Geen categorie

  • Stikstofdispositieruimte is zelfstandig bedrijfsmiddel, HIR mogelijk

Stikstofdispositieruimte is zelfstandig bedrijfsmiddel, HIR mogelijk

De Belastingdienst heeft een standpunt bekendgemaakt over stikstofdispositieruimte. Het standpunt betreft de mogelijkheid tot afschrijven en het toepassen van de herinvesteringsreserve (HIR) op de stikstofdispositieruimte.

Stikstofdispositieruimte

De mogelijkheid om stikstof uit te stoten hangt af van de vereiste omgevingsvergunning. In sommige gevallen kan de hoeveelheid uit te stoten stikstof, de stikstofdispositieruimte, worden gebruikt door andere ondernemers. Deze betalen hiervoor een prijs aan de ondernemer, die de na wijziging van zijn bedrijfsactiviteiten de stikstofdispositieruimte aanbiedt.

Zelfstandig bedrijfsmiddel

De Belastingdienst neemt het standpunt in dat stikstofdispositieruimte een zelfstandig bedrijfsmiddel is. In een eerder Besluit (d.d. 27 oktober 1998, nr. DB98/2669M) is het standpunt ingenomen dat ammoniakrechten een zelfstandig bedrijfsmiddel vormen. Omdat stikstofdispositieruimte hiermee vergelijkbaar is, geldt dit daarom ook voor deze rechten. Ook rechtspraak uit het verleden steunt deze zienswijze.

Afschrijven mogelijk?

De Belastingdienst geeft aan dat afschrijven op stikstofdispositieruimte niet mogelijk is. De omgevingsvergunning waarmee de stikstofdispositieruimte verbonden is, kent namelijk geen einddatum. 

Herinvesteringsreserve (HIR) mogelijk?

Aangegeven wordt dat het mogelijk is een HIR te vormen voor de ontvangen vergoeding die betaald wordt voor de mogelijkheid stikstof uit te stoten. Het is immers een verkregen vergoeding voor de vervreemding van een zelfstandig bedrijfsmiddel. Uiteraard moet voldaan worden aan de voor een HIR geldende voorwaarden.

HIR afboeken op nieuwbouw?

Het is niet mogelijk deze HIR af te boeken op nieuwbouw als een ondernemer na beëindiging van stikstofbelastende activiteiten hierin investeert. Een investering in nieuwbouw dient namelijk te worden afgeschreven in meer dan tien jaar. De HIR vereist dan dat de nieuwe investering eenzelfde economische functie heeft als de vervreemde investering. Het huisvesten van bedrijfsactiviteiten heeft niet dezelfde economische functie als die van de stikstofdispositieruimte, namelijk een vergunning om bepaalde activiteiten te verrichten. Het afboeken op de HIR is daarom dan ook niet mogelijk.

Door |2026-01-27T20:16:10+01:007 januari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Stikstofdispositieruimte is zelfstandig bedrijfsmiddel, HIR mogelijk
  • Wanneer is kwijtschelding voor erfgenamen mogelijk?

Wanneer is kwijtschelding voor erfgenamen mogelijk?

Als een overledene belastingschulden heeft, kan de Belastingdienst deze in bepaalde gevallen kwijtschelden bij de erfgenamen. Voor erfgenamen die geen partner zijn van de overledene, zijn er wellicht ruimere mogelijkheden.

Kwijtschelding

Of u kwijtschelding krijgt als erfgenaam voor de belastingschulden van de overledene, hangt af van uw (financiële) situatie. Is er voldoende financiële draagkracht, dan krijgt u geen kwijtschelding.

Let op! U kunt alleen kwijtschelding krijgen als u daarom verzoekt. Dit doet u met een door de Belastingdienst beschikbaar gesteld formulier.

Erfgenaam en partner

U bent partner van de overledene als u met hem/haar getrouwd was of een geregistreerd partnerschap had. In zo’n geval kijkt de Belastingdienst bij het beoordelen van de kwijtschelding ook naar uw eigen financiële omstandigheden.

Alleen erfgenaam

Bent u echter alleen erfgenaam en geen partner van de overledene? Dan kijkt de Belastingdienst niet naar uw eigen financiële omstandigheden. De Belastingdienst kijkt dan vooral of de belastingschuld (deels) uit de erfenis betaald kan worden.

Verwerpen of beneficiair aanvaarden

Als u van tevoren weet dat de nalatenschap meer schulden dan bezittingen bevat, kunt u deze misschien beter niet aanvaarden, maar verwerpen. Een andere mogelijkheid is beneficiair aanvaarden. In zo’n geval aanvaardt u de erfenis, onder voorwaarde dat u niet privé aansprakelijk bent voor de schulden uit de erfenis.

Tip! De Belastingdienst heeft online informatie over wat u kunt doen bij een belastingschuld van een overledene. Neem voor advies over uw eigen situatie contact op met onze adviseurs.

Door |2026-01-27T20:16:11+01:006 januari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Wanneer is kwijtschelding voor erfgenamen mogelijk?
  • Aftrek deelnemersbijdrage voor vrijwilliger ANBI?

Aftrek deelnemersbijdrage voor vrijwilliger ANBI?

Algemeen Nut Beogende Instellingen, kortweg ANBI’s, doen vaak een beroep op vrijwilligers voor allerlei uit te voeren werkzaamheden. Kan een deelnemersbijdrage die een vrijwilliger aan een ANBI betaalt als begeleider bij een evenement, aftrekbaar zijn als gift?

Kosten voorbereiding en organisatie

In een geschetste situatie van de Belastingdienst betaalt een begeleider mee aan de kosten van de voorbereiding en organisatie van een door een ANBI georganiseerd evenement. De begeleider zorgt ervoor dat de andere deelnemers aan het evenement en aan de bijbehorende reis kunnen deelnemen. Op het evenement zelf beschikt de vrijwilliger vrijwel niet over vrije tijd.

Tegenprestatie?

Voor de vraag of de betaalde kosten aftrekbaar zijn als gift, is van belang of er voor de vrijwilliger sprake is van een te ontvangen tegenprestatie van meer dan bijkomstig belang. Dat is niet het geval, nu de vrijwilliger op het evenement nauwelijks over vrije tijd beschikt. Ook moet er sprake zijn van vrijgevigheid. Omdat de vrijwilliger er zelf voor kan kiezen al dan niet als begeleider deel te nemen, is ook daarvan sprake. Daarmee zijn de betaalde kosten aftrekbaar.

Kosten splitsen

De Belastingdienst geeft in het bijzonder aan dat de kosten gesplitst moeten worden in een aftrekbaar en niet aftrekbaar bedrag, als er wél een tegenprestatie van meer dan bijkomstig belang is. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als de begeleidende vrijwilliger op het evenement wel over veel vrije tijd zou beschikken.

Door |2026-01-27T20:16:13+01:006 januari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Aftrek deelnemersbijdrage voor vrijwilliger ANBI?
  • Nieuwe normbedragen werkkostenregeling 2026

Nieuwe normbedragen werkkostenregeling 2026

Binnen de werkkostenregeling bestaan verschillende normbedragen, bijvoorbeeld voor maaltijden, thuiswerken, huisvesting op de werkplek en reiskosten. Welke normbedragen gelden in 2026?

Normbedrag maaltijden

Voor de waarde van maaltijden in bedrijfskantines of soortgelijke ruimtes of tijdens personeelsfeesten op de bedrijfslocatie, bedraagt het normbedrag in 2026 € 4,05. In 2025 bedroeg dit bedrag nog € 3,95.

Let op! Het normbedrag – verminderd met een eventuele bijdrage van uw werknemer – is loon voor uw werknemer.

Tip! U kunt er ook voor kiezen om dit loon aan te wijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte. In dat geval betaalt u werknemer hier geen loonbelasting over. U bent dan 80% eindheffing verschuldigd als het totaal van aangewezen loonbestanddelen de vrije ruimte in een jaar overschrijdt.

Thuiswerkvergoeding

Voor de extra kosten die verbonden zijn aan thuiswerken kunt u, onder voorwaarden, een onbelaste vergoeding geven aan uw werknemer. Deze onbelaste vergoeding bedraagt in 2026 € 2,45 per dag. In 2025 was dit nog € 2,40.

Normbedrag huisvesting op de werkplek

Verzorgt u huisvesting op de werkplek, dan kan daar onder voorwaarden een nihilwaardering voor gelden. Als deze nihilwaardering niet van toepassing is en er geen sprake is van een (dienst)woning, kunt u onder voorwaarden voor de waarde van de huisvesting in 2026 het normbedrag van € 7,00 per dag aanhouden. In 2025 bedroeg dit normbedrag nog € 6,80 per dag.

Reiskostenvergoeding

Het bedrag van de onbelaste reiskostenvergoeding is in 2026 net als in 2025 € 0,23 per kilometer.

Door |2026-01-27T20:16:14+01:006 januari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Nieuwe normbedragen werkkostenregeling 2026
  • Wat mag u in 2026 belastingvrij schenken?

Wat mag u in 2026 belastingvrij schenken?

Ook in 2026 kunt u weer gebruikmaken van de jaarlijkse schenkvrijstellingen. Tot welke bedragen kunt u belastingvrij schenken? Wat is er daarnaast nog gewijzigd met betrekking tot belastingvrij schenken?

Schenken aan kinderen

Veelal wordt geschonken aan kinderen. Hiervoor gelden dan ook de meeste vrijstellingen, die ook voor 2026 zijn geïndexeerd. U mag aan ieder kind in 2026 € 6.908 belastingvrij schenken (2025: € 6.713). 

Verhoogde vrijstellingen

Er geldt ook een tweetal eenmalig verhoogde vrijstellingen voor schenkingen van ouders aan hun kinderen. Zo mogen ouders in 2026 aan ieder kind in de leeftijd tussen de 18 en 40 jaar – uiterlijk op de 40e verjaardag – eenmalig een bedrag van € 33.129 (2025: € 32.195) schenken.

Let op! Als u dit eenmalig verhogde bedrag in 2026 schenkt, mag u uw kind niet ook nog het bedrag van € 6.908 belastingvrij schenken.

Volgt uw kind een dure studie? Dan mag u eenmalig een bedrag van € 69.009 (2025: € 67.064) aan uw kind tussen 18 en 40 jaar schenken ter financiering hiervan. Aan deze schenking is een aantal voorwaarden verbonden. Onder meer moet de studie minstens € 20.000 per jaar kosten, exclusief de kosten van het levensonderhoud. U moet de schenking notarieel vastleggen. Ook moet u aannemelijk kunnen maken dat de schenking daadwerkelijk voor de studie gebruikt is. 

Let op! Ook hier geldt dat als u dit bedrag schenkt, u uw kind in dat jaar niet ook nog het bedrag van € 6.908 belastingvrij mag schenken.

Let op! U mag de verhoogde vrijstellingen alleen gebruiken als er in het verleden niet eerder gebruikgemaakt is van een verhoogde vrijstelling. Dit geldt ook voor de verhoogde vrijstelling die enige jaren gold ten behoeve van een eigen woning.

Schenkingen aan anderen

Schenkt u een bedrag aan een ander dan uw kind, bijvoorbeeld aan uw kleinkind, dan bedraagt de vrijstelling in 2026 € 2.769 (2025: € 2.690).

Let op! Alle genoemde vrijstellingen gelden per kalenderjaar.

Meer schenken dan vrijgesteld?

Schenkt u meer dan de genoemde bedragen, dan betalen uw kinderen in 2026 10% belasting over een bedrag tot € 158.669 (2025: € 154.197). Over het meerdere betalen ze 20% belasting. Kleinkinderen en verdere afstammelingen betalen 18% belasting over een bedrag tot € 158.669 en 36% over het meerdere. Voor alle anderen bedraagt het tarief 30% tot € 158.669 en 40% over het meerdere. 

Ook vrijstellingen erfbelasting geïndexeerd

Naast de bedragen van de vrijstellingen in de schenkbelasting, zijn ook de vrijgestelde bedragen in de erfbelasting verhoogd als gevolg van de jaarlijkse indexatie. Dit levert de onderstaande vrijstellingen op:

   2025  2026
 Vrijstelling partner  € 804.698  € 828.035 
 Vrijstelling invalide kind  € 76.453  € 78.671 
 Vrijstelling (klein)kinderen  € 25.490  € 26.230 
 Vrijstelling ouder  € 60.359  € 62.110 

Let op! Het tarief in de erfbelasting is gelijk aan het tarief in de schenkbelasting.

Wijziging per 2026

Met betrekking tot bovenstaande vrijstellingen is van belang dat kinderen die geen juridische band hebben met hun biologische ouder gelijkgesteld worden aan kinderen die deze band wel hebben. Over schenkingen en erfenissen van hun biologische, maar niet juridische ouder, gelden voortaan dus dezelfde vrijstellingen.

Door |2026-01-27T20:16:15+01:005 januari 2026|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Wat mag u in 2026 belastingvrij schenken?
  • Hoger griffierecht per 1 januari 2026

Hoger griffierecht per 1 januari 2026

Het griffierecht wordt per 1 januari 2026 verhoogd met 2,94%. De verhoging wordt op hele euro’s afgerond. De verhoging vloeit voort uit de jaarlijkse indexatie met de consumentenprijsindex.

Griffierecht

Wie in belastingzaken een beschikking van de inspecteur bij de rechter wil aanvechten, is in beginsel griffierecht verschuldigd. Dit is onder meer het geval als u in beroep gaat tegen een afgewezen bezwaarschrift, of bij hoger beroep bij het gerechtshof of cassatie bij de Hoge Raad. 

Let op! Voor het aantekenen van bezwaar hoeft geen griffierecht betaald te worden.

Nieuwe tarieven voor instellen beroep

Natuurlijke personen die beroep aantekenen, moeten voor de meeste belastingen vanaf 1 januari 2026 € 54 griffierecht betalen, ofwel € 1 meer dan nu. Voor sommige belastingen, waaronder de btw en mrb, wordt het tarief € 200 in plaats van € 194 nu. Voor rechtspersonen, zoals een bv of stichting, geldt voor alle belastingsoorten een tarief van € 397, ofwel € 12 meer dan nu.

Nieuwe tarieven voor hoger beroep en cassatie

Natuurlijke personen die hoger beroep instellen bij een gerechtshof of in cassatie gaan bij de Hoge Raad, betalen vanaf 1 januari 2026 voor de meeste belastingen een griffierecht van € 147, ofwel € 4 meer dan nu. Voor enkele belastingen geldt voor hen vanaf 2026 een hoger griffierecht van € 297, ofwel € 8 meer dan in 2025. Voor rechtspersonen geldt bij alle belastingen bij hoger beroep en cassatie vanaf 2026 een griffierecht van € 596, € 17 meer dan nu.

Let op! Voor onvermogenden geldt een vrijstelling van de betaling van griffierecht.

Restitutie indien gelijk

U krijgt het betaalde griffierecht terug als u de zaak wint. Ook krijgt u dan in de regel een vergoeding voor gemaakte proceskosten, zoals de kosten van een adviseur. Deze vergoeding is gebaseerd op forfaitaire bedragen. Deze zijn afhankelijk van de verrichte inspanningen en de zwaarte van de zaak. Een vergoeding dekt meestal maar een deel van de kosten. Ook deze vergoedingen worden per 1 januari 2026 met 2,94% verhoogd.

Door |2026-01-27T20:16:18+01:0030 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Hoger griffierecht per 1 januari 2026
  • Lagere waarde bedrijfsdeel pand vanwege duurzame zelfbewoning?

Lagere waarde bedrijfsdeel pand vanwege duurzame zelfbewoning?

Als u voor uw onderneming in de inkomstenbelasting gebruikmaakt van een gedeelte van een pand, terwijl u in het andere deel woont, kunt u het bedrijfsdeel over het algemeen als ondernemingsvermogen aanmerken. Bij staking van uw onderneming gaat het bedrijfsdeel dan over naar privé en moet u hierover fiscaal afrekenen.

Mag dan bij de waardebepaling hiervan rekening worden gehouden met een lagere waarde vanwege duurzame bewoning? En zo ja, in welke mate?

Fysiotherapeut stopt ermee

In een zaak die speelde voor rechtbank Noord-Holland kwam deze vraag aan de orde bij de aangifte van een fysiotherapeut die zijn bedrijf gestaakt had. Hij voerde zijn praktijk vanuit het bedrijfsdeel van een woon-bedrijfspand, die hij als ondernemingsvermogen had aangemerkt. Bij het staken van zijn bedrijf ging dit bedrijfsdeel over naar privé en moest hij fiscaal afrekenen over het verschil tussen de werkelijke waarde en de boekwaarde van het bedrijfsdeel. Bij de berekening van de werkelijke waarde had hij met lagere waarde vanwege duurzame zelfbewoning van het bedrijfsdeel rekening gehouden. 

De Belastingdienst accepteerde die lagere waarde niet, omdat het bedrijfsdeel alleen gebruikt werd voor ondernemingsactiviteiten en niet voor duurzame zelfbewoning.

Duurzame zelfbewoning van het bedrijfsdeel?

De rechtbank stelde om te beginnen vast dat de bewijslast dat er sprake is van een lagere waarde door duurzame zelfbewoning, bij de fysiotherapeut lag. Verder stelde de rechtbank dat volgens eerdere rechtspraak het bedrijfsdeel voor de overgang naar privé al duurzaam bewoond moet zijn.

De fysiotherapeut moest dus aannemelijk maken dat ook het bedrijfsgedeelte al voor de staking van zijn onderneming duurzaam door hem bewoond werd. Dat deed hij onder meer door aannemelijk te maken dat het bedrijfsgedeelte niet afzonderlijk kon worden verhuurd of verkocht, zonder vergaande afbreuk te doen aan het woongenot van het woongedeelte. Het praktijkgedeelte van het pand had daarnaast weliswaar een eigen opgang, maar had geen eigen sanitair of aansluitingen voor gas en elektra. Ook was er slechts een dunne scheidingswand met het privégedeelte aanwezig en bevond zich hierin een doorgang. Tot slotvormde het pand één kadastraal geheel, zodat het bedrijfsdeel niet zelfstandig verkocht kon worden.  

Ja, dus lagere waarde

De rechtbank stelde op grond van de argumenten en aangevoerde feiten door de fysiotherapeut vast, dat het pand na staking uitsluitend voor privédoeleinden bestemd was. De conclusie luidde dan ook dat met de duurzame zelfbewoning rekening moest worden gehouden bij de waardebepaling van het bedrijfsdeel.

Bedrijfsdeel geen ondernemingsvermogen?

De Belastingdienst probeerde het nog wel over een andere boeg. De rechtbank ging echter niet mee met de stelling van de inspecteur dat het bedrijfsdeel ten onrechte tot het ondernemingsvermogen was gerekend. De rechtbank gaf aan dat over het algemeen de wil van belastingplichtige beslissend is om een gemengd pand al dan niet (deels) tot het ondernemingsvermogen te rekenen, tenzij dit de redelijkheid te buiten gaat. Dit was hier niet het geval.

Hoeveel lagere waarde?

De rechtbank besloot vervolgens de waardevermindering vanwege duurzame zelfbewoning vast te stellen op 15%, zich baserend op een goedkeurend besluit van de Belastingdienst uit 2018. De waarde van het praktijkdeel werd overeenkomstig deze vermindering vastgesteld. 

Door |2026-01-27T20:16:16+01:0030 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Lagere waarde bedrijfsdeel pand vanwege duurzame zelfbewoning?
  • Normbedrag gebruikelijk loon dga in 2026 naar € 58.000

Normbedrag gebruikelijk loon dga in 2026 naar € 58.000

Een dga die werkt voor zijn eigen bv moet een gebruikelijk loon genieten uit zijn bv. Het normbedrag binnen de gebruikelijkloonregeling stijgt per 2026 naar € 58.000.

Gebruikelijkloonregeling

De gebruikelijkloonregeling geldt voor elke aandeelhouder met een aanmerkelijk belang in een bv die ook werkzaamheden verricht voor die bv.

Let op! Verricht uw fiscale partner ook werkzaamheden voor de bv, dan moet ook voor uw partner een gebruikelijk loon in aanmerking worden genomen.

Hoogte gebruikelijk loon

Het gebruikelijk loon bedraagt in 2026 het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:

  • het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, of
  • het loon van de meestverdienende werknemer in uw bv of verbonden bv’s, of
  • € 58.000.

Het normbedrag voor het gebruikelijk loon is in 2026 € 2.000 hoger dan in 2025 toen dit nog € 56.000 bedroeg.

Tip! Komt het berekende loon hoger uit dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking? Dan mag u uw gebruikelijk loon vaststellen op dat lagere loon. De discussie met de Belastingdienst hierbij zal met name gaan over de vraag of het door u gestelde loon inderdaad het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking is.

Door |2026-01-27T20:16:17+01:0030 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Normbedrag gebruikelijk loon dga in 2026 naar € 58.000
  • Hoogte transitievergoeding bij eerdere ontslagname door werknemer

Hoogte transitievergoeding bij eerdere ontslagname door werknemer

De hoogte van de transitievergoeding is mede afhankelijk van de duur van de beëindigde arbeidsovereenkomst. Voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd is een derde van het brutomaandsalaris verschuldigd. Is dat altijd het geval?

Een casus

Bij het bepalen van de hoogte van de transitievergoeding dient onder meer gekeken te worden naar eerdere dienstverbanden als deze zes maanden of korter geleden zijn beëindigd. In een aan de Hoge Raad voorgelegde zaak, ging het om een werknemer die door de werkgever binnen zes maanden na diens ontslagname was teruggevraagd. Er was vervolgens een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen partijen gesloten. Naar de letter van de wet telt dan het oude dienstverband mee. 

De nieuwe arbeidsovereenkomst werd later door de kantonrechter ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsrelatie (de zogenaamde g-grond). De werknemer was het vervolgens niet eens met de berekening van de transitievergoeding.

Wat oordeelt de Hoge Raad?

De Hoge Raad oordeelt echter dat het meenemen van het eerdere dienstverband, beëindigd door de werknemer zelf, niet overeenkomstig de geest van de wet is zoals deze naar voren komt uit de parlementaire stukken en de wet dus niet zo moet worden uitgelegd. 

Volgens de Hoge Raad brengt een redelijke wetsuitleg mee dat eerdere arbeidsovereenkomsten die zijn beëindigd op initiatief van de werknemer – zonder dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever – niet worden meegerekend bij de toepassing van de wet, waar het gaat om de samentelling van dienstverbanden ter bepaling van de hoogte van de transitievergoeding. 

In deze casus hoefde de werkgever bij het vaststellen van een transitievergoeding dus niet de eerdere arbeidsovereenkomst mee te rekenen in de uiteindelijke transitievergoeding.

Door |2026-01-27T20:16:17+01:0030 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Hoogte transitievergoeding bij eerdere ontslagname door werknemer
  • Te korte termijn voor hoorgesprek onacceptabel

Te korte termijn voor hoorgesprek onacceptabel

Als u het met een belastingaanslag niet eens bent, kunt u bezwaar aantekenen. Voordat de inspecteur op uw bezwaar beslist, stelt hij u in de gelegenheid over uw bezwaar te worden gehoord. De inspecteur dient u van deze mogelijkheid op de hoogte te stellen. De termijn hiervoor moet redelijk zijn en niet te kort. Wanneer is sprake van ‘te kort’? Een casus.

Let op!Een hoorgesprek hoeft niet plaats te vinden als u verklaart ervan af te willen zien of als u niet binnen een redelijke termijn verklaart ervan gebruik te willen maken.

Inspecteur stelt te korte termijn

In een zaak die onlangs tot aan de Hoge Raad werd uitgevochten, ging het om de vraag of de door de inspecteur gestelde termijn voor het hoorgesprek te kort was. In deze zaak hadden eerst de belastingplichtige en daarna de inspecteur een eerdere afspraak over het hoorgesprek geannuleerd. 

De inspecteur stelde daarop een nieuwe termijn voor een hoorgesprek vast, maar het hoorgesprek moest dan al vier of vijf dagen later plaatsvinden. Tussen de verzenddatum van de uitnodigingbrief en de genoemde termijnen lag bovendien een weekend. Omdat hierop niet werd gereageerd, werd het bezwaar door de inspecteur afgewezen.

Hoge Raad: termijn onaanvaardbaar kort

De belastingplichtige stelde dat de termijn voor het hoorgesprek te kort was. Hij kreeg van de rechtbank en het gerechtshof geen gelijk, maar in cassatie van de Hoge Raad wel. Die noemde de door de inspecteur gestelde termijn onaanvaardbaar kort. 

Redenen niet van belang

De inspecteur had gesteld dat hij de eerdere afspraak voor het hoorgesprek had geannuleerd, omdat hij in afwachting was van nadere informatie over het geschil. De Hoge Raad vond dit niet van belang. Dat de zaak al langere tijd speelde en dat de belastingplichtige dus genoeg tijd had gehad zich op het hoorgesprek voor te bereiden, was in de ogen van de Hoge Raad evenmin een argument een dermate korte termijn te stellen. Dat gold ook voor het feit dat de inspecteur gedwongen was op korte termijn op het bezwaar te beslissen, omdat anders een dwangsom verschuldigd zou zijn.

De Hoge Raad besliste dan ook dat de inspecteur opnieuw uitspraak moest doen op het bezwaar.

Door |2026-01-27T20:16:20+01:0029 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Te korte termijn voor hoorgesprek onacceptabel