FelienDeRidder

Over Felien de Ridder

Deze auteur heeft nog geen informatie verstrekt.
So far Felien de Ridder has created 1598 blog entries.
  • Heeft appartement op bovenste etage hogere WOZ-waarde?

Heeft appartement op bovenste etage hogere WOZ-waarde?

Bij de aankoop van een appartement is voor veel kopers de ligging van belang. Levert de ligging op de bovenste etage, vaak het penthouse, ook automatisch een hogere WOZ-waarde op?

Waardeverschil € 45.000

Over bovenstaande vraag moest het gerechtshof Den Haag oordelen in een zaak die was aangespannen door een vrouw die de bovenste etage van een appartementencomplex bewoonde. De WOZ-waarde van haar appartement was voor het jaar 2023 vastgesteld op € 671.000, terwijl vrijwel identieke appartementen in hetzelfde complex op € 626.000 waren gewaardeerd.

Diverse voordelen

Volgens de gemeente was de hogere waarde gerechtvaardigd, omdat de ligging op de bovenste etage diverse voordelen bood. Zo was er vanwege deze ligging meer privacy, geen mogelijke overlast van bovenburen, een beter uitzicht en minder straatlawaai.

Verwaarloosbare verschillen

Volgens het Hof was er in deze casus echter sprake van verwaarloosbare verschillen tussen de appartementen onderling en kon er dus een beroep worden gedaan op de meerderheidsregel. Voor de waardebepaling is dan de WOZ-waarde van de meerderheid van andere, identieke woningen bepalend. De enkele ligging op de bovenste etage deed hier niet aan af. Er waren ook geen bijzondere voorzieningen, zodat er hier van een penthouse geen sprake was.

Verkoopcijfers

Het Hof hechtte ook waarde aan het feit dat uit verkoopcijfers bleek dat appartementen op de bovenste etage geen hogere waarde hadden. De vrouw werd dan ook in het gelijkgesteld en de waarde van haar appartement bepaald op € 626.000.

Door |2026-03-16T22:47:13+01:009 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Heeft appartement op bovenste etage hogere WOZ-waarde?
  • Waarschijnlijk meer btw bij overdracht auto tegen lagere prijs

Waarschijnlijk meer btw bij overdracht auto tegen lagere prijs

Stel, een auto wordt tegen een lagere prijs dan de marktwaarde overgedragen van de bv aan een dga. Moet de btw in zo’n geval berekend worden over de lagere prijs of over de werkelijke waarde?

Als een bv een auto aan zijn dga verkoopt, moet dit voor de dividendbelasting en inkomstenbelasting tegen de werkelijke waarde van de auto. Voor de btw bestaat twijfel of dit mogelijk anders is. In verschillende rechtszaken lag de vraag voor of terecht een naheffingsaanslag btw was opgelegd, in de situatie waarin het verkoopbedrag voor de btw onder de werkelijke waarde van de auto lag. Twee gerechtshoven en een rechtbank oordeelden hier verschillend over. Advocaat-generaal Ettema adviseert de Hoge Raad in al deze casussen de btw te berekenen over de werkelijke waarde.

Aankoop via verkapt dividend

In de zaak die voorlag bij gerechtshof Amsterdam nam een dga de auto van zijn bv over tegen een prijs van € 15.000, terwijl de waarde van de auto € 75.000 bedroeg. Voor de rest van de waarde werd voor de dividendbelasting verkapt dividend in aanmerking genomen. De bv berekende alleen btw over € 15.000, maar de Belastingdienst legde aan de bv een naheffingsaanslag btw op over het meerdere van € 60.000. In deze casus bedroeg het tijdsverloop tussen de aankoop van de auto door de bv en de doorverkoop aan de dga ongeveer vier maanden.

In drie andere zaken die voorlagen bij gerechtshof ‘s-Hertogenbosch werd een auto met een waarde van € 29.750 en een auto met een waarde van € 25.016 na ongeveer vijf jaar verkocht aan de dga, elk voor € 2.624. In de derde zaak werd een auto met een waarde van € 34.040 na ongeveer 2,5 jaar verkocht aan de dga voor € 2.597. Ook nu werd een verkapt dividend in aanmerking genomen voor de dividendbelasting voor het verschil tussen de waarde en de verkoopprijs.

Verschillend oordeel

Op de vraag of over de werkelijke waarde of over de lagere overeengekomen prijs btw moest worden afgedragen, kwamen de gerechtshoven niet tot hetzelfde oordeel. Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat in de casus die daar voorlag sprake was van misbruik van recht en stelde de Belastingdienst in het gelijk. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat er in de casussen die daar voorlagen, geen sprake was van misbruik van recht en stelde de bv in het gelijk.

Wanneer misbruik van recht?

Misbruik van recht kan worden aangenomen als in strijd met doel en strekking van de wet een belastingvoordeel wordt behaald én dit ook het wezenlijke (= het doorslaggevende) doel van de transactie is.

Let op!De Belastingdienst heeft de bewijslast om aan te tonen dat er sprake is van misbruik van recht.

Gerechtshof Amsterdam en A-G: misbruik van recht

Gerechtshof Amsterdam vond dat in de voorliggende casus aan deze definitie was voldaan. De zakelijke motieven die de bv bij het gerechtshof aanvoerde, verklaarden niet waarom de auto tegen een abnormaal lage vergoeding was verkocht. Naar het oordeel van het gerechtshof was het doel van de transactie dan ook gelegen in het belastingvoordeel van de lagere btw voor de dga.

De A-G volgt het gerechtshof in de eindconclusie en adviseert de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond te verklaren. Het in rekening brengen van een abnormaal lage vergoeding kan tot misbruik van recht leiden, naar het oordeel van de A-G. Van een abnormaal lage vergoeding is volgens de A-G als snel sprake als de vergoeding lager is dan de marktwaarde, tenzij er een economische verklaring voor de lagere vergoeding is.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch géén, A-G wél misbruik van recht

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat in de voorliggende casussen geen sprake was van misbruik van recht. De stelling van de Belastingdienst dat de auto was overgedragen tegen een abnormaal lage vergoeding was hiervoor volgens het gerechtshof onvoldoende. De Belastingdienst kon ook niet aannemelijk maken dat het btw-belastingvoordeel het hoofddoel van de transactie was.

De A-G denkt daar dus anders over en adviseert de Hoge Raad ook in deze casussen te oordelen dat sprake is van misbruik van recht.

Let op!Het wachten is nu op de Hoge Raad. Daarbij is het niet zeker of de Hoge Raad het advies van de A-G volgt. Ook zou de Hoge Raad in de zaken nog verschillend kunnen beslissen omdat de feiten in de zaken niet geheel gelijk zijn aan elkaar.

Door |2026-03-16T22:47:13+01:009 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Waarschijnlijk meer btw bij overdracht auto tegen lagere prijs
  • Uber-chauffeurs toch geen werknemers

Uber-chauffeurs toch geen werknemers

Bij het gerechtshof Amsterdam stond de vraag centraal of de Uber-chauffeurs die zich in hoger beroep aan de zijde van Uber schaarde, werknemers zijn. Uber had hoger beroep aangetekend tegen een eerdere rechtbankuitspraak in een zaak die FNV had aangespannen. Nadat de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoordde, oordeelde het gerechtshof dat er in deze zaak geen sprake van werknemers.

De casus

In 2021 stelde rechtbank Amsterdam FNV, die de procedure had aangespannen, in het gelijk door te oordelen dat Uber-chauffeurs werknemers zijn. Uber stelde vervolgens hoger beroep in. Het gerechtshof stelde hierop prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de betekenis van ondernemerschap bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie en op de procedure om die kwalificatie voor een groep werkenden vast te stellen.

Ondernemerschap

 De Hoge Raad gaf in reactie op genoemde prejudiciële vragen aan geen rangorde te willen aanbrengen in de in het Deliveroo-arrest genoemde relevante omstandigheden bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dit geldt ook voor ondernemerschap, waarbij het zich kan voordoen dat de arbeidsrelatie van de ene werkende anders te kwalificeren valt dan van andere werkenden die dezelfde werkzaamheden verrichten.

Het is volgens de Hoge Raad niet mogelijk een algemeen oordeel over de kwalificatie te geven als de individuele omstandigheden van de (groepen) werkenden daarvoor te veel uiteenlopen. 

Mocht het wel mogelijk zijn een oordeel te geven voor bepaalde (groepen) werkenden, dan kan de rechter dit in de beslissing van de uitspraak tot uitdrukking brengen.

Wat oordeelde de rechter?

Het gerechtshof oordeelde dat de zes chauffeurs die zich in hoger beroep aan de zijde van Uber hebben geschaard, niet als werknemer, maar als zelfstandig ondernemer moeten worden aangemerkt. Daarbij achtte het gerechtshof onder meer relevante factoren als:

  • de hoogte van de investeringen die de chauffeurs deden (zoals de aanschaf en exploitatie van hun voertuig); 
  • de vrijheid in het kiezen van de tijdstippen waarop ze werken; 
  • de strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten; 
  • het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid.

Het gerechtshof overwoog tevens dat de mogelijkheid bestaat dat andere individuele chauffeurs van Uber wel werken op basis van een arbeidsovereenkomst. In de procedure waar het om ging, kon het gerechtshof echter niet vaststellen dat dit voor individuele chauffeurs of voldoende afgebakende groepen geldt. Reden waarom de collectieve vorderingen van FNV zijn afgewezen.

Door |2026-03-16T22:47:14+01:006 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Uber-chauffeurs toch geen werknemers

Bezwaar tegen vastgestelde GLB-premie kan zelfs tot terugbetaling leiden

In de rechtspraak geldt in beginsel dat een partij die in bezwaar of (hoger) beroep gaat, niet slechter mag worden van die actie dan wanneer hij niets had gedaan, het zogenaamde reformatio in peius. Maar op dit beginsel gelden enkele uitzonderingen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een bezwaar of beroep tegen een vastgestelde GLB-premie.

Een melkveehouder had in 2022 de basis- en vergroeningsbetaling aangevraagd op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Hij was het niet mee eens met de vaststelling en stelde daarom bezwaar in bij RVO. Dit had tot gevolg dat de basispremie over een grotere oppervlakte
werd toegekend. Maar daardoor had de melkveehouder te weinig ecologisch aandachtsgebied ingericht met als gevolg dat hij flink werd gekort op de vergroeningsbetaling. Per saldo moest hij daardoor zelfs een bedrag terugbetalen.

In de beroepszaak beriep zich op het beginsel van reformatie in peius. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven overwoog dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat in de bezwaarschriftenprocedure wijzigingen ten nadele van de indiener aanbrengt als de bevoegdheid daartoe ook buiten het kader van die procedure bestaat. In dit geval volgde de vaststelling van de betaling uit de toepassing van de EU-verordeningen. RVO is bevoegd en gehouden deze bepalingen toe te passen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
 

Door |2026-02-05T15:23:33+01:005 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Bezwaar tegen vastgestelde GLB-premie kan zelfs tot terugbetaling leiden

Vrijstellingsregeling bovengronds aanwenden runderdrijfmest 2026

Dierlijke mest moet in principe emissiearm aangewend worden. Onder voorwaarden kan in 2026 net als in voorgaande jaren een vrijstelling verkregen worden voor het bovengronds aanwenden van rundveedrijfmest (diercategorieën 100, 101, 102, 104 en 120) op grasland. Aanmelding is mogelijk van 2 tot en met 27 februari 2026 bij RVO.

Voorwaarden vrijstelling 2026
Er moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  1. De mest moet afkomstig zijn van het eigen bedrijf en aangewend worden op grasland van de tot het bedrijf behorende landbouwgrond.
  2. Er mag geen aanwending plaatsvinden binnen twee meter vanaf de insteek van een watergang, ook wanneer de bufferstrook smaller is dan twee meter.
  3. In het jaar voorafgaand aan en in het jaar dat gebruik gemaakt wordt van de vrijstelling:
    • bestaat minimaal 85% van de oppervlakte landbouwgrond uit grasland;
    • bedraagt de kunstmestgift op het bedrijf minder dan 100 kg stikstof per ha grasland;
    • is het stikstofoverschot op het bedrijf maximaal 100 kg stikstof per ha, berekend volgens het principe van een stikstofbalans op bedrijfsniveau;
    • moet voor de diercategorieën 100, 101, 102 en 120 worden voldaan aan de in de regeling genoemde minimale beweidingseisen.
  4. Op het bedrijf mag ten behoeve van tot het bedrijf behorende oppervlakte bouwland, geen andere dierlijke mest worden aangevoerd dan runderdrijfmest of vaste rundermest.
  5. De landbouwer houdt een weidegangkalender bij waarop per dag wordt bijgehouden hoeveel runderen per diercategorie geweid worden en gedurende hoeveel uren; de kalender loopt niet meer dan 1 week achter.
  6. De landbouwer houdt gegevens in de administratie bij waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan.

Minimale beweidingseisen

  • De melk- en kalfkoeien worden vanaf twee weken na de kalfdatum geweid. In de periode van 15 maart tot en met 30 november zijn zij in elk geval 150 dagen en 6 uur per dag in de wei.
  • Droogstaande koeien (diercategorie 100) worden in de periode 1 mei tot en met 30 september dag en nacht geweid tot minimaal drie weken voor de verwachte kalfdatum.
  • Runderen in de diercategorieën 102 en 120 worden in de periode 15 maart tot en met 30 november dag en nacht geweid gedurende minimaal 150 dagen per jaar.
  • Runderen in de diercategorie 101 met een leeftijd van zes maanden of ouder worden in de periode 1 juni tot en met 31 augustus dag en nacht geweid.

Aanvullende voorwaarden bedrijven met melkkoeien
Bedrijven met melk- en kalfkoeien (diercategorie 100) moeten zowel in 2025 als 2026 aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • Indien de op het bedrijf geproduceerde mest niet volledig kan worden geplaatst op het eigen bedrijf, mag de melkproductie van het bedrijf niet hoger zijn dan 14.000 kg per ha.
  • Het gemiddeld gewogen ureumgetal van de op het bedrijf tijdens de perioden van 1 januari tot en met 31 maart en van 1 december tot en met 31 december geproduceerde melk is lager dan 21 milligram per 100 gram melk.
Door |2026-02-05T15:17:19+01:005 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Vrijstellingsregeling bovengronds aanwenden runderdrijfmest 2026

Meer stikstof bij hogere gewasopbrengsten

Via twee regelingen is het mogelijk meer stikstof te gebruiken, indien in de afgelopen drie jaren hogere gewasopbrengsten zijn behaald.

Equivalente maatregel stikstof
Deze maatregel geldt voor de volgende gewassen: suikerbieten, zaaiuien, maïs, zomer- en wintertarwe, zomer- en wintergerst, bloemkool, broccoli, prei, slasoorten (eerste teelt), spinazie (eerste teelt), andijvie (eerste teelt), winterpeen/waspeen en consumptie-, poot- of zetmeelaardappelen.

Er mag extra stikstof gebruikt worden als in de afgelopen drie jaar elk jaar hogere gewasopbrengsten zijn gerealiseerd. De hoeveelheid extra stikstof hangt af van het gewas en de gemiddelde gewasopbrengst hiervan. Nadeel van de regeling is dat de hoeveelheid stikstof uit drijfmest wordt beperkt tot 75 kg per ha op zandgrond in Limburg of Noord-Brabant en op lössgronden en tot 100 kg per ha op zandgrond in de andere provincies en op klei- en veengrond.

Een accountant zal moeten verklaren dat de geleverde gewasopbrengsten daadwerkelijk zo hoog zijn.

Aanmelding is mogelijk in de periode 1 februari tot en met 1 juni.

Stikstofdifferentiatie
Deze regeling geldt voor agrarische ondernemers die de afgelopen drie jaar bovengemiddelde opbrengsten hadden met suikerbie­ten, fritesaardappelen, tarwe of gerst op klei. Elk jaar moet de opbrengst bovengemiddeld zijn, er mag geen gemiddelde uitgerekend worden.

De genoemde gewassen moeten zelf of via een ge­specialiseerd sorteerbedrijf aan de verwerkende in­dus­trie geleverd worden. Zij maakt van de tarwe en gerst pro­duc­ten voor menselijke of dierlijke consump­tie en van suikerbieten of fritesaardappelen producten voor men­selijke consumptie.

Een bovengemiddelde opbrengst betekent voor win­ter­tarwe en -gerst een opbrengst van meer dan 9 ton, voor zomertarwe meer dan 8 ton, voor zomergerst meer dan 7 ton, voor suikerbieten meer dan 75 ton en voor aardappelen meer dan 50 ton, dit alles per hecta­re.

De hoeveelheid extra stikstof per hectare bedraagt 15 kg voor suikerbieten en wintertarwe, 20 kg voor zomertarwe en wintergerst en 30 kg voor zomergerst en aardappelen.

Aanmelding is mogelijk in de periode 1 januari tot en met 15 mei.

Combineren regelingen
De equivalente maatregel en stikstofdifferentiatie mogen gecombineerd worden, voor zover het geen dubbele verhoging van de gebruiksnormen oplevert. Een gewas kan daarom niet aangemeld worden voor beide regelingen.

Door |2026-02-05T15:12:58+01:005 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Meer stikstof bij hogere gewasopbrengsten
  • Scholingskosten algemene opleiding aftrekbaar?

Scholingskosten algemene opleiding aftrekbaar?

Scholingskosten zijn sinds 2022 in beginsel niet meer aftrekbaar. Er lopen echter nog diverse geschillen over de aftrek van scholingskosten uit de periode vóór 2022. Bij een ervan ging het om de vraag of de kosten van een vwo-opleiding aftrekbaar kunnen zijn.

Subsidie vervangt aftrek

De aftrek van scholingskosten is per 2022 vervallen en vervangen door de STAP-subsidie. Die subsidie is inmiddels weer vervangen door de SLIM-subsidie. Via de SLIM-subsidie kunnen werkgevers in het mkb subsidie aanvragen om werknemers en stagiairs op te leiden of om te scholen.

Aftrek voor algemene opleiding?

In een zaak waarbij nog vóór 2022 scholingskosten waren gemaakt, werd de aftrek geweigerd omdat de betreffende studie, een vwo-studie, volgens de inspecteur in een te ver verband stond met de doelstelling om inkomen te verwerven. De belastingplichtige was het hiermee niet eens en stapte naar de rechter.

Te ver verwijderd verband?

Voor rechtbank Noord-Holland ging het met name om de vraag of een algemeen vormende opleiding, zoals de vwo-opleiding, in een te ver verwijderd verband stond met het verwerven van inkomen. In dat geval was in principe geen aftrek mogelijk, zo besliste de Hoge Raad in 2013, al zijn er uitzonderingen mogelijk. Dit bleek weer uit een arrest van de Hoge Raad uit 1980, waarin de kosten van een mavo-opleiding wel in aftrek werden toegestaan.

Situaties niet vergelijkbaar

Volgens de rechtbank zijn beide zaken echter niet vergelijkbaar. Zo was de belastingplichtige uit het arrest uit 1980 na de mavo-opleiding direct een beroepsopleiding gaan volgen. 

In de zaak voor de rechtbank Noord-Holland was hiervan geen sprake en wilde de belastingplichtige op termijn als paleontoloog aan de slag. Ze kon na de vwo-opleiding worden toegelaten tot de bachelor studie. Daarna moesten echter nog een master, extra curriculaire activiteiten en promotieonderzoek worden gedaan om een paleontoloog te worden. 

Volgens de rechtbank was er daarom een veel verder verband met het verwerven van inkomen dan in de zaak waarbij een mavo-opleiding was gevolgd. De inspecteur werd dan ook in het gelijk gesteld.

Door |2026-03-16T22:47:15+01:005 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Scholingskosten algemene opleiding aftrekbaar?
  • Wanneer heeft u in 2026 recht op LKV banenafspraak?

Wanneer heeft u in 2026 recht op LKV banenafspraak?

Het loonkostenvoordeel (LKV) banenafspraak is met ingang van 1 januari 2026 gewijzigd. Wanneer heeft u in 2026 nog recht op dit LKV?

Voorwaarden LKV banenafspraak

Voor het LKV banenafspraak moet de werknemer opgenomen zijn in het doelgroepregister en verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Verder heeft de werknemer de AOW-leeftijd nog niet bereikt en werkt niet in een dienstverband dat vanuit de Wet sociale werkvoorziening (WSW) betaald wordt of werkt niet in een beschutte werkomgeving via de gemeente.

Let op! In tegenstelling tot voorgaande jaren heeft u voor het LKV banenafspraak geen doelgroepverklaring meer nodig. Het is voldoende dat de werknemer is opgenomen in het doelgroepregister. Dit doelgroepregister kan een werkgever inzien via het werkgeversportaal van het UWV.

Hoogte LKV banenafspraak 2026

De hoogte van het LKV banenafspraak bedraagt in 2026 € 1,01 per verloond uur van de werknemer met een maximum van € 2.000 per jaar.

Structureel

Waar u tot en met 2025 maximaal drie jaar LKV banenafspraak kon krijgen voor een werknemer, is deze LKV vanaf 2026 structureel. Dit betekent dat u vanaf 2026 recht heeft op LKV banenafspraak voor een werknemer zolang hij bij u in dienst is én in het doelgroepregister is ingeschreven.

Let op! U moet het LKV banenafspraak wel aanvragen. Dit doet u in uw aangifte loonheffingen.

Nieuwe doelgroepen

Aan de doelgroep banenafspraak zijn met ingang van 1 januari 2026 toegevoegd: 

  • Wajongers die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en werkzaam zijn bij een reguliere werkgever, en
  • mensen met een IVA-uitkering die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn en werken met loondispensatie.

Overgangsrecht doelgroep scholingsbelemmerden en indicatie beschut werk

Vanaf 2026 bestaat voor de doelgroepen scholingsbelemmerden en werknemers met een indicatie beschut werk geen recht meer op het LKV banenafspraak.
Bestond de dienstbetrekking echter al vóór 2026 en beschikt u over een geldige doelgroepverklaring, dan kunt u gebruikmaken van overgangsrecht. Voor de resterende duur van de maximale drie jaar zoals deze tot en met 2025 gold, kunt u dan nog wel het LKV banenafspraak aanvragen. Ook dit doet u in uw aangifte loonheffingen.

Door |2026-03-16T22:47:16+01:005 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Wanneer heeft u in 2026 recht op LKV banenafspraak?
  • WNT-norm vanaf 2026 voor alle expatregelingen

WNT-norm vanaf 2026 voor alle expatregelingen

De overgangsregeling die gold voor de aftopping van het loon waarvoor de expatregeling – voorheen 30%-regeling – geldt, is per 2026 vervallen. Naast deze wijziging is ook de salarisnorm per 2026 weer gewijzigd.

Expatregeling

De expatregeling is wat voorheen ook wel de 30%-regeling heette. Waarschijnlijk vanwege de verlaging van het percentage per 2027 naar 27% is de naam gewijzigd in expatregeling. Bij toepassing van de expatregeling mag maximaal 30% van het loon belastingvrij uitbetaald worden. Hiervoor gelden strikte voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de werknemer in het buitenland is aangeworven.

Maximaal de WNT-norm

Het loon waarover de 30% kan worden toegepast is gemaximeerd op de WNT-norm. Waar dit tot en met 2025 nog niet gold voor werknemers die al vóór 2023 de expatregeling toepasten, geldt dat vanaf 2026 ook voor hen.

Dit betekent dat de expatregeling in 2026 over een salaris tot maximaal € 262.000 mag worden toegepast. Onder de expatregeling kan daarom maximaal € 78.600 (30% van € 262.000) netto worden vergoed.

Let op! Vanaf 2027 gaat het percentage omlaag naar 27%. Dit geldt niet voor alle werknemers die vóór 2024 de expatregeling al toepasten. Voor hen mag tot het einde van de looptijd van hun regeling het percentage van 30% gehanteerd worden.

Verhoging van salarisnorm

Behalve het vervallen van het overgangsrecht met betrekking tot de toepassing van de WNT-norm zijn in 2026 ook de salarisnormen weer verhoogd. De werknemer moet voor toepassing van de expatregeling een minimaal salaris verdienen. In 2026 is dit € 48.013 per jaar. Voor werknemers die instromen en jonger zijn dan 30 jaar en hun masterdiploma hebben behaald, moet het salaris minimaal € 36.497 bedragen in 2026.

Door |2026-03-16T22:47:16+01:004 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor WNT-norm vanaf 2026 voor alle expatregelingen
  • Kosten paramedicus aftrekbaar als zorgkosten?

Kosten paramedicus aftrekbaar als zorgkosten?

De kosten van een behandeling door een paramedicus kunnen, onder voorwaarden, aftrekbaar zijn als zorgkosten. Wie wordt aangemerkt als paramedicus?

Behandeling paramedicus

De medische behandelingen door een paramedicus zijn aftrekbaar als zorgkosten in de aangifte inkomstenbelasting als deze behandelingen plaatsvinden op voorschrift én onder begeleiding van een arts.

‘Op voorschrift van’ betekent dat er een daadwerkelijke verwijzing door een arts heeft plaatsgevonden.

‘Onder begeleiding’ betekent dat de arts ook actief betrokken is bij de behandeling. Er moet regelmatig contact zijn tussen de arts en de paramedicus. Daarbij is het enkel terugkoppelen van bevindingen door de paramedicus aan de arts onvoldoende.

Wanneer is sprake van een paramedicus?

Aan de Belastingdienst is gevraagd wanneer er sprake is van een paramedicus. Hiervan is volgens de Belastingdienst sprake als de behandeling wordt uitgevoerd op voorschrift van én onder begeleiding van een arts. Het is niet nodig dat de paramedicus BIG-geregistreerd is. Zo kan de behandeling van een chiropractor tot aftrekbare zorgkosten leiden als deze behandeling plaatsvindt op voorschrift én onder begeleiding van een arts.

Zonder verwijzing van een arts

Bepaalde behandelingen door een BIG-geregistreerde paramedicus zijn overigens aftrekbaar zonder dat u daar een voorschrift van een arts voor nodig heeft. Dit geldt voor behandelingen door fysiotherapeuten, diëtisten, ergotherapeuten, logopedisten, oefentherapeuten, orthoptisten, podotherapeuten, mondhygiënisten en huidtherapeuten.

Let op! De Belastingdienst kan u wel om een verklaring van de paramedicus vragen waaruit blijkt dat het om een medische behandeling gaat. In die verklaring moet onder meer zijn opgenomen voor welke aandoening de behandeling plaats heeft gevonden en hoeveel behandelingen het betrof.

Overige voorwaarden

Voor de aftrek zorgkosten in de inkomstenbelasting gelden nog meer voorwaarden. Zo komen de zorgkosten bijvoorbeeld alleen in aftrek als deze meer bedragen dan een bepaalde drempel.

Tip! Neem voor meer informatie over de aftrek in uw specifieke situatie contact op met een van onze adviseurs.

Door |2026-03-16T22:47:17+01:003 februari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Kosten paramedicus aftrekbaar als zorgkosten?