Hoge Raad

Kan bij rechtsherstel box 3 de partnerverdeling nog worden aangepast?

Als de Belastingdienst rechtsherstel heeft geboden in box 3 naar aanleiding van de massaalbezwaarprocedure inzake box 3, kunnen fiscale partners dan nog verzoeken om hun box 3-inkomen anders te verdelen? Rechtbank Den Haag heeft de Hoge Raad hierover vragen gesteld.

Massaalbezwaarprocedure

Overheid

Op 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement.

Voor de aanslagen inkomstenbelasting vanaf 2017 liep een massaalbezwaarprocedure. Alle bezwaarschriften die waren aangewezen als massaal bezwaar werden in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Door de collectieve uitspraak kwamen alle aanslagen onherroepelijk vast te staan. Tegen een dergelijke uitspraak is dan ook geen beroep bij de rechtbank meer mogelijk.

Wijzigingen verdeling box 3-inkomen

Fiscale partners kunnen onder meer hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. Willen ze deze verdeling later nog wijzigen, dan is dit mogelijk tot het moment waarop de beide aanslagen onherroepelijk vaststaan.

Nu de aanslagen uit de massaalbezwaarprocedure op 4 februari 2022 onherroepelijk vast kwamen te staan, lijkt het wettelijk niet meer mogelijk om de verdeling van het box 3-inkomen na die tijd te wijzigen.

De Belastingdienst stuurde echter ná 4 februari 2022 pas de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. Naar aanleiding hiervan zou in bepaalde situaties een andere verdeling van het box 3-inkomen optimaler kunnen zijn. De Belastingdienst staat echter een andere verdeling niet meer toe, omdat de aanslagen onherroepelijk vast zijn komen te staan.

Vragen rechtbank aan Hoge Raad

Rechtbank Den Haag twijfelt aan het standpunt van de Belastingdienst, onder meer omdat op 4 februari 2022 de rechtsgevolgen van de collectieve uitspraak nog niet vaststonden. De nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen werden immers pas ná die tijd door de Belastingdienst aangereikt.

Om zo snel mogelijk definitief duidelijkheid te krijgen, heeft de rechtbank daarom besloten de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen:

  1. Kan de verdeling van het box 3-inkomen nog gewijzigd worden als een aanslag onherroepelijk is komen vast te staan na een collectieve uitspraak op bezwaar als op dat moment de rechtsgevolgen van die uitspraak nog niet duidelijk zijn?
  2. 2. Zo ja, tot wanneer kunnen fiscale partners dan een verzoek tot wijziging doen?

Let op! Is het in jouw situatie optimaler om te kiezen voor een andere verdeling van het box 3-inkomen? Doe dan zo spoedig mogelijk samen met jouw fiscale partner een verzoek daartoe. Mogelijk kan later door de Belastingdienst aan dit verzoek tegemoetgekomen worden. Een en ander zal afhankelijk zijn van de antwoorden van de Hoge Raad.

Door |2025-07-04T16:12:42+02:004 juli 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Kan bij rechtsherstel box 3 de partnerverdeling nog worden aangepast?

Schoonmakers via Helpling kwalificeren als uitzendkracht

De Hoge Raad heeft bepaald dat schoonmakers die via het inmiddels failliete online platform Helpling hun diensten aanboden, kwalificeerden als uitzendkracht. Er was geen sprake van een arbeidsovereenkomst.

Feiten

Juridisch

De FNV had samen met een schoonmaker die via Helpling diensten aanbood, een procedure aangespannen tegen het online platform Helpling. Helpling was een online platform voor schoonmaakwerkzaamheden. In deze procedure werd de rechter verzocht te bepalen of er sprake was van een reguliere arbeidsovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers.
Mocht de rechter daar niet in meegaan, dan werd verzocht te bepalen of sprake was van een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers. Helpling daarentegen, was van mening dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen de huishoudens en de schoonmakers.

Hoe werkte het platform?

Een schoonmaker kon zich via de website van Helpling aanmelden voor schoonmaakwerkzaamheden. De schoonmaker kon daarbij zelf aangeven tegen welk uurtarief hij wilde werken. Helpling liet vervolgens aan huishoudens die op zoek waren naar een schoonmaker via het platform zien welke schoonmakers beschikbaar waren. Het huishouden deed vervolgens een boekingsverzoek, waarna bij acceptatie hiervan door de schoonmaker de boeking feitelijk tot stand kwam. Helpling verzorgde via een speciale betaaldienst de betalingen aan de schoonmakers en rekende een provisie van minimaal 23% en maximaal 32%.

Er golden voor de huishoudens en voor de schoonmakers verschillende door Helpling opgestelde algemene voorwaarden, waarmee ze akkoord moesten gaan.

Oordeel gerechtshof

Eerder oordeelde het gerechtshof al dat er tussen Helpling en de schoonmakers een uitzendovereenkomst bestond, en er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De huishoudens waren daarbij de inleners. Tegen deze uitspraak stelden zowel Helpling als de FNV beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, omdat ze het niet eens waren met de kwalificatie uitzendovereenkomst.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad heeft – in afwijking van het advies van de Advocaat Generaal – geoordeeld dat er inderdaad sprake was van een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers. Noch uit de wetsgeschiedenis noch uit het stelsel van de wet volgt dat de terbeschikkingstelling van een uitzendkracht uitsluitend kan plaatsvinden in het kader van het beroep of bedrijf van de inlener. Er is voldaan aan de criteria van een uitzendovereenkomst, namelijk dat de huishoudens als inlenende partij het toezicht en de leiding uitoefenden en dat Helpling de formele gezagsrelatie had en de betalingen beheerde. Dit laatste maakt dat er ook geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen de schoonmakers en de huishoudens.

Door |2025-04-29T13:24:17+02:0029 april 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Schoonmakers via Helpling kwalificeren als uitzendkracht

Hoge Raad doet uitspraak over extern ondernemerschap

In het Deliveroo-arrest heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de vraag wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst. De Raad heeft geantwoord dat gekeken moet worden naar diverse omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang. Het gaat dus om een zogeheten holistische toets. Voor de kwalificatievraag is de bedoeling van partijen niet van belang.

Waar moet op worden gelet?

Handen schudden

De holistische toets betreft dus het kijken naar de diverse omstandigheden. Het gaat daarbij om:

  1. de aard en duur van de werkzaamheden;
  2. de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;
  3. de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;
  4. het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;
  5. de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen;
  6. de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;
  7. de hoogte van deze beloningen;
  8. de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt;
  9. de vraag of degene die de werkzaamheden verricht, zich als ondernemer gedraagt, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, het aantal opdrachtgevers, en de duur van de opdrachten.

Geen rangorde

De Hoge Raad heeft in genoemd Deliveroo-arrest geen rangorde aangebracht in deze omstandigheden. Momenteel is hierover een wetsvoorstel in voorbereiding. De Hoge Raad ziet nu in de recente Uber-zaak evenmin een reden voor het aanbrengen van een rangorde. Niet één aspect is dus bepalend. Zelfs als iemand zich vrijelijk mag laten vervangen door een ander, wat duidt op zelfstandigheid, kan het, vanwege alle andere aspecten, nog steeds een arbeidsovereenkomst zijn.

Ondernemerschap

Dit houdt in de praktijk dus in dat hetzelfde werk, voor dezelfde opdrachtgever, voor iemand met
‘ondernemerschap’ geen arbeidsovereenkomst is, en voor iemand zonder ‘ondernemerschap’ wel.

Het begrip ‘ondernemerschap’ ziet op de algemene (ondernemers)situatie van de werkende, en kan dus ook betrekking hebben op omstandigheden buiten de specifieke verhouding tussen de werkende en zijn opdrachtgever.

Door |2025-02-26T08:53:58+01:0026 februari 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Hoge Raad doet uitspraak over extern ondernemerschap

Hoge Raad: opstarttijd kwalificeert als werktijd

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de tien minuten die een callcentermedewerker voorafgaand aan zijn werktijd aanwezig moest zijn, moet worden gezien als betaalde werktijd. Deze uitspraak is in navolging van het advies van de Advocaat-Generaal, de adviseur van de Hoge Raad.

Feiten

Typen

In deze zaak ging het om een werknemer van een callcenter die tien minuten voor aanvang van zijn dienst aanwezig moest zijn. Er was discussie ontstaan over de vraag of de werknemer volgens de bij de werkgever van toepassing zijnde Planningsregels verplicht was om tien minuten voor aanvang van een ingeroosterde dienst aanwezig te zijn en om voorbereidende werkzaamheden te verrichten.

Inlogtijd is arbeidstijd

De werknemer was van oordeel dat het hier arbeidstijd betrof en dat die dus ook beloond moest worden. Zijn werkgever was het hier niet mee eens. Zowel de rechter als het hof stelden de werknemer eerder in het gelijk. Daardoor moest zijn werkgever hem het achterstallige loon uitbetalen. Die compensatie had betrekking op de periode van september 2016 tot mei 2021.

Hoge Raad

Inmiddels oordeelt de Hoge Raad – in navolging van de kantonrechter en het gerechtshof – dat het hier inderdaad gaat om tijd die niet ter vrije beschikking staat van de werknemer en dat deze tijd dus aangemerkt moet worden als arbeidstijd. De werknemers moesten immers vooraf aanwezig zijn om te kunnen inloggen, zodat ze precies op tijd konden aanvangen met hun werkzaamheden.

Let op! Als je als werkgever eist dat jouw werknemer eerder aanwezig is om voorbereidende handelingen te verrichten, kwalificeert dat dus als arbeidstijd die verloond moet worden.

Door |2024-09-26T14:34:05+02:0026 september 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Hoge Raad: opstarttijd kwalificeert als werktijd

Voor wie geldt rechtsherstel box 3 met werkelijk rendement

De staatssecretaris heeft de doelgroepen bekendgemaakt die straks een beroep kunnen doen op de recente box 3-arresten van de Hoge Raad. Val je onder een van deze doelgroepen?

Recente box 3-arresten Hoge Raad

Geld

In de recente arresten oordeelde de Hoge Raad dat je in box 3 het  – door de Hoge Raad gedefinieerde – werkelijke rendement in aanmerking mag nemen als dit lager is dan het wettelijke forfaitaire rendement. De Hoge Raad gaf daarbij aanwijzingen over hoe het werkelijke rendement berekend moet worden. De staatssecretaris gaf in juli en september 2024 een nadere invulling hieraan.

Tegenbewijsregeling

De staatssecretaris geeft aan dat hij de wijze waarop het werkelijke rendement volgens de methodiek van de Hoge Raad moet worden berekend nu heeft ingevuld. De invulling wordt in een wetsvoorstel opgenomen dat naar verwachting in het eerste kwartaal 2025 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Met dit wetsvoorstel ontstaat er een wettelijke tegenbewijsregeling als het werkelijke rendement in box 3 – berekend volgens de methodiek van de Hoge Raad – lager is dan het forfaitaire rendement. Beoogd is om de wet per 1 juni 2025 in te laten gaan.

Kom je in aanmerking voor de tegenbewijsregeling?

De staatssecretaris heeft ook bekendgemaakt wie er in aanmerking kan komen voor de tegenbewijsregeling.

  1. Voor de belastingjaren vanaf 2021 komt elke belastingplichtige in aanmerking voor de tegenbewijsregeling.
  2. Voor het belastingjaar 2020 kom je alleen in aanmerking als jouw definitieve aanslag op 21 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond (of op dat moment nog opgelegd moest worden) én je in de periode tot eind 2025 een verzoek om ambtshalve vermindering doet (of dat al heeft gedaan).
  3. Voor het belastingjaar 2019 geldt hetzelfde als voor 2020, met het verschil dat het verzoek om ambtshalve vermindering nog maar tot uiterlijk eind 2024 mogelijk is.
  4. Voor de belastingjaren 2018 en 2017 kom je alleen in aanmerking voor de tegenbewijsregeling als jouw definitieve aanslag meeliep in de massaalbezwaarprocedure of ontvangen is ná het kerstarrest. Daarnaast moet je ook voor het belastingjaar 2018 uiterlijk 31 december 2023 én voor het belastingjaar 2017 uiterlijk 31 december 2022 een verzoek om ambtshalve vermindering hebben ingediend.

Let op! Het feit dat je in aanmerking komt voor de tegenbewijsregeling betekent niet dat straks per definitie jouw box 3-aanslag verminderd wordt. Hiervoor moet jouw werkelijke rendement lager zijn dan het forfaitaire rendement. Houd er rekening daarbij mee dat wat je wellicht verstaat onder werkelijk rendement anders is dan de invulling die de Hoge Raad daaraan gaf in de recente box 3-arresten.

Actie?

Je kunt nu nog geen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Deze moet eerst nog in een wetsvoorstel worden opgenomen en daarna door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen. De beoogde inwerkingtreding is 1 juni 2025 en waarschijnlijk kun je pas vanaf dat moment in actie komen.

Let op! In sommige gevallen moet je toch al eerder in actie komen. Overleg daarom altijd met onze adviseurs als jouw een definitieve aanslag ontvangt. Mogelijk is het verstandig om jouw rechten veilig te stellen en tijdig bezwaar te maken tegen de aanslag. Ook kan het nog nodig zijn om uiterlijk 2024 een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen tegen jouw onherroepelijk vaststaande aanslag 2019. Overleg ook daarover met onze adviseurs.

Door |2024-09-25T09:35:02+02:0025 september 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Voor wie geldt rechtsherstel box 3 met werkelijk rendement

Nadere invulling werkelijk rendement box 3

In de recente arresten oordeelde de Hoge Raad dat je in box 3 het werkelijke rendement in aanmerking mag nemen als dit lager is dan het wettelijke forfaitaire rendement. De staatssecretaris gaf onlangs een nadere invulling van wat in dit verband onder werkelijk rendement wordt verstaan.

Werkelijk rendement

Juridisch

In de recente arresten gaf de Hoge Raad aanwijzingen hoe het werkelijke rendement berekend moet worden. Wat behoort wel tot jouw werkelijke rendement en wat niet? Ondanks de aanwijzingen van de Hoge Raad, is helaas nog niet alles duidelijk. De staatssecretaris gaf in juli 2024 al een eerste invulling aan het begrip werkelijk rendement en vulde dat onlangs nog aan.

Aanwijzingen Hoge Raad

In de arresten gaf de Hoge Raad al aan dat het gaat om het werkelijk gerealiseerde én ongerealiseerde rendement op jouw gehele vermogen in box 3 zonder aftrek van het heffingsvrije vermogen. Het gaat om het nominale rendement, met inflatie mag geen rekening worden gehouden. Aftrek van kosten is niet mogelijk. Alleen rente van schulden in box 3 zijn aftrekbaar. Verder gaf de Hoge Raad de aanwijzing dat de bepaling van het werkelijke rendement van een woning plaatsvindt op basis van de WOZ-waarde aan het begin en aan het einde van een jaar.

Eerste invulling staatssecretaris

De staatssecretaris gaf in juli van dit jaar al een eerste invulling aan het werkelijke rendement, dit in aanvulling op de aanwijzingen van de Hoge Raad. Zo gaf de staatssecretaris aan dat het rendement op vrijgesteld vermogen (bijvoorbeeld bos- en natuurterreinen) niet tot het werkelijke rendement behoort en dat het rendement in aanmerking moet worden genomen op het moment dat het is ontvangen (het zogenaamde kasstelsel).

Nadere invulling staatssecretaris

Onlangs gaf de staatssecretaris nóg een nadere invulling aan het werkelijke rendement.

Zo vindt hij dat het eigen gebruik van een onroerende zaak ook onderdeel is van het werkelijke rendement. Dit werkelijke rendement kan bepaald worden op de huurprijs die onder normale omstandigheden bedongen kan worden, aldus de staatssecretaris.

Bij aan- en verkoop van woning gedurende het jaar wordt voorgesteld om de waardeontwikkeling op basis van de WOZ-waarden tijdsevenredig tussen koper en verkoper te verdelen. Bedraagt de waardeontwikkeling op basis van de WOZ-waarden in een jaar bijvoorbeeld € 40.000, dan wordt bij verkoop op 1 juli € 20.000 aan de verkoper en € 20.000 aan de koper toegerekend.

De staatssecretaris doet op het gebied van rente van schulden een handreiking. Hierbij hoeft geen rekening te worden gehouden met de in het forfaitaire stelsel toegepaste schuldendrempel (in 2024 € 3.700). Alle rente van schulden in box 3 kunnen daarom in mindering komen op het werkelijke rendement.

Tot slot stelt hij voor om de vrijstelling groene beleggingen pro rata te berekenen. Bij een vrijstelling van bijvoorbeeld € 30.000 en een stand van de groene beleggingen op 1 januari van € 60.000, mag op het werkelijke rendement van de groene beleggingen een vrijstelling van 50% worden toegepast.

En nu?

Vooralsnog hoef je over het algemeen nog niet in actie te komen. De staatssecretaris wil het een en ander namelijk eerst nog in wetgeving opnemen, waarmee met een beoogde inwerkingtreding op 1 juni 2025, een wettelijke tegenbewijsregeling ontstaat. Ook het al eerder aangekondigde formulier opgaaf werkelijk rendement (OWR) waarmee je straks jouw werkelijk rendement kunt opgeven is waarschijnlijk pas in juni 2025 beschikbaar.

Let op! Als je een definitieve aanslag ontvangt, overleg dan altijd met onze adviseurs of het verstandig is om jouw rechten veilig te stellen en tijdig bezwaar te maken daartegen. Ook kan het nog nodig zijn om uiterlijk 2024 een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen tegen jouw onherroepelijk vaststaande aanslag 2019. Overleg ook daarover met onze adviseurs.

Door |2024-09-25T09:32:30+02:0025 september 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Nadere invulling werkelijk rendement box 3

Schenkkring voor AOV belast in box 3

Als alternatief voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) kunnen ondernemers deelnemen in een zogenaamde schenkkring. Hoe wordt volgens de Belastingdienst het aandeel van de ondernemer in de derdengeldenrekening van de schenkkring belast in box 3?

Schenkkring

Sparen

Een schenkkring vormt voor ondernemers een alternatief voor een AOV. De deelnemer van een schenkkring stort de verschuldigde bedragen hiervoor op een derdengeldenrekening die op naam staat van de schenkkring (over het algemeen een stichting). Elke deelnemer heeft een eigen kenmerk.

Arbeidsongeschikte deelnemers ontvangen een uitkering van de schenkkring. Deze uitkeringen verminderen de op derdengeldenrekening gestorte bedragen van alle deelnemers. De deelnemers hebben geen directe toegang tot hun aandeel in de derdengeldenrekening. Zij kunnen hun deelname wel beëindigen. Het overgebleven aandeel wordt dan naar de ex-deelnemer teruggestort.

Box 3

De Belastingdienst is van mening dat het aandeel van de deelnemer in een dergelijke schenkkring wordt aangemerkt als overige bezitting in box 3. Dit betekent dat hiervoor het hogere forfaitaire rendementspercentage (voor 2024 vastgesteld op 6,04%) geldt en niet het lagere percentage van banktegoeden (voor 2024 voorlopig vastgesteld op 1,03%).

Let op! Voor een aandeel in een derdengeldenrekening van een notaris of gerechtsdeurwaarder geldt vanaf 1 januari 2023 een uitzondering. Deze gelden worden wel aangemerkt als banktegoed. Voor andere derdengeldenrekeningen geldt deze uitzondering echter niet.

Tip! Er zijn misschien nog schenkkringen die niet werken met een derdengeldenrekening. In die gevallen storten de leden hun bijdragen op een zelf te openen bankrekening. De Belastingdienst geeft aan dat dergelijke rekeningen wel worden aangemerkt als banktegoed en dus niet als overige bezitting in box 3.

Lager werkelijk rendement?

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat als het werkelijke rendement in box 3 lager is dan het forfaitaire rendement, heffing in box 3 plaats kan vinden op basis van het werkelijke rendement. Of je een beroep hierop kunt doen, zal afhankelijk zijn van jouw overige box 3-vermogen.

Formulier OWR

Op dit moment wordt nog een formulier opgaaf werkelijk rendement (OWR) ontwikkeld, waarmee je straks (waarschijnlijk vanaf medio 2025) jouw werkelijke rendement kunt opgeven. Tot die tijd kunt je jouw werkelijke rendement nog niet doorgeven aan de Belastingdienst.

Let op! Ontvang je een definitieve aanslag inkomstenbelasting? Overleg dan met een van onze adviseurs of bezwaar maken zinvol is. Doe dit op tijd, want bezwaar maken moet binnen zes weken na dagtekening van de aanslag.

Door |2024-09-25T09:30:31+02:0025 september 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Schenkkring voor AOV belast in box 3

Hogere erfbelasting voor biologisch niet-erkend kind

De Hoge Raad heeft zich uitgesproken over de vraag hoe de erfbelasting wordt berekend voor een biologisch, maar niet erkend kind. Wordt dit kind behandeld als eigen kind met een hogere vrijstelling en lagere tarieven of als een derde met een lagere vrijstelling en hogere tarieven?

De casus

Geld

Bij de geboorte van het kind waren de moeder en biologische vader niet met elkaar getrouwd. De biologische vader heeft het kind daarna niet wettelijk erkend. Erkenning van het kind heeft later wel plaatsgevonden door de huwelijkspartner van de moeder. Tussen de biologische vader en het kind bestond wel een family life, wat onder meer bleek uit een door een rechtbank vastgestelde omgangsregeling. De biologische vader had het kind in zijn testament als erfgenaam benoemd.

Bij overlijden van de biologische vader erfde het kind. Het kind wilde hierbij een beroep doen op de vrijstelling (in 2024 € 25.187) en de tarieven (in 2024 10% en 20%) van een eigen kind. De Belastingdienst paste de vrijstelling (in 2024 € 2.658) en tarieven (in 2024 30% en 40%) van een derde toe. Het kind procedeerde hierover tot aan de Hoge Raad.

Oordeel Hoge Raad: geen eigen kind

De Hoge Raad oordeelt dat door de erkenning de moeder en de huwelijkspartner van de moeder juridisch de ouders van het kind zijn. Het is op dit moment niet mogelijk om meer dan twee juridische ouders te hebben. Het kind is door de biologische vader niet erkend. Het kind kan wettelijk gezien dan ook geen beroep doen op de vrijstelling en tarieven in de erfbelasting van een eigen kind.

Oordeel Hoge Raad: wel strijd met discriminatieverbod EVRM

De Hoge Raad oordeelt echter ook dat er strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 8 EVRM. Het onderscheid dat bestaat tussen een biologisch kind dat binnen het huwelijk geboren wordt en een biologisch kind dat niet erkend is maar waarmee wel een family life heeft bestaan, is in strijd met dit discriminatieverbod.

Geen rechtsherstel

De Hoge Raad biedt vervolgens geen rechtsherstel, maar oordeelt dat het opheffen van dit discriminatieverbod vooralsnog aan de wetgever moet worden overgelaten. Het opheffen van dit verschil vraagt namelijk keuzes die buiten de taak van de rechter liggen.

Maatschappelijke ontwikkelingen

De Hoge Raad wijst daarbij op maatschappelijke ontwikkelingen rond meerouderschap, meeroudergezag en draagmoederschap. Dit vraagt om verdergaande politieke keuzes over onder meer de familierechtelijke positie van buitenhuwelijkse kinderen.

Vervolg

Het kind uit deze casus krijgt geen gelijk. Hoewel de Hoge Raad meent dat strijd bestaat met het discriminatieverbod uit het EVRM, lost de Hoge Raad dit niet zelf op. De wetgever is nu aan zet, maar dat zal het kind uit de casus niet meer baten. Die betaalt erfbelasting met toepassing van de lagere vrijstelling en de hogere tarieven.

Tip! Heeft u een vergelijkbare situatie? Overleg dan met een van onze adviseurs.

Door |2024-09-19T08:42:28+02:0019 september 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Hogere erfbelasting voor biologisch niet-erkend kind
  • Kabinet verduidelijkt regels investeringsaftrek KIA

Kabinet verduidelijkt regels investeringsaftrek KIA

Het kabinet heeft de regels rond de investeringsaftrek voor kleinschalige investeringen (KIA) verduidelijkt. De verduidelijking vloeit voort uit een arrest van de Hoge Raad, waardoor ondernemers met buitenvennootschappelijke investeringen soms meer KIA ontvingen dan oorspronkelijk bedoeld was. De verduidelijking is met Prinsjesdag bekendgemaakt.

Soms meer KIA dan maximum
De KIA kent een maximum van €16.307, dat voor 2020 ligt bij een investeringsbedrag tussen €58.238 en €107.848. Door een recent arrest van de Hoge Raad kon in bepaalde situaties een hogere KIA verkregen worden dan dit maximum.

Deze situaties konden zich voordoen als er naast investeringen door een samenwerkingsverband, zoals een VOF, ook buitenvennootschappelijk geïnvesteerd werd. Het kabinet beperkt met de wijziging het voordeel dat in dergelijke situaties behaald wordt. De beperking ligt in lijn met de bedoeling van de wetgever, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis.

KIA per onderneming
Verder wordt verduidelijkt dat de KIA per onderneming moet worden berekend en toegepast. De Hoge Raad had namelijk enige ruimte gelaten voor een interpretatie dat dit niet zo zou zijn. Met deze wijziging maakt het kabinet ook aan deze onduidelijkheid een einde. Dit betekent dat een ondernemer die meerdere ondernemingen heeft, voor alle ondernemingen apart de KIA mag berekenen. Daardoor kan een ondernemer bijvoorbeeld in meerdere ondernemingen het maximum bedrag bereiken.

Voor- of nadelig?
Of de nieuwe regels voordelig of juist nadelig zijn voor jou, hangt af van de persoonlijke situatie. Hoe dan ook, met deze nieuwe regels is wel duidelijkheid gecreëerd. Bovendien staat nu buiten kijf dat bij meerdere ondernemingen de KIA per onderneming moet worden berekend.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2020-10-07T09:28:32+02:007 oktober 2020|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor Kabinet verduidelijkt regels investeringsaftrek KIA