, contant moeten kunnen voldoen aan niet-consumenten. Hiervoor gaat een aantal uitzonderingen gelden. Welke zijn dit?

Wettelijke acceptatieplicht contante betalingen
De wettelijke acceptatieplicht betekent dat consumenten contant moeten kunnen betalen aan niet-consumenten. In onder meer winkels en horecagelegenheden wordt het wettelijk verplicht deze contante betalingen door consumenten te accepteren. Het gaat hierbij om contante betalingen tot € 3.000.

Uitzonderingen
Voor bepaalde activiteiten of vanwege de veiligheid komen er uitzonderingen op de wettelijke acceptatieplicht. In het ‘Besluit uitzonderingen acceptatie contant geld’ zijn deze uitzonderingen opgenomen.

Niet gelijktijdig persoonlijk aanwezig
Zo wordt er een uitzondering voor de wettelijke acceptatieplicht voorgesteld voor situaties waarbij degene die moet betalen en degene aan wie wordt betaald, niet allebei tegelijk persoonlijk aanwezig zijn. Denk hierbij aan verkoop via een onbemande verkoopautomaat, betalingen bij een parkeerautomaat, bij een onbemand tankstation of een onbemande tolpoort.

Let op!
Deze uitzondering geldt niet als er een natuurlijke persoon aanwezig is die werkzaamheden verricht voor degene aan wie betaald wordt. Als er bijvoorbeeld in een supermarkt een beveiliger of vakkenvuller aanwezig is, maar er zijn alleen zelfscankassa’s, moet er minimaal één zelfscankassa toch contant geld accepteren.

Overeenkomst op afstand
Verder wordt een uitzondering voor de wettelijke acceptatieplicht voorgesteld bij aankopen op afstand: denk aan online, per postorder of telefonisch.

Periodieke betalingen
Ook periodieke betalingen, zoals de betaling van huur, energie, abonnementen of een verzekeringspremie, vallen erbuiten.

Buiten de verkoopruimte
Vanwege de veiligheid wordt voorgesteld om betalingen die plaatsvinden buiten een verkoopruimte, bijvoorbeeld wanneer er moet worden afgerekend aan de deur aan een maaltijdbezorger, uit te zonderen van de wettelijke acceptatieplicht.

Let op!
Een mobiele verkoopruimte, zoals een marktkraam, valt niet onder deze uitzondering.

In het openbaar vervoer
Ook de verkoop van vervoersbewijzen in het openbaar vervoer wordt, vanwege de veiligheid, uitgezonderd van de wettelijke acceptatieplicht.

Niet van 22.00 uur tot 6.00 uur
Om veiligheidsredenen wordt verder voorgesteld om betalingen tussen 22.00 uur en 6.00 uur uit te zonderen van de wettelijke acceptatieplicht. Dit is uiteraard voor horecaondernemers van belang.

Uitzondering bij wezenlijk veiligheidsbelang
De ontvanger van contant geld mag vanwege een wezenlijk veiligheidsbelang ook tijdelijk contant geld weigeren.

Let op!
Deze uitzondering geldt dan echt tijdelijk. Alleen bij ondernemingen met minder dan vier werkzame personen kan hiervoor een permanente uitzondering gelden.

Ook geen wettelijke acceptatieplicht
In onder meer de volgende situaties geldt er (nu ook al) geen acceptatieplicht van contant geld:

  • Betalingen tussen privépersonen
  • Betalingen tussen niet-consumenten
  • Betalingen met meer dan 50 muntstukken

Let op!
Het Besluit waar de bovengenoemde uitzonderingen zijn opgenomen, ligt van 14 november 2025 tot en met 2 januari 2026 ter internetconsultatie. Wilt u hierop reageren, dan kan dit via deze link.

Ingangsdatum nog onbekend
Het is nog onbekend vanaf wanneer de wettelijke acceptatieplicht – en de uitzonderingen daarop – ingaan. De ingangsdatum zal per koninklijk besluit bekendgemaakt worden.


5. Geen hoger forfait en lager heffingsvrij vermogen in box 3

Het voornemen van het kabinet om het forfaitaire rendement op overige bezittingen in 2026 en 2027 met 1,78% te verhogen naar 7,78% in 2026 gaat niet door. Het forfaitaire rendement op overige bezittingen bedraagt in 2026 daarom 6%. Ook het plan om het heffingsvrije vermogen te verlagen van € 57.684 in 2025 naar € 51.396 in 2026 en vanaf 2026 geen indexatie toe te passen, gaat niet door. Door een volledige indexatie bedraagt het heffingsvrije vermogen in 2026 € 59.357. Om dit te bekostigen, wordt de aftrek geen of geringe eigenwoningschuld versneld afgebouwd, waardoor mensen met geen of een lage eigenwoninglening meer belasting gaan betalen. In plaats van een jaarlijks afbouwpercentage van 3,33% wordt het jaarlijkse afbouwpercentage 4,8%. De aftrek zal hierdoor met ingang van 2041 volledig afgebouwd zijn (in plaats van 2048). Aan het tarief in box 3 wordt niets gewijzigd. Net als in 2025 betaalt u in 2026 36% over uw forfaitaire of uw werkelijke rendement.


6. Contante betalingen vanaf € 3.000 per 2026 verboden

Contante betalingen vanaf € 3.000 zijn vanaf 1 januari 2026 in Nederland verboden. Het verbod geldt voor alle ondernemers die goederen aan- of verkopen, ongeacht in welke sector zij werkzaam zijn. Daarbij maakt het niet uit of de ondernemer aan- of verkoopt aan een andere ondernemer of aan een particulier. In alle gevallen zijn contante betalingen vanaf € 3.000 niet meer toegestaan. Een Europees verbod op contante betalingen vanaf € 10.000 volgt in 2027. Dit betekent niet dat de grens in Nederland dan verhoogd wordt naar € 10.000. EU-landen mogen namelijk zelf de grens voor contante betalingen bepalen, zolang deze vanaf 2027 maar onder de € 10.000 ligt.

Door |2025-12-22T11:53:04+01:0019 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Nieuwsbrief december 2025
  • Landbouwnormen voor 2025 bekend

Landbouwnormen voor 2025 bekend

De Belastingdienst heeft de Landelijke Landbouwnormen 2025 bekend gemaakt. Met deze normen kan worden berekend wat voor agrarisch ondernemers de onttrekkingen voor privégebruik over 2025 zijn geweest van de meest gangbare agrarische producten, energie, water en hobbydieren.

Nodig voor btw-aangifte

De cijfers zijn bekendgemaakt, omdat de normen noodzakelijk zijn voor het correct indienen van de laatste btw-aangifte (Q4) over 2025. Die moet (normaal gesproken) vóór 1 februari 2026 worden ingediend.

Agrarische producten

De onttrekkingen voor privégebruik van agrarische producten zijn meestal gebaseerd op een gemiddeld verbruik per persoon en een gemiddelde kostprijs. Zo wordt bijvoorbeeld voor eieren uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 148 stuks per persoon per jaar met een bijbehorend bedrag van € 14, en voor melk van 75 liter tegen € 37 (2025). Voor bijvoorbeeld het verbruik van vleesvarkens moet worden uitgegaan van het aantal slachtingen en het bedrag volgens de slachtafrekening.

Let op! Niet alle agrarische producten zijn in de Landbouwnormen opgenomen. Voor ontbrekende producten dient u uit te gaan van hun marktwaarde.

Energie en water

Voor energie- en waterverbruik zijn slechts richtbedragen gegeven. Daarbij is uitgegaan van een gezin van twee volwassenen en twee kinderen. Bij een afwijkende gezinssamenstelling moeten deze bedragen met 10% per persoon worden bijgesteld. 

Bijzondere situaties

In de Landbouwnormen wordt ook ingegaan op een aantal bijzondere situaties. Zo moet bijvoorbeeld met een opslag op het elektraverbruik worden gerekend als voor verwarming gebruik wordt gemaakt van een warmtepomp.

Afwijken onderbouwen

U kunt voor wat betreft energie en water afwijken van de richtbedragen. U dient dit dan wel goed te onderbouwen. Dit betekent onder meer dat u een onderscheid moet maken tussen zakelijk en privéverbruik. Ook de kosten van eventueel aanwezige zonnepanelen en windmolens moet u in uw onderbouwing verwerken.

Door |2026-03-05T08:02:57+01:0019 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Landbouwnormen voor 2025 bekend
  • Alleen nog kleine ondernemers recht op compensatieregeling transitievergoeding?

Alleen nog kleine ondernemers recht op compensatieregeling transitievergoeding?

Voor een transitievergoeding bij ontslag van een werknemer die meer dan twee jaar ziek is, kan een werkgever compensatie vragen. De werkgever moet het bedrag van de transitievergoeding wel voorschieten, maar kan het daarna terugvragen bij het UWV. Hier komt mogelijk verandering in.

Regeling compensatie transitievergoeding

Als een werknemer meer dan twee jaar ziek is, kunt u bij het UWV ontslag aanvragen voor de werknemer. Deze werknemer heeft dan recht op een transitievergoeding van 1/3 bruto-all-in maandsalaris per dienstjaar. Voor deze transitievergoeding kunt u compensatie vragen bij het UWV via de Regeling compensatie transitievergoeding.

Wetsvoorstel ingediend

Het kabinet heeft een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd om per 1 juli 2026 alleen nog maar de uitbetaalde transitievergoeding bij kleine werkgevers te compenseren. Dit levert een structurele besparing op van ongeveer € 380 miljoen. Het kabinet vindt dat de beperking moet kunnen, omdat, volgens het kabinet, van middelgrote en grote werkgevers verwacht kan worden dat ze financieel draagkrachtig genoeg zijn om de transitievergoeding zelf te dragen.

Welke werkgever is klein?

Een kleine werkgever is volgens het wetsvoorstel een werkgever met een loonsom tot en met 25 keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per kalenderjaar. Daarbij wordt gekeken naar het totaal van het premieplichtige loon van de werkgever twee jaar eerder. Dit gebeurt nu ook al voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie Arbeidsongeschiktheidsfonds. In 2026 is een werkgever klein voor deze premie als het totale premieplichtige loon over 2024 niet hoger was dan € 1.082.500.

Kritiek Raad van State

De Raad van State heeft zich in augustus 2025 kritisch uitgelaten over dit wetsvoorstel. Gevreesd wordt weer voor nieuwe slapende dienstverbanden bij (middel-)grote werkgevers. Ook vraagt de Raad van State zich af of het nog wel noodzakelijk is om een transitievergoeding uit te keren aan langdurig zieke werknemers. 

Door |2026-03-05T08:02:58+01:0018 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Alleen nog kleine ondernemers recht op compensatieregeling transitievergoeding?
  • Controleer de beschikking Whk 2026 goed

Controleer de beschikking Whk 2026 goed

De beschikkingen Werkhervattingskas (Whk) worden (binnenkort) weer verzonden. Controleer de beschikking Whk 2026 goed. Daarmee voorkomt u dat u te veel of te weinig premies afdraagt.

Werkhervattingskas (Whk)

De Werkhervattingskas (Whk) is een werknemersverzekering waarvoor u als werkgever premies moet afdragen. Alle middelgrote en grote werkgevers ontvangen tegen het einde van 2025 de beschikking gedifferentieerde premie Whk 2026. De hoogte van uw premie hangt af van de instroom van uw werknemers in de ZW en WGA. 

Fouten

Het is verstandig om de beschikking goed te controleren. Als er fouten in staan kan dat leiden tot een te hoge of een te lage premie. Bij fouten kunt u onder meer denken aan verkeerde loonsommen en ten onrechte aan u toegerekende of onjuiste uitkeringslasten.

Tip! Controleer ook altijd goed of een overname van een onderneming goed is verwerkt.

Instroomlijsten

Voor het controleren van uitkeringslasten op de beschikking kunt u instroomlijsten bij de Belastingdienst opvragen. De Belastingdienst stuurt de lijsten meestal binnen 1 week, maar uiterlijk binnen 6 weken na uw aanvraag.

Tip! Uiteraard kunnen wij u van dienst zijn bij het opvragen van de instroomlijsten en het controleren van de beschikking Whk. Daar is wel een machtiging voor nodig. Neem voor meer informatie hierover contact met ons op.

Bezwaar

Maak op tijd bezwaar als de beschikking Whk niet klopt. Op tijd wil zeggen binnen zes weken na dagtekening (waarschijnlijk 14 december 2025) van de beschikking. Heeft u de instroomlijsten nog niet ontvangen of is om andere redenen de termijn van zes weken te kort, dien dan een pro-forma bezwaar in. Dat is een nog niet nader gemotiveerd bezwaar. Na ontvangst van de instroomlijsten, krijgt u van de Belastingdienst tot en met 30 april 2026 om uw bezwaar nader te motiveren. 

Let op! Motiveer in ieder geval vóór 1 mei 2026 het pro-forma bezwaar. Doet u dat later, dan verklaart de Belastingdienst uw bezwaar ongegrond. De Belastingdienst heeft overigens aangekondigd om medio april 2026 nog een herinnering te sturen.

Geen beschikking Whk?

In sommige gevallen kan de Belastingdienst het premiepercentage nog niet vaststellen. U ontvangt dan een adviesbrief waarin een voorlopig percentage vermeld staat. Op een later moment (na 1 januari 2026) ontvangt u dan het definitieve percentage. Wijkt dit af van het voorlopige percentage, dan kunt de Belastingdienst verzoeken om een teruggaaf (bij een hoger voorlopig percentage) of een naheffing (bij een lager voorlopig percentage). 

Tip! Voor de jaren 2020 tot en met 2025 kunt u dat doen via het volgende formulier.

Mededeling

Voor kleine werkgevers is de premie afhankelijk van de sector waarin zij werkzaam zijn. Zij ontvangen daarom geen beschikking Whk, maar alleen een mededeling van de premie van de Belastingdienst. Deze mededelingen bevatten vaste percentages waar u niet tegen in bezwaar kunt komen.

Let op! De sectorale premies zijn al bekend en vindt u hier.

Rekenhulp

Op de website van het UWV is een rekenhulp opgenomen waarmee u de gedifferentieerde premies WGA en ZW-flex voor 2026 kunt berekenen.

Door |2026-03-04T07:43:59+01:0018 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Controleer de beschikking Whk 2026 goed
  • Toch overgangsrecht nieuwe youngtimerregeling in 2026

Toch overgangsrecht nieuwe youngtimerregeling in 2026

Vanaf 1 januari 2026 én 1 januari 2027 wijzigen de spelregels van de youngtimerregeling. Het kabinet heeft op het laatste moment besloten om in het jaar 2026 een overgangsregeling te introduceren.

Youngtimerregeling

De youngtimerregeling betekent in 2025 nog dat een auto van de zaak die vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, een bijtelling kent van 35% van de waarde in het economische verkeer. Is de auto jonger, maar wel vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedraagt de bijtelling 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde.

Verhoging leeftijd

De Tweede en Eerste Kamer hebben een wetsvoorstel aangenomen waarmee de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling in 2026 naar zestien jaar en vanaf 2027 naar 25 jaar gaat.

Overgangsregeling in 2026

Deze nieuwe leeftijdsgrens betekent dat een auto die in 2025 vijftien jaar oud wordt, in een deel van 2026 (namelijk voor de maanden tot de auto zestien jaar oud is) weer te maken krijgt met een bijtelling van 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde.

Dit vindt het kabinet ongewenst. Daarom is op het laatste moment nog een overgangsregeling aangekondigd. Deze overgangsregeling moet nog in een besluit worden opgenomen, maar aangekondigd is dat deze als volgt vorm wordt gegeven:

  • de huidige youngtimerregeling (dat wil zeggen een bijtelling van 35% over de waarde in het economische verkeer van de auto) blijft in 2026 van toepassing,
  • op een auto die al in 2025 ter beschikking is gesteld,
  • als deze auto in 2025 vijftien jaar of ouder is geworden, en
  • in 2026 aan dezelfde werknemer of IB-ondernemer ter beschikking staat als in 2025.

Let op! Er komt in 2026 een keuzemogelijkheid. Als het gunstiger is om in plaats van 35% van de waarde in het economische verkeer, 25% van de cataloguswaarde bij te tellen, dan kunt u daarvoor kiezen. Deze keuze is waarschijnlijk alleen mogelijk zolang de auto nog geen zestien jaar oud is.

In cijfers: een auto uit 2010

Stel dat u een auto van de zaak heeft die op 30 september 2010 voor het eerst in gebruik werd genomen. Vanaf oktober 2025 bedraagt de bijtelling van deze auto volgens de huidige youngtimerregeling die tot 1 januari 2026 geldt, geen 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde, maar 35% van de waarde in het economisch verkeer van deze auto.

Als de oorspronkelijke cataloguswaarde €50.000 bedroeg en de waarde in het economisch verkeer in oktober 2025 € 8.000, bedraagt de maandelijkse bijtelling vanaf oktober 2025 geen € 1.041,67 (1/12 van 25% van € 50.000), maar € 233,33 (1/12 van 35% van € 8.000).

Vanwege het verhogen van de leeftijdsgrens naar zestien jaar volgens de nieuwe regeling zou de maandelijkse bijtelling vanaf januari tot en met september 2026 € 1.041,67 gaan bedragen. 
Door de overgangsregeling mag in deze maanden echter ook een bijtelling van € 233,33 worden toegepast (bij een waarde in het economische verkeer van € 8.000). Van oktober tot en met december 2026 kunt u op grond van de wettelijke bepaling ook nog profiteren van de youngtimerregeling met een maandelijkse bijtelling van € 233,33 (even uitgaande van een gelijkblijvende waarde in het economisch verkeer).

Vanaf januari 2027 bedraagt door de verhoging van de leeftijdsgrens naar 25 jaar uw maandelijkse bijtelling wel € 1.041,67 tot uw auto de leeftijd van 25 jaar bereikt.

Door |2026-03-03T08:30:14+01:0018 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Toch overgangsrecht nieuwe youngtimerregeling in 2026
  • Geen CO2-rapportage bedrijven tot 250 werknemers per 2027

Geen CO2-rapportage bedrijven tot 250 werknemers per 2027

Bedrijven tot 250 werknemers worden vanaf waarschijnlijk 2027 uitgezonderd van de verplichting om over het zakelijke verkeer en het woon-werkverkeer van werknemers te rapporteren.

Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit (WPM)

Vanaf 1 juli 2024 zijn werkgevers met 100 of meer werknemers verplicht te rapporteren over het zakelijk verkeer én het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze verplichting maakt onderdeel uit van de Omgevingswet van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit’, afgekort WPM.

Welke gegevens?

Bedrijven die onder deze rapportageverplichting vallen moeten veel gegevens verzamelen. Denk hierbij aan het totaal aantal kilometers dat de werknemers afleggen voor zakelijk en woon-werkverkeer rapporteren en het jaartotaal aan kilometers, uitgesplitst naar soort vervoermiddel en brandstoftype.

Let op! De gegevens over 2024 moesten uiterlijk 30 juni 2025 ingestuurd zijn, die over 2025 moeten uiterlijk 30 juni 2026 ingeleverd zijn.

Uitzondering voor werkgevers tot 250 werknemers

De administratie van veel mkb-bedrijven is niet ingericht op de rapportageverplichting. Op 15 april 2025 nam de Tweede Kamer daarom al een motie aan over het afschaffen van de WPM voor bedrijven tot 250 werknemers. In een Kamerbrief is nu ook het voornemen aangekondigd om bedrijven tot 250 werknemers uit te zonderen van de verplichting.

Hiervoor is wetgeving in voorbereiding. Het streven is om deze uitzondering per 1 januari 2027 in te laten gaan. Als deze wetgeving op tijd wordt aangenomen, geldt de rapportageverplichting vanaf die datum alleen nog voor bedrijven met 250 of meer werknemers.

Tot 2027 terughoudende handhaving?

Het voornemen betekent niet dat de WPM nu al is afgeschaft voor bedrijven tot 250 werknemers. Bedrijven met 100 of meer werknemers moeten daarom nu gewoon nog aan de rapportageverplichtingen voldoen. De staatssecretaris treedt wel met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in overleg over de handhaving tot 1 januari 2027. Hij wil graag dat gemeenten en omgevingsdiensten tot 1 januari 2027 terughoudend omgaan met hun handhavingsbevoegdheden.

Tip! Kijk voor meer informatie over de rapportageverplichting op RVO.nl.

Door |2026-03-03T08:30:15+01:0017 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Geen CO2-rapportage bedrijven tot 250 werknemers per 2027
  • Advieswijzer Arbeid en arbeidscontracten ken uw rechten en verplichtingen

Advieswijzer Arbeid en arbeidscontracten ken uw rechten en verplichtingen

De regels voor arbeidscontracten zijn steeds aan verandering onderhevig. Weet u het allemaal nog? Voor iedereen die het overzicht een beetje kwijt is, nog een keer de belangrijkste wijzigingen op een rij.

  1. Denk aan uw aanzegverplichting en voorkom een aanzegvergoeding
  2. De huidige ketenbepaling
  3. Verbod proeftijd korte tijdelijke contracten en volgende contracten
  4. Verbod concurrentiebeding in tijdelijke contracten
  5. Loondoorbetalingsverplichting bij oproepkrachten
  6. Versterking rechten payrollmedewerkers

1. Denk aan uw aanzegverplichting en voorkom een aanzegvergoeding

Bij tijdelijke contracten van zes maanden of langer, moet u uiterlijk een maand voor de overeengekomen einddatum schriftelijk aan de werknemer laten weten of u het contract wel of niet wenst voort te zetten en zo ja, onder welke voorwaarden. De gedachte hierachter is dat de werknemer tijdig weet waar hij aan toe is en zich zo nodig kan gaan oriënteren op een functie elders.

Tip! De aanzegverplichting geldt niet voor contracten met een looptijd korter dan zes maanden en niet bij contracten waarvan het einde niet op een kalenderdatum is bepaald. Een voorbeeld van een dergelijk contract is een contract voor de looptijd van een project.

Als u de werknemer heeft laten weten dat u het tijdelijke arbeidscontract wilt verlengen, maar u geeft niet aan onder welke voorwaarden, dan krijgt uw werknemer eenzelfde nieuw tijdelijk arbeidscontract onder dezelfde voorwaarden. Het nieuwe arbeidscontract loopt even lang als het voorgaande tijdelijke arbeidscontract, maar niet langer dan een jaar.

Aanzegvergoeding

Wanneer u niet voldoet aan de aanzegplicht, dan heeft de werknemer recht op een brutomaandsalaris. Bent u te laat met aanzeggen, dan bent u een vergoeding naar rato verschuldigd. Het tijdelijke arbeidscontract eindigt wel na de overeengekomen einddatum.

In uw loonadministratie moet u de aanzegvergoeding opnemen als loon uit vroegere dienstbetrekking, zelfs als de aanzegvergoeding wordt geclaimd, terwijl de arbeidsovereenkomst is voortgezet. Het loonbegrip voor de aanzegvergoeding is het kale uur- of stukloon. Overwerk- of ploegentoeslag, vakantiegeld, eindejaarsuitkering en winstdeling worden hierin niet meegenomen. Voor de aanzegvergoeding geldt dus een ander loonbegrip dan voor de transitievergoeding. Het loon vormt de basis van de vergoeding voor het niet in acht nemen van de (juiste) aanzegtermijn. Dit loon wordt berekend door het bruto-uurloon te vermenigvuldigen met de overeengekomen arbeidsduur per maand.

Voor de bepaling van de hoogte van de aanzegvergoeding bij een te late aanzegging wordt wel gekeken naar het aantal kalenderdagen in de maand waarin had moeten worden aangezegd. Telt de maand 31 dagen en u zegt bijvoorbeeld twee dagen te laat aan, dan bent u een vergoeding verschuldigd van 2/31ste van het loon.

Let op! De aanzegvergoeding vervalt als de werknemer niet hierom verzoekt binnen drie maanden na de dag waarop uw aanzegverplichting is ontstaan. Ook betaalt u geen aanzegvergoeding bij faillissement, surseance van betaling of bij toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

Let op! De Hoge Raad heeft expliciet aangegeven dat er altijd schriftelijk moet worden aangezegd, ook al heeft de werknemer al mondeling te horen gekregen dat zijn contract niet zal worden verlengd en hij dus weet waar hij aan toe is.

Let op! Het is toegestaan een zogenaamde ‘aanzegging bij voorbaat’ op te nemen in een arbeidsovereenkomst. U bent dan wel verplicht om als u toch met de werknemer door wilt, alsnog minimaal een maand voor afloop van het contract schriftelijk aan te zeggen. Verder geldt dat u in die situatie altijd de transitievergoeding verschuldigd bent als u het contract laat aflopen. Als u geen aanzegging bij voorbaat opneemt en uw werknemer geeft zelf aan het dienstverband met u niet te willen voortzetten, bent u geen aanzegvergoeding verschuldigd.

2. De huidige ketenbepaling

De ketenbepaling regelt wanneer opeenvolgende tijdelijke arbeidscontracten overgaan in een vast arbeidscontract. U kunt met een werknemer maximaal drie tijdelijke contracten in 36 maanden afsluiten. Na een tussenliggende periode van meer dan zes maanden is geen sprake meer van opeenvolgende contracten. Dat betekent dat als een tijdelijk contract afloopt en u binnen zes maanden weer een nieuw contract aangaat met dezelfde werknemer, deze tussenliggende periode meetelt voor de 36-maandenperiode.

Let op! Er moet ruimte zijn om op sectorniveau af te wijken en de onderbreking te verkorten als het werk daarom vraagt, zoals bij seizoensarbeid. Deze optie is daarom verruimd naar ander terugkerend tijdelijk werk dat ten hoogste gedurende een periode van negen maanden kan worden verricht.

Het is toegestaan de regulier geldende onderbreking van ten hoogste zes maanden bij cao terug te brengen naar ten hoogste drie maanden voor functies:

  • waarbij de werkzaamheden als gevolg van klimatologische of natuurlijke omstandigheden seizoensgebonden zijn; en
  • waarvan deze werkzaamheden gedurende ten hoogste negen maanden per jaar kunnen worden verricht (het moet dus echt om seizoensgebonden werk gaan).

Hierdoor hebben werkgevers die met seizoenswerkers werken meer mogelijkheden om te werken met tijdelijke arbeidsovereenkomsten.
Samenvattend ontstaat een vast contract:

  • na meer dan drie elkaar opvolgende tijdelijke contracten en;
  • wanneer u langer dan 36 maanden gebruikmaakt van elkaar opvolgende tijdelijke contracten. Als de tussenperiode zes maanden of korter is, is sprake van opeenvolgende tijdelijke contracten en telt de tussenperiode mee bij de telling van de periode van drie jaar.

Bij cao kan onder zeer strikte voorwaarden worden afgeweken van het aantal contracten en van de totale duur. Maximaal zijn echter zes contracten toegestaan in een periode van vier jaar.
Na afloop van het maximaal aantal toegestane tijdelijke contracten dan wel de maximale duur van de tijdelijke contracten bent u verplicht een contract voor onbepaalde tijd aan uw werknemer aan te bieden als u met hem/haar verder wilt.

Tip! Voor werknemers tot 18 jaar met een klein dienstverband (12 uur of minder) is de ketenregeling niet van toepassing.

Tip! Voor AOW-gerechtigden geldt dat schriftelijk overeengekomen mag worden dat ze maximaal zes tijdelijke arbeidsovereenkomsten in maximaal vier jaar krijgen. Na meer dan zes opvolgende tijdelijke contracten of na vier jaar wordt het tijdelijke contract automatisch een vast contract. Alleen de tijdelijke arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan nadat u de AOW-leeftijd heeft bereikt, tellen mee voor de keten.

Het kabinet heeft het plan om de onderbrekingstermijn van de ketenbepaling op te rekken van zes maanden naar vijf jaar. Het betreffende wetsvoorstel is op 19 mei 2025 bij de Tweede Kamer ingediend. De beoogde invoering is voorzien per 1 januari 2027. 

3. Verbod proeftijd korte tijdelijke contracten en volgende contracten

Het is verboden in tijdelijke arbeidscontracten van zes maanden of korter een proeftijd op te nemen. Ook is het verboden een proeftijd op te nemen in een tweede of volgend contract als dit contract eveneens zes maanden of korter is.

Tip! Een nieuwe proeftijd bij de huidige werkgever is wel toegestaan als een werknemer een nieuwe functie aangeboden krijgt die wezenlijk andere vaardigheden en verantwoordelijkheden vereist. Het contract moet dan wel langer dan zes maanden duren.

De lengte van een toegestane proeftijd is afhankelijk van de duur van het contract:

 Lengte tijdelijk arbeidscontract  Lengte maximale proeftijd
 0 tot 6 maanden  N.v.t.
 Meer dan 6 maanden, maar minder dan 2 jaar  1 maand, maar kan in een cao worden verlengd tot 2 maanden
 2 jaar of langer  2 maanden

4. Verbod concurrentiebeding in tijdelijke contracten

Een concurrentie- dan wel relatiebeding is in een tijdelijk contract verboden. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van zwaarwegende bedrijfsbelangen. Denk hierbij aan specifieke of bedrijfsinformatie. Als u dit zwaarwegende bedrijfsbelang expliciet en toegesneden op de functie die de werknemer uitvoert motiveert in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, is een concurrentie- dan wel relatiebeding nog wel toegestaan. Wil het concurrentiebeding echt effect hebben, dan moeten de zwaarwegende bedrijfsbelangen echter zowel bestaan op het moment van aangaan van het beding als op het moment dat u zich wilt beroepen op het beding.

Let op! U kunt als werkgever geen rechten ontlenen aan een concurrentie- of relatiebeding als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van uw kant.

Een concurrentiebeding is niet bedoeld om werknemers te binden, zo heeft de Hoge Raad bepaald.

Het kabinet heeft aangegeven van plan te zijn het concurrentiebeding te moderniseren. Het gaat dan om de volgende wijzigingen:

  • een wettelijke begrenzing van het concurrentiebeding in duur tot maximaal één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst; 
  • het opnemen in een concurrentiebeding van het geografische bereik, gespecificeerd en gemotiveerd; 
  • het verplicht opnemen van een motivering van het ‘zwaarwegend bedrijfsbelang’ in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;
  • een verplichte vergoeding van 50% van het maandsalaris vooruit te betalen als u als werkgever de werknemer aan het concurrentiebeding wilt houden. Betaalt u de vergoeding niet dan kunt u de werknemer niet aan het beding houden. Stel dat u uw voormalige werknemer 12 maanden aan het concurrentiebeding wil houden dan moet u dus een vergoeding van zes maandsalarissen betalen uiterlijk op de laatste dag van het dienstverband. Als u niet op tijd betaalt, dan geldt het beding dus niet, maar bent u nog wel gehouden om de vergoeding te betalen. 
  • uiterlijk een maand voor afloop van het dienstverband moet u de werknemer laten weten of u de werknemer wil houden aan het beding en zo ja, voor hoe lang. Voor die duur moet u dan de vergoeding betalen. 

Er is in maart 2024 een internetconsultatie geweest. De bedoeling is dat het wetsvoorstel eind 2025 of begin 2026 bij de Tweede Kamer wordt ingediend.

5. Loondoorbetalingsverplichting bij oproepkrachten

Werkt u met oproepkrachten, bijvoorbeeld via een nulurencontract of een min-maxcontract? Dan heeft u in beginsel een loondoorbetalingsverplichting als uw werknemer niet kan werken door een oorzaak die voor uw risico komt. Dit geldt bijvoorbeeld ook als u de werknemer niet oproept, terwijl er wel werk is. Daarnaast heeft de werknemer recht op loon over de garantie-uren. Dat wil zeggen, dat iedere keer als u de werknemer oproept, hij recht heeft op minimaal drie uur loon, ook als de werknemer bijvoorbeeld maar één uur werkt.

In de arbeidsovereenkomst kunt u in de eerste zes maanden schriftelijk uw loondoorbetalingsverplichting uitsluiten. U kunt echter niet het recht op loon over de garantie-uren uitsluiten. Ná de eerste zes maanden kan de loondoorbetalingsverplichting alleen nog uitgesloten worden in de cao voor functies met werkzaamheden van ‘incidentele aard’ en zonder ‘vaste omvang’. Voorbeelden hiervan zijn de invalkracht en de uitzendkracht.

Minimaal vier dagen van tevoren oproepen!

Het kabinet wil voorkomen dat bij nulurencontracten sprake is van permanente beschikbaarheid daar waar de aard van de werkzaamheden dat niet vereist. Er is in sommige sectoren sprake van ongewenste situaties, waarbij nodeloze beschikbaarheid ook ten koste gaat van de mogelijkheden van werkenden om bijvoorbeeld andere (deeltijd)banen te accepteren. Daarom is wettelijk bepaald dat u als werkgever de oproepkracht minimaal vier dagen van tevoren schriftelijk of elektronisch moet oproepen. Het gaat hier om vier kalenderdagen, waarbij de geplande werkdag niet meetelt. De termijn van vier dagen kan bij cao worden bekort naar minimaal 24 uur van tevoren. Trekt u de oproep schriftelijk of elektronisch in binnen deze periode, dan heeft de oproepkracht toch recht op loon over de oproep.

‘Vastklikmoment’

Na twaalf maanden gewerkt te hebben met een oproepkracht, moet u de oproepkracht binnen één maand een schriftelijk/elektronisch aanbod doen, gebaseerd op het gemiddeld aantal gewerkte uren van de afgelopen twaalf maanden. Dit staat bekend als het ‘vastklikmoment’. Hiermee wordt voorkomen dat een oproepkracht onbeperkt kan worden ingezet als oproepkracht. Bij aanvaarding van het aanbod moet de vaste arbeidsomvang uiterlijk ingaan op de eerste dag van de 15e maand. Eerder mag uiteraard ook. De oproepkracht is vrij het aanbod al dan niet te aanvaarden.

Vanaf 1 augustus 2022 is sprake van een aanvullende verplichting voor werkgevers van oproepkrachten die werken op basis van arbeidsovereenkomsten waarbij de tijdstippen waarop arbeid moet worden verricht geheel of grotendeels onvoorspelbaar zijn. Is het merendeel van de uren onvoorspelbaar, dan kan de werknemer alleen worden verplicht om te werken op de uren waarvan de werkgever bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst schriftelijk heeft medegedeeld:

  • dat de te verrichten uren variabel zijn;
  • wat het gewaarborgde aantal betaalde uren is;
  • wat het loon is voor de uren boven de gewaarborgde uren;
  • wat de dagen en uren zijn waarop de werknemer kan worden verplicht om te werken (referentie-uren en -dagen);
  • wat de termijnen zijn waarop een werknemer kan worden opgeroepen (bij een oproepcontract zal dit vier dagen zijn).

U moet dus in die situatie expliciet in de arbeidsovereenkomst opnemen op welke dagen en tijdstippen de werknemer kan worden opgeroepen, om zodoende te voorkomen dat een werknemer de oproep mag weigeren.

Kabinetsplannen

Als het aan het kabinet ligt zijn nulurencontracten in de toekomst als uitgangspunt niet langer toegestaan. Er zal gewerkt worden met vaste basiscontracten. Daarin staat een minimumaantal uren dat iemand standaard wordt ingeroosterd. Als blijkt dat iemand structureel meer werkt, moet de werkgever de werknemer na een jaar het aanbod doen om het aantal uren aan te passen. Zo weet de werknemer altijd wat hij minimaal verdient en waar hij aan toe is. Scholieren en studenten kunnen op een oproepcontract blijven werken, zolang het gaat om een bijbaan van maximaal zestien uur, ze jonger zijn dan 18 jaar of ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling. Voor andere werknemers is flexibiliteit mogelijk via het basiscontract of bijvoorbeeld via een jaarurennorm. Het basiscontract omvat een bandbreedte van 130%. Dat betekent, dat als een contract van één uur wordt overeengekomen, de werknemer voor 1,3 uur mag worden ingeroosterd. De werknemer moet beschikbaar zijn binnen deze bandbreedte en oproepen binnen deze uren in principe opvolgen.  Dit staat in het wetsvoorstel ‘Meer zekerheid voor flexwerkers’ waarvan de beoogde invoering is voorzien per 1 januari 2027.

6. Versterking rechten payrollmedewerkers

Payrollmedewerkers zijn werknemers die op papier in dienst zijn bij een bedrijf dat aan payrolling doet, maar bij u als opdrachtgever feitelijk werkzaam zijn. De werknemers worden aan u ter beschikking gesteld op basis van een payrollovereenkomst.

De positie van payrollwerknemers is verstevigd, omdat sinds 1 januari 2020 bepaald is dat de payrollovereenkomst weliswaar wordt aangemerkt als een bijzondere vorm van de uitzendovereenkomst, maar dat het zogenaamde verlichte arbeidsrechtelijke regime buiten toepassing wordt gelaten. Dit betekent onder meer dat de uitsluiting van de loonbetaling is beperkt tot maximaal 26 weken en dat de reguliere ketenregeling van toepassing is.

Om te spreken van een payrollovereenkomst, moet sprake zijn van een exclusieve terbeschikkingstelling aan de opdrachtgever en de payrollwerkgever mag de werving en selectie niet zelf hebben uitgevoerd. Payrolling wordt gezien als een instrument om werkgevers te ontzorgen, niet om te concurreren op arbeidsvoorwaarden.

De payrollwerkgever moet vanaf 1 januari 2021 zorg dragen voor net zo’n adequate pensioenregeling voor de payrollwerknemer als voor een vaste werknemer met een gelijke of gelijkwaardige functie in hetzelfde bedrijf of bedrijfstak. Van een adequate pensioenregeling is in ieder geval sprake als de payrollwerknemer wordt ondergebracht in het pensioenfonds van de inlener. Als dit niet mogelijk is of als de payrollwerkgever dit niet wil, moet de payrollwerkgever zelf een adequate voorziening treffen.

Inmiddels is uitgemaakt dat dit concreet betekent dat de werkgever een pensioenvoorziening moet treffen met ouderdoms- en nabestaandenpensioen, zonder een wacht- of drempeltijd.  De normpremie voor de adequate pensioenregeling voor payrollwerknemers in 2025 is vastgesteld op 15,0%. Dat is een daling van 0,4% ten opzichte van de adequate payroll pensioenpremie in 2024 (15,4%). Dit percentage is gelijk aan de gemiddelde werkgeversbijdrage in Nederland en wordt jaarlijks aangepast.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Door |2026-03-02T08:16:29+01:0017 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Advieswijzer Arbeid en arbeidscontracten ken uw rechten en verplichtingen
  • Uitstel hogere belasting lucratief belang tot 2028

Uitstel hogere belasting lucratief belang tot 2028

Een werknemer die aandelen, vorderingen of andere rechten krijgt als beloning voor zijn werkzaamheden, kan te maken krijgen met de lucratiefbelangregeling. In deze lucratiefbelangregeling waren wijzigingen per 1 januari 2026 voorgesteld. De Tweede Kamer heeft echter een voorstel aangenomen om deze wijzigingen uit te stellen naar 1 januari 2028.

Wat is de lucratiefbelangregeling? 

De lucratiefbelangregeling belast allerlei vermogensrechten die een werknemer (meestal iemand uit het management) krijgt of verwerft. Voorwaarde is dat de vermogensrechten een beloning vormen voor de werkzaamheden van de werknemer. Bij vermogensrechten gaat het om aandelen en vorderingen, maar ook allerlei vergelijkbare rechten die met een relatief lage investering een hoog rendement opleveren. 

Let op! De beoordeling of sprake is van een lucratief belang is zeker niet eenvoudig. Er kan ook sneller sprake zijn van een lucratief belang in situaties waarin de praktijk dit niet verwacht. Bovendien kan een belang dat eerst geen lucratief belang vormde, dat later alsnog worden, bijvoorbeeld door statutaire wijzigingen. Dit kan grote fiscale gevolgen hebben. Laat u hierover daarom goed adviseren door onze adviseurs.

Tip! Stem de kwalificatie, waarde en verkrijgingsprijs van lucratieve belangen af met de Belastingdienst. Zo krijgt u zekerheid over uw (latente) belastingpositie.

Belastingheffing lucratief belang in box 1 

De vermogensrechten zouden zonder nadere regelgeving worden belast in box 2 of box 3. Omdat het rendement van deze rechten nauw samenhangt met de werkzaamheden in box 1, is in de wet geregeld dat dit rendement via de lucratiefbelangregeling wordt belast in box 1. Het tarief in box 1 is afhankelijk van het andere inkomen in die box, en bedraagt dus maximaal 49,5%. 

Voorkoming lucratief belang via box 2 

Als een lucratief belang niet rechtstreeks gehouden wordt, maar via een (holding)vennootschap, kan de heffing in box 1 voorkomen worden. Dit kan door 95% van de voordelen die de holdingvennootschap uit het lucratief belang in enig jaar geniet, in hetzelfde jaar uit te keren aan de aandeelhouder(s) van die (holding)vennootschap. Dit wordt ook wel de doorstootregeling genoemd. 

Het kabinet vindt het niet terecht dat in zo’n geval alleen het tarief van box 2 (24,5% of 31%) verschuldigd is, terwijl bij een rechtstreeks lucratief belang de belasting maximaal 49,5% bedraagt. Om die reden is op Prinsjesdag 2025 het voorstel gedaan om in deze situaties een multiplier toe te passen in box 2, waardoor de belastingdruk over de doorstoot van de lucratiefbelangvoordelen zou stijgen naar maximaal 36%. 

Maximale belastingdruk 36% uitgesteld naar 2028 

De Tweede Kamer heeft echter een voorstel tot wetswijziging aangenomen waardoor de ingangsdatum van de maximale belastingdruk van 36% wordt verschoven naar 1 januari 2028. 

Dekking: verhoging Aof-premie 

De budgettaire derving die door dit voorstel in 2026 en 2027 ontstaat, wordt gedekt door een verhoging van de Aof-premie met 0,02% in die jaren. 

Let op! Het voorstel tot wetswijziging is nog niet definitief. De Eerste Kamer moet hier namelijk ook nog mee instemmen.

Door |2026-03-02T08:16:30+01:0016 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Uitstel hogere belasting lucratief belang tot 2028
  • Let op omzetafhankelijke beloning tijdens vakantie

Let op omzetafhankelijke beloning tijdens vakantie

Stel je verstrekt personeel een all-in loon, loon op basis van omzet inclusief vakantiebijslag en inclusief loon over vakantiedagen. Mag je dan in vakantieperiodes terugvallen op een basisloon omdat het personeel in de vakantie niet werkt?

Een casus van fysiotherapeuten 

In een recente procedure bij de Hoge Raad ging het om fysiotherapeuten die in dienst waren van een maatschap en met wie was afgesproken dat ze recht hadden op een loon dat een bepaald percentage van de omzet bedroeg, inclusief vakantiebijslag en loon over vakantiedagen. Het ging dus om een zogeheten all-in loon. 

De fysiotherapeuten waren van mening dat zij tijdens hun vakantie geen volledig loon uitbetaald hadden gekregen. Ze vielen immers tijdens hun vakantie terug op het garantieloon dat lager lag dan het loon dat ze normaliter ontvingen op basis van hun omzet. Om die reden vorderden ze nabetaling van loon en vakantiebijslag over de door hen opgenomen vakantie. 

Wat oordeelde de Hoge Raad? 

De Hoge Raad oordeelde dat het niet is toegestaan terug te vallen op het garantieloon, omdat een werknemer geen financieel nadeel mag voelen als hij vakantie opneemt. Anders ontstaat er een prikkel om door te werken in plaats van uit te rusten. Dat botst met het Europese recht dat juist inzet op daadwerkelijke rust en herstel. Het recht op doorbetaling van loon betreft een bepaling van dwingend recht in lijn met de Europese Arbeidstijdenrichtlijn. 

Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat een all-in loon in strijd is met het Europese kader voor vakantieloon als het loon tijdens vakantie lager uitvalt door het ontbreken van bijvoorbeeld omzet, zoals hier het geval was. Dit geldt ook wanneer het expliciet in de arbeidsovereenkomst vermeld staat en op de loonstrook is verwerkt.

Let op bij all-in loon

Het is dus zaak om terughoudend om te gaan met het hanteren van een all-in loon, zeker als onvoldoende duidelijk is wat de gevolgen hiervan zijn als een werknemer vakantie opneemt. Een werknemer mag immers tijdens het opnemen van vakantie niet in een nadeligere positie komen te verkeren in vergelijking met de situatie dat hij nog gewoon aan het werk zou zijn. Dit betekent dat als iemand variabele beloningscomponenten heeft zoals bijvoorbeeld een omzetafhankelijk salaris, commissie of overwerk, dergelijke beloningscomponenten ook tijdens de opname van vakantie moeten worden doorbetaald. 

Door |2026-03-02T08:16:32+01:0016 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Let op omzetafhankelijke beloning tijdens vakantie
  • Belastingvrije vergoeding rijbewijs B en E mogelijk?

Belastingvrije vergoeding rijbewijs B en E mogelijk?

U wilt de kosten van het behalen van een rijbewijs aan een werknemer vergoeden. Kan dit belastingvrij? En zo ja, gaat dit dan ten koste van uw vrije ruimte?

Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van het soort rijbewijs en of het rijbewijs nodig is voor werkzaamheden van uw werknemer. 

Rijbewijs B

Een regulier bewijs benodigd voor het besturen van een auto (rijbewijs B) kunt u aan uw werknemer vergoeden. Dit kan onbelast als u deze vergoeding aanwijst als eindheffingsloon in de vrije ruimte. Dit gaat dus ten koste van uw vrije ruimte. 

Gebruikelijkheidstoets 

Het vergoeden van het rijbewijs moet wel aan de gebruikelijkheidstoets voldoen. Anders kan dit niet onbelast (u kunt dan niet aanwijzen als eindheffingsloon) en moet u dit in de belastingheffing betrekken bij de werknemer. 

De gebruikelijkheidstoets betekent dat het vergoeden niet meer dan 30% mag afwijken van wat in vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is. De beoordeling van deze toets vindt plaats aan de hand van onder meer de soort vergoeding en de waarde en wie de vergoeding krijgt. 

Heeft uw werknemer het rijbewijs op geen enkele manier nodig voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden, dan kan het zijn dat de Belastingdienst vindt dat de vergoeding niet gebruikelijk is. In zo’n geval kan de vergoeding van het rijbewijs B niet belastingvrij. 

Tip! De beoordeling of iets voldoet aan de gebruikelijkheidstoets is niet altijd eenvoudig. Om discussie over elke euro met de Belastingdienst te voorkomen, kunt u gebruikmaken van de doelmatigheidsmarge van € 2.400. Tot een bedrag van maximaal € 2.400 per werknemer per jaar beschouwt de Belastingdienst de zaken namelijk in alle redelijkheid als gebruikelijk. In alle redelijkheid betekent dat het loon van de werknemer bijvoorbeeld niet lager mag worden dan het wettelijk minimumloon of bij een stagiair.

Rijbewijs E

Heeft uw werknemer al een rijbewijs B, dan kunt u een rijbewijs voor het rijden met een aanhanger van maximaal 3.500 kilogram (rijbewijs E) aan uw werknemer vergoeden. Dit kan onbelast als uw werknemer het rijbewijs E nodig heeft voor zijn werkzaamheden. 

Moet u werknemer bijvoorbeeld regelmatig met een zware aanhanger (meer dan 750 kilogram) op pad voor zijn werkzaamheden, dan heeft hij daarvoor een rijbewijs E nodig. In dat geval geldt voor de vergoeding van dit rijbewijs een zogenaamde gerichte vrijstelling voor de verbetering van de vaardigheden ter vervulling van de dienstbetrekking. De vergoeding is dan onbelast zonder dat u de vrije ruimte daarvoor hoeft aan te spreken. 

Let op! Is het rijbewijs E niet nodig voor de werkzaamheden van de werknemer, dan kan de vergoeding eventueel alsnog onbelast als u deze aanwijst als eindheffingsloon in de vrije ruimte. Let daarbij wel op de gebruikelijkheidstoets, zoals hiervoor beschreven.

Door |2026-02-27T08:09:39+01:0015 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Belastingvrije vergoeding rijbewijs B en E mogelijk?