• Boete mrb beperkt tot 25% bij schorsing auto

Boete mrb beperkt tot 25% bij schorsing auto

Wel gebruik?

Maakt u tijdens de schorsing toch gebruik van de openbare weg, dan kan dit bij controle een naheffing met boete opleveren. De boete bedraagt in principe 50% van het bedrag van de naheffing.

Fout komt eigenaar duur te staan

In een zaak die onlangs werd behandeld door gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, had de eigenaar van verschillende hobbyvoertuigen met een van de auto’s gereden waarvan het kenteken geschorst was. Volgens de eigenaar had hij zich vergist en was hij onbedoeld met een auto gaan rijden, waarvan hij ten onrechte dacht dat het kenteken niet geschorst was. Dit leverde hem een naheffing van € 1.379 op, met een boete van 100%.

Boete gematigd

Volgens de eigenaar dienden de naheffing en boete te worden gematigd, aangezien er sprake was van een vergissing en het, gelet op de omstandigheden, niet ging om belastingontwijking. De rechtbank ging hierin deels mee en achtte de naheffing terecht omdat er nu eenmaal van de openbare weg gebruik was gemaakt. De rechtbank vond wel dat de boete gematigd moest worden. 

Matiging tot 25%

De boete diende sowieso gematigd te worden tot 50%, aangezien dit per 1 juli 2023 via een aanpassing van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst zo was geregeld. De rechtbank vond echter een verdere matiging op zijn plaats, omdat er sprake was van een relatief zwaar voertuig. Dit resulteerde automatisch in een hoog bedrag aan naheffing en dus ook automatisch in een hoge boete. De rechtbank gaf aan niet in te kunnen zien waarom het gebruik van een auto met een hoger gewicht moet leiden tot een hogere boete en matigde de boete dan ook tot 25%.

Hof acht gewicht voor boete niet relevant 

De inspecteur was het met de verdere matiging van de boete tot 25% niet eens en legde de zaak voor aan het gerechtshof. Die laat de uitspraak in stand, maar tekent hier nadrukkelijk bij aan dat de boete passend en geboden is, zonder het gewicht van de auto in dit oordeel te betrekken. De inspecteur heeft de zaak nu voorgelegd aan de Hoge Raad.

 
Door |2026-06-24T13:01:02+02:0020 februari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Boete mrb beperkt tot 25% bij schorsing auto
  • Advieswijzer Overstappen naar een bv

Advieswijzer Overstappen naar een bv

Overstappen?

De vraag of – en zo ja wanneer – u er als mkb-ondernemer verstandig aan doet om over te stappen naar een bv is niet eenduidig te beantwoorden en hangt af van individuele factoren.  Van oudsher speelt de fiscaliteit hierbij een belangrijke rol, omdat de ondernemer in de inkomstenbelasting anders wordt belast dan de onderneming die onderneemt via een bv. Maar met name andere, niet-fiscale aspecten zullen vaak een rol spelen om over te stappen naar een bv.

Let op!De belasting in box 3 kan ook een rol spelen bij de beslissing om over te stappen naar de bv. In deze advieswijzer wordt op dit aspect verder niet ingegaan. Voor de belasting in box 3 wordt verwezen naar de advieswijzer die over dat onderwerp beschikbaar is.

Niet-fiscale aspecten

Niet-fiscale motieven om over te stappen naar een bv zijn onder meer de aansprakelijkheid en bedrijfsoverdracht/continuïteit van de onderneming.

Aansprakelijkheid

De ondernemer in een eenmanszaak is met zijn gehele privévermogen hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van zijn onderneming. Vennoten in een vof zijn ook met hun gehele privévermogen hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de vof. Maten in een maatschap zijn met hun gehele privévermogen voor een evenredig deel aansprakelijk voor alle schulden van de maatschap.

Bij het voeren van een onderneming vanuit een bv, is deze aansprakelijkheid niet aanwezig. Een voordeel van de bv is dat de aansprakelijkheid van de dga beperkt is tot het in de bv geïnvesteerde bedrag, oftewel de waarde van de aandelen. Formeel is de dga dus niet aansprakelijk voor de schulden van de bv, tenzij sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Dit is vaak een reden om de onderneming te voeren vanuit een bv.

Let op!In de praktijk komt het voor dat banken, bij het verstrekken van een financiering voor de bv, eisen dat de dga in privé meeondertekent. Wanneer de bv haar schulden niet meer kan betalen, worden deze dan toch verhaald op het privévermogen van de dga.

De aandeelhouder van een bv is wel aansprakelijk tot het bedrag van de storting op zijn aandelen. Is de aandeelhouder ook bestuurder, dan kan hij ook als bestuurder aansprakelijk worden gesteld bij onbehoorlijk bestuur. Daarbij is de aansprakelijkheid dan niet beperkt tot de storting op de aandelen. Ook kan bestuurdersaansprakelijkheid richting de Belastingdienst ontstaan bij het niet-nakomen van bepaalde verplichtingen, zoals het tijdig melden van betalingsonmacht.

Bedrijfsoverdracht/continuïteit

Bedrijfsoverdracht is over het algemeen gemakkelijker en (fiscaal) aantrekkelijker als de onderneming gedreven wordt vanuit een bv dan vanuit een eenmanszaak, vof of maatschap. Zo moeten bij overdracht vanuit een eenmanszaak alle activa en passiva apart overgedragen worden. Dit betekent bijvoorbeeld ook dat alle contracten en afspraken met leveranciers en afnemers opnieuw voorgelegd moeten worden. Bij een bv kan de bedrijfsoverdracht ook op deze wijze gebeuren, maar kan er ook gekozen worden voor overdracht van de aandelen, wat een stuk eenvoudiger is.

Voor bedrijfsoverdracht is een structuur met een holding en een werkmaatschappij (twee bv’s dus) het aantrekkelijkst. Op die manier kan de holding de aandelen in de werkmaatschappij verkopen en daarbij de deelnemingsvrijstelling toepassen.

Let op! Laat u over een bedrijfsoverdracht altijd goed adviseren. Zo kan ook in een bv-structuur bijvoorbeeld de keuze vallen op een overdracht van de activa en passiva in plaats van de overdracht van aandelen.

Fiscale aspecten

In het vervolg van deze advieswijzer gaan we vooral in op de fiscale aspecten. De keuze om over te stappen naar een bv zal echter altijd een afweging zijn tussen alle aspecten.

Het fiscale aspect van wel of niet overstappen naar een bv is de afgelopen jaren veranderd. Dit wordt vooral veroorzaakt door wijziging van het tarief in box 2 en de steeds verdere afbouw van ondernemersfaciliteiten in de inkomstenbelasting. In box 2 wordt de door de bv aan de dga uitgekeerde winst belast. In 2026 wordt de uitgekeerde winst tot een bedrag van € 68.843 belast tegen 24,5% en geldt over het meerdere een tarief van 31%. Omdat fiscale partners inkomsten in box 2 onderling mogen verdelen, is voor de belastingplichtige met een fiscaal partner het tarief van 24,5% van toepassing tot twee x € 68.843, ofwel € 137.686. Pas wanneer meer winst dan € 137.686 wordt uitgekeerd, geldt voor dga’s met een fiscaal partner een tarief van 31% over het meerdere. Door de twee tarieven van 31% en 24,5% is het volledig oppotten van de winst fiscaal minder aantrekkelijk. Over het algemeen zal de bv niet meer gebruikt worden – als dat al gebeurde – voor het volledig oppotten van alle overwinst. 

Winst

Winst belast in de IB-onderneming

Heeft u momenteel een eenmanszaak, maatschap of vof, dan betaalt u over de volledige winst het progressieve tarief van de inkomstenbelasting. Onbelast oppotten van winst is niet mogelijk. U heeft wel recht op een aantal ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling, die de belastingdruk beperken, maar die al jaren steeds verder worden afgebouwd.

Zelfstandigenaftrek

Een van de ondernemersfaciliteiten is de zelfstandigenaftrek. Dit is in 2026 een vaste aftrek van € 1.200. Voor de zelfstandigenaftrek is vereist dat u minstens 1.225 uur per jaar besteedt aan werkzaamheden voor uw bedrijf én dat dit meer dan de helft van het totaalaantal werkzame uren is. Dit wordt het urencriterium genoemd. Deze laatste eis geldt niet voor starters.

Let op!De zelfstandigenaftrek was eerst een veel hoger bedrag, maar wordt al jaren afgebouwd. Bedroeg de aftrek in 2021 nog € 6.670 per jaar, in 2026 bedraagt deze € 1.200 per jaar en vanaf 2027 € 900 per jaar.

Let op!Voor starters geldt in 2026 een extra zelfstandigenaftrek van € 2.123. Deze blijft vooralsnog ongewijzigd.

De zelfstandigenaftrek mag u in mindering brengen op de winst; in 2026 tegen maximaal het tarief van de tweede schijf van de inkomstenbelasting, te weten 37,56%. 

Mkb-winstvrijstelling

Een andere belangrijke faciliteit voor de ondernemer in de inkomstenbelasting is de mkb-winstvrijstelling. Deze vrijstelling houdt in dat 12,7% (2026) van uw winst onbelast blijft. Daar staat tegenover dat bij een verlies 12,7% van het verlies niet aftrekbaar is.Ook deze aftrek is in 2026 beperkt tot maximaal de tweede schijf van de inkomstenbelasting van 37,56%. Door de mkb-winstvrijstelling betaalt u maximaal 43,21% in plaats van 49,50% belasting over de behaalde winst (vóór aftrek van ondernemingsfaciliteiten).

Winst belast in de bv

In de bv betaalt u vennootschapsbelasting over – kort gezegd – de behaalde winst. Het aan de dga uitbetaalde loon is hierbij wel een aftrekpost. Over de eerste € 200.000 winst betaalt de bv in 2026 19% vennootschapsbelasting, over het meerdere 25,8%. Pas als de bv de winst die na belasting resteert, uitkeert aan de directeur-grootaandeelhouder (dga), moet de dga over hierover aanvullend inkomstenbelasting betalen in box 2 (zie hiervoor). Daardoor wordt de totale winst belast tegen 38,85 tot 48,80%. U bereikt dit tarief dus pas na uitkering van de winst en het moment hiervan bepaalt u zelf. Dit betekent dat het aantrekkelijk kan zijn om in de bv een deel van de winst op te potten en dit pas uit te keren zolang dit tegen het lage tarief van 24,5% mogelijk is. Zoals eerder aangegeven, is het daarbij ook van belang of u een fiscale partner heeft.

Een algemeen cijfervoorbeeld

Belasting in de IB

 Bij een winst van € 200.000 brengt u in de inkomstenbelasting eerst de zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling tot de maximale aftrek in mindering. U betaalt daardoor over € 173.552 belasting. Deze bedraagt € 79.034. Ook betaalt u € 3.851 inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw-premie), samen € 82.885.

Belasting in de bv
In de bv vermindert u de winst van € 200.000 eerst met het gebruikelijk loon van de dga. Stel dat dit gebruikelijk loon € 59.000 bedraagt. Hierover betaalt u als dga dan € 14.790 loonbelasting en € 2.862 Zvw-premie. Over het restant betaalt de bv 19% vennootschapsbelasting, ofwel € 26.790. Keert de bv de rest van de winst van € 114.210 uit aan u als dga, dan betaalt u hierover nog eens 24,5% belasting, ervan uitgaande dat u een partner heeft, ofwel € 27.981. Door de uitkering van deze winst verliest u wel uw algemene heffingskorting van € 1.872. In totaal betalen u en de bv in dit voorbeeld samen dus € 74.295 aan belasting als de winst direct wordt uitgekeerd. Dit is € 8.590 minder dan in de inkomstenbelasting.

Hierbij wordt opgemerkt dat als een hoger gebruikelijk loon in aanmerking moet worden genomen, het voordeel aanmerkelijk lager kan worden en zelfs om kan slaan in een hogere belasting in de bv dan in de inkomstenbelasting. Zo bedraagt bij een gebruikelijk loon van € 120.000 de inkomstenbelasting € 48.527 en de Zvw-premie € 3.851. De Vpb over het restant is dan € 15.200, waarna er € 64.800 winst uitgekeerd kan worden tegen een belasting van 24,5% (€ 15.876). De totale belasting van u en de bv bedraagt dan € 83.454, dus € 569 meer dan in de inkomstenbelasting.

Andere fiscale aandachtspunten bij een bv

Naast de rekensom of het financieel/fiscaal gezien interessant is om de overstap te maken naar een bv zijn er nog andere aspecten die van belang kunnen zijn:

  • De dga is een werknemer: gebruikelijkloonregeling en verzekeringsaspecten
  • Zakendoen met de bv
  • Overgang naar de bv: ruisend of geruisloos

Dga is werknemer

Anders dan de zelfstandig ondernemer wordt de dga voor de loonbelasting als werknemer gezien als hij werkzaamheden verricht voor de bv. Over het loon moet loonbelasting en Zvw-premie worden ingehouden Voor de sociale zekerheid wordt een dga doorgaans niet als werknemer beschouwd.

Gebruikelijk loon

De gebruikelijkloonregeling geldt voor iedereen die een zogenaamd aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap én die ook werkzaamheden verricht voor die vennootschap. Heeft u een bv, dan bent u als dga verplicht een minimumbedrag aan salaris uit de bv op te nemen.

Dit gebruikelijk loon moet in 2026 vastgesteld worden op het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:

  • het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het loon van de meestverdienende werknemer in uw bv of verbonden bv’s;
  • € 58.000.

Het gebruikelijk loon wordt belast in box 1, dus progressief.

Let op! Des te meer gebruikelijk loon u in aanmerking neemt dan wel in aanmerking moet nemen, des te minder u profiteert van het lage tarief van de vennootschapsbelasting van 19% en van het lage tarief in box 2 van 24,5% over de eerste € 68.843, respectievelijk € 137.686 als u een fiscaal partner heeft. Dat blijkt ook wel uit het voorbeeld dat hiervoor is gegeven.

Tip! De dga kan in beginsel tevens profiteren van de regelingen die ook voor andere werknemers gelden. Dit betreft met name kostenvergoedingen via de werkkostenregeling. Volgens deze regeling kan in 2026 2% van de fiscale loonsom tot € 400.000 en 1,18% over het meerdere van de loonsom daarboven besteed worden aan belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen.

Let op!! Kostenvergoedingen mogen alleen via de werkkostenregeling worden afgewikkeld als deze niet meer dan 30% afwijken van hetgeen in vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is. De beoordeling of iets voldoet aan deze gebruikelijkheidseis is niet altijd eenvoudig. Om discussie over elke euro met de Belastingdienst te voorkomen, kunt u gebruikmaken van de doelmatigheidsmarge van € 2.400. Tot een bedrag van maximaal € 2.400 per werknemer per jaar beschouwt de Belastingdienst de zaken namelijk in alle redelijkheid als gebruikelijk.

Lager gebruikelijk loon starters en verlieslijdende bv’s

In sommige situaties kunt u uitgaan van een lager loon dan het berekende gebruikelijk loon. Zo kunnen startende ondernemingen maximaal drie jaar van een lager loon uitgaan als de bv het gebruikelijk loon niet kan betalen door het opstarten van de onderneming. Houd er hierbij wel rekening mee dat de periode waarin u uw bedrijf al dreef als eenmanszaak van die maximale drie jaar moet aftrekken.

Ook als uw onderneming structureel zo veel verlies lijdt dat de continuïteit van uw onderneming in gevaar komt, kunt u van een lager loon uitgaan.

Tip! Bent u een startende onderneming of lijdt u zo veel verlies dat de continuïteit van uw onderneming in gevaar komt, neem dan contact met ons op voor de voorwaarden waaronder een lager loon mogelijk is.

Verzekeringsaspecten

Anders dan een gewone werknemer is de dga met een meerderheidsbelang in de bv in de regel niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Er is dan geen sprake van premieplicht. In dat geval moet de dga zichzelf dus verzekeren tegen onder meer arbeidsongeschiktheid. 

Let op! De regels of een dga wel of niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen kunnen met name bij meerdere aandeelhouders ingewikkeld zijn. Neem daarom voor de beoordeling of u wel of niet verzekerd bent contact op met onze adviseurs.

De dga is wel verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) en moet hiervoor, net als de zelfstandig ondernemer, zelf de premies betalen. Voor 2026 is de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw vastgesteld op 4,85% van het premieplichtig inkomen, tot een maximuminkomen van € 79.409. De maximale inkomensafhankelijke bijdrage Zvw komt daardoor op € 3.851. Deze bijdrage geldt zowel voor de zelfstandig ondernemer als de dga.

Zakendoen met uw bv

Als u een bv heeft, kunt u hier als dga ook zakelijk mee handelen. U bent in feite te vergelijken met een onafhankelijke derde. Zo kunt u bijvoorbeeld geld lenen van uw bv voor een grote aankoop of via uw bv een (hypothecaire) lening afsluiten voor de aankoop van een woning. De winst die uw bv hiermee behaalt, komt dan ten goede aan uw bv en niet aan uw bank. En de rente die u betaalt voor een eigenwoningfinanciering is onder voorwaarden aftrekbaar in de aangifte inkomstenbelasting. Houd er wel rekening mee dat leningen bij de bv zijn gemaximeerd tot € 500.000. Leent u meer, dan is het meerdere belast als fictief inkomen in box 2. Voor dit bedrag tellen kwalificerende leningen voor de eigen woning niet mee.

Let op! Eigenwoningleningen die vanaf 2023 bij de eigen bv zijn afgesloten, tellen alleen niet mee als op de woning een recht van hypotheek is gevestigd. 

Houd er ook rekening mee dat u bij dergelijke transacties zakelijke voorwaarden in acht neemt. Denk aan het rentepercentage, onderpand en voortijdig aflossen. Schakel desgewenst een adviseur in om u hiermee bij te staan.

Overgang naar de bv: ruisend of geruisloos

Als u wilt overstappen van een onderneming in de inkomstenbelasting naar een bv, dient u in beginsel met de Belastingdienst af te rekenen over de opgebouwde (stille) reserves, waaronder ook de stand van de oudedagsreserve (FOR). Een stille reserve is bijvoorbeeld aanwezig als de boekwaarde van uw pand lager is dan de werkelijke waarde. Dit heet in vaktermen ook wel een ruisende overgang.

Er bestaat een mogelijkheid om niet af te rekenen, maar ‘geruisloos’ door te schuiven. Hieraan is onder meer de voorwaarde verbonden dat de bv met dezelfde boekwaarde verdergaat als waarmee de onderneming in de inkomstenbelasting stopte.

Een nadeel hiervan is dat de bv geen investeringsaftrek kan claimen en ook over lagere bedragen af kan schrijven. Het is dan ook helemaal afhankelijk van uw situatie of geruisloos doorschuiven voor u voordeliger is of niet. Er is ook een alternatief voor geruisloos doorschuiven, namelijk een ruisende overgang, waarbij een lijfrente bij de eigen bv of een bank of verzekeraar wordt bedongen. Tegenover de belaste stakingswinst staat dan de aftrek van de inleg in het lijfrenteproduct (die bij een eigen bv niet hoeft te worden betaald). Dit kan echter niet voor onbeperkte bedragen.

Let op! Bij geruisloos doorschuiven moet op termijn, bij verkoop van de bv, in principe nog wel over de opgebouwde reserves afgerekend worden. Tenzij uw opvolger ook weer besluit om geruisloos door te schuiven. Op deze manier kan de belastingclaim (eindeloos) worden uitgesteld. Geruisloos doorschuiven is echter niet altijd mogelijk of aantrekkelijk.

Tip! In deze advieswijzer hebben wij een aantal belangrijke aspecten van de overstap naar een bv op een rij gezet. Het is onmogelijk om hierin alle aspecten voldoende te belichten. Daarbij is er altijd sprake van maatwerk. Overweegt u de overstap naar een bv, neem dan contact met ons op. Wij adviseren u graag bij uw beslissing.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de advieswijzer is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

 

Door |2026-06-24T13:01:02+02:0018 februari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Advieswijzer Overstappen naar een bv
  • Hospicediensten btw-belast en zo ja, tegen welk tarief?

Hospicediensten btw-belast en zo ja, tegen welk tarief?

Eén of meer prestaties?

Het Hof boog zich allereerst over de vraag of er sprake was van één of van meerdere prestaties. Duidelijk was dat het hospice in deze casus gastenkamers ter beschikking stelde, aan de gasten eten en drinken verstrekte en daarnaast algemene zorg verrichtte voor de gasten en hun naasten. Volgens het Hof was er sprake van één ondeelbare prestatie aan de gast, namelijk het verlenen van zorg om een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven te bieden aan gasten in hun laatste levensfase.

Niet splitsen

Volgens het Hof was er geen reden deze prestaties te splitsen. De prestaties waren namelijk zo nauw met elkaar verweven, dat splitsing ervan kunstmatig zou zijn. Ook was er geen sprake van verschillende prestaties met één hoofdprestatie en één of meer bijkomende prestaties. Alleen dan moeten de prestaties wel gesplitst worden.

Geen vrijstelling

Het Hof oordeelde verder dat de prestatie ook niet was vrijgesteld. De prestatie kon niet aangemerkt worden als medische prestatie. Ook kwam deze prestatie niet in aanmerking voor de vrijstelling voor sociale en culturele diensten. Daarnaast kon niet worden geprofiteerd van het destijds nog geldende lage btw-tarief voor hotelovernachtingen, omdat de prestatie veel meer omvatte dan dergelijke verhuur.

Conclusie

Het Hof achtte de prestaties dus belast tegen het normale hoge btw-tarief. Het leverde de stichting die het hospice exploiteerde in deze casus daardoor een forse aftrek op van in rekening gebrachte btw als gevolg van verbouwingswerkzaamheden.

Door |2026-06-24T13:01:03+02:0016 februari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Hospicediensten btw-belast en zo ja, tegen welk tarief?
  • Belastingrente op een aanslag Vpb: waar staan we nu?

Belastingrente op een aanslag Vpb: waar staan we nu?

Hoge Raad: belastingrente Vpb te hoog

De Hoge Raad oordeelde op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor andere belastingen geldt.

Massaalbezwaarprocedure

De meeste bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb zijn aangewezen als massaal bezwaar. Dat betekent dat de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak doet, maar één collectieve uitspraak op bezwaar voor alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. De Belastingdienst doet deze uitspraak uiterlijk 26 februari 2026.

Vervolgens past de Belastingdienst binnen zes maanden die collectieve uitspraak toe op alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. U ontvangt daarover automatisch bericht van de Belastingdienst.

Inhoud collectieve uitspraak op bezwaar

De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer op 13 februari 2026 geïnformeerd over de inhoud van de collectieve uitspraak op bezwaar: Het arrest van de Hoge Raad is ook van toepassing op de belastingrente Vpb vanaf 2024. Eerder bestond daar nog twijfel over. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de Vpb gaat toewijzen. het oordeel van de Hoge Raad gaat dus gelden voor alle jaren vanaf het jaar 2022.

Hoogte belastingrente Vpb

Na de collectieve uitspraak op bezwaar gaat de Belastingdienst de belastingrente voor de Vpb verlagen van de percentages in de tweede kolom naar de percentages in de laatste kolom van onderstaande tabel:

 Periode  Vpb  Andere belastingen
 1-1-2022 t/m 30-06-2023  8%  4%
 1-7-2023 t/m 31-12-2023  8%  6%
 1-1-2024 t/m 31-12-2024  10%  7,5%
 1-1-2025 t/m 31-12-2025  9%  6,5%
 Vanaf 1-1-2026  7,5%  5%

Dagtekening aanslag ná 16 januari 2026

De Belastingdienst meldt dat alle belastingaanslagen Vpb met een te hoog belastingrentepercentage die een dagtekening hebben ná 16 januari 2026 automatisch verlaagd worden. U hoeft hier dus zelf geen actie voor te ondernemen, maar houd er rekening mee dat de automatische verlaging nog wel op zich laat wachten.

Let op! De rentepercentages zijn in de IT-systemen van de Belastingdienst inmiddels aangepast. Nieuwe aanslagen Vpb zouden daarom met de juiste, lagere, belastingrentepercentages berekend moeten worden.

Dagtekening aanslag tot en met 16 januari 2026

Heeft uw belastingaanslag Vpb een dagtekening tot en met 16 januari 2026 en maakte u op tijd bezwaar, dan loopt de aanslag mee in de massaalbezwaarprocedure zoals hiervoor beschreven. U krijgt dan binnen zes maanden na de collectieve uitspraak automatisch bericht van de Belastingdienst.

Dagtekening aanslag vóór 5 december 2025

Heeft uw belastingaanslag Vpb een dagtekening vóór 5 december 2025 en maakte u niet op tijd bezwaar, dan stond uw aanslag op 16 januari 2026 (de dag van de uitspraak van de Hoge Raad) al onherroepelijk vast. Het arrest van de Hoge Raad geldt dan helaas niet voor u. De Belastingdienst zal verzoeken om ambtshalve vermindering van deze aanslagen afwijzen.

Dagtekening aanslag vanaf 5 december 2025 tot en met 16 januari 2026

Heeft uw belastingaanslag Vpb een dagtekening vanaf 5 december 2025 tot en met 16 januari 2026 en maakte u niet op tijd bezwaar, dan geldt het arrest van de Hoge Raad wel voor u. Mogelijk moet u daarvoor nog een verzoek om ambtshalve vermindering doen. Hierover wordt hopelijk meer bekend op het moment dat de Belastingdienst de collectieve uitspraak op bezwaar doet.

Let op! Ligt de dagtekening van uw belastingaanslag Vpb met belastingrente op of vóór 16 januari 2026 en is de bezwaartermijn nog niet verlopen? Maak dan zekerheidshalve op tijd bezwaar. Hiermee voorkomt u een onnodige discussie met de Belastingdienst op een later moment.

Let op! Tegen de belastingrente op een voorlopige aanslag Vpb kunt u een verzoek tot vermindering indienen uiterlijk tot zes weken na de dagtekening van de definitieve aanslag. Het lijkt erop dat  de Belastingdienst de belastingrente op de voorlopige aanslag niet automatisch vermindert, zonder dat daar een verzoek voor gedaan is. Een tijdig verzoek om vermindering is daarom  raadzaam.

Belastingrente overige belastingen

De Hoge Raad gaf in het oordeel op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – ook mee dat de belastingrente voor overige belastingen (bijvoorbeeld de inkomstenbelasting) niet te hoog is. De Belastingdienst gaat al deze bezwaren in een collectieve uitspraak op bezwaar afwijzen. U krijgt daarvan niet zelf apart bericht van.

Let op! In de vakliteratuur wordt erop gewezen dat het arrest van de Hoge Raad mogelijk geen volledig uitsluitsel geeft over de belastingrente voor overige belastingen vanaf 1 januari 2024. Hoewel een ander oordeel voor de periode vanaf 1 januari 2024 niet te verwachten is, is op dit moment niet uit te sluiten dat hier mogelijk nog een proefprocedure over gestart wordt.

Door |2026-06-24T13:01:04+02:0012 februari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Belastingrente op een aanslag Vpb: waar staan we nu?
  • Advieswijzer Fiscale eenheid Vpb en btw

Advieswijzer Fiscale eenheid Vpb en btw

De voorwaarden luisteren nauw en alhoewel deze constructie zeker voordelen kent, zijn er ook enkele belangrijke nadelen. In deze advieswijzer komen zowel de fiscale eenheid in de Vpb als de fiscale eenheid in de btw op hoofdlijnen aan bod.

Fiscale eenheid Vpb

Een fiscale eenheid in de Vpb is alleen mogelijk op verzoek. Op verzoek kan een moedervennootschap (holding) samen met een of meer dochtervennootschappen (werk-bv’s) voor de Vpb worden aangemerkt als een fiscale eenheid. Juridisch blijven de vennootschappen gescheiden, maar fiscaal worden zij gezien als één belastingplichtige. De resultaten van de dochtervennootschap(pen) worden dan namelijk toegerekend aan de moedervennootschap.

Let op! Een verzoek om een fiscale eenheid moet schriftelijk worden ingediend bij de Belastingdienst. Hiervoor dient een aantal formulieren te worden ingevuld. Deze treft u aan op de site van de Belastingdienst. Het verzoek moet binnen drie maanden na de gewenste ingangsdatum zijn ingediend omdat de maximale terugwerkende kracht drie maanden is..

Voorwaarden aangaan fiscale eenheid

Niet alle bv’s kunnen zomaar een fiscale eenheid met elkaar vormen. Alleen als voldaan is aan de volgende voorwaarden kan om een fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting verzocht worden:

  • De moedervennootschap bezit ten minste 95% van het gehele juridische en economische eigendom in het nominaal gestorte aandelenkapitaal van de dochtervennootschap. Dit aandelenbezit vertegenwoordigt ten minste 95% van de statutaire stemrechten in de dochtervennootschap. In alle gevallen moet het aandelenbezit recht geven op ten minste 95% van de winst en ten minste 95% van het vermogen van deze dochtervennootschap.
  • De boekjaren van de deelnemende bv’s moeten  gelijk zijn. Er geldt een uitzondering wanneer een bv in de loop van het jaar wordt opgericht.
  • Alle deelnemende bv’s moeten dezelfde winstbepalingsregels toepassen.
  • Zowel de moedervennootschap als de dochtervennootschap(pen) moeten feitelijk in Nederland zijn gevestigd.
  • De moedermaatschappij mag de aandelen in de dochtermaatschappij niet als voorraad aanhouden.

Let op! Er kan geen fiscale eenheid gevormd worden als de aandelen in de dochtervennootschap zijn ondergebracht en gecertificeerd in een Stichting Administratiekantoor (STAK). Dan wordt namelijk niet voldaan aan de voorwaarde dat de moedervennootschap tenminste 95% van het gehele juridische en economische eigendom van de aandelen in de dochtervennootschap bezit.

Het is ook mogelijk om in bepaalde ‘buitenlandsituaties’ een fiscale eenheid te vormen tussen Nederlandse vennootschappen. Zo is bijvoorbeeld een fiscale eenheid mogelijk tussen een Nederlandse moedermaatschappij en een Nederlandse kleindochtermaatschappij, wanneer de tussenliggende dochtermaatschappij is gevestigd in een ander EU-land, Noorwegen, IJsland of Liechtenstein. Ook kunnen twee in Nederland gevestigde zustermaatschappijen met elkaar een fiscale eenheid aangaan als de moedermaatschappij is gevestigd in de EU of in Noorwegen, IJsland of Liechtenstein.

Einde fiscale eenheid

Een fiscale eenheid eindigt automatisch als niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.

Zo eindigt de fiscale eenheid bijvoorbeeld als de moedervennootschap  aandelen in de dochtervennootschap verkoopt en daarna minder dan 95% van de aandelen bezit. 

Ook op gezamenlijk verzoek van de moedervennootschap en de dochtervennootschap kan een fiscale eenheid worden verbroken (ontvoeging). Verbreking kan dan niet eerder plaatsvinden dan op de datum waarop het verzoek is ontvangen door de Belastingdienst (derhalve geen terugwerkende kracht). 

Door liquidatie en vereffening van een vennootschap binnen de fiscale eenheid, komt de fiscale eenheid ten aanzien van de vereffende vennootschap ook ten einde. Dit wordt formeel echter niet aangemerkt als een ontvoeging. Dat is van belang omdat bij een ontvoeging antimisbruikmaatregelen kunnen gelden. Bij een liquidatie en vereffening zijn die niet van toepassing omdat dit niet wordt aangemerkt als een ontvoeging.

Voordelen fiscale eenheid

Een fiscale eenheid voor de Vpb kent enkele belangrijke voordelen. Zo kunnen verliezen en winsten in een jaar onderling worden verrekend.

Een ander voordeel is dat transacties tussen de verschillende bv’s in de fiscale eenheid fiscaal niet plaatsvinden. Deze worden onderling tegen elkaar weggestreept in het resultaat. Zo kan er zonder fiscale gevolgen tussen de bv’s ‘geschoven’ worden met activa waarop een stille reserve rust. Reorganisatie is daardoor onder voorwaarden binnen de fiscale eenheid zonder belastingheffing mogelijk. Wel geldt de voorwaarde dat de fiscale eenheid zes jaar (soms drie jaar) in stand moet blijven. Anders kan mogelijk alsnog belastingheffing over de stille reserves plaatsvinden.

Een ander voordeel van een fiscale eenheid kan zich voordoen als de zogenaamde gemengde kosten van de bv’s dermate hoog zijn, dat het financieel voordeliger is om bij de aftrekbeperking te kiezen voor een vast bedrag (in 2026 € 5.700 of 0,4% van de loonsom als dit meer is) dan voor de beperking van de aftrek tot 73,5% van de gemengde kosten. Bij in aftrek beperkte kosten moet gedacht worden aan onder meer voedsel en drank, representatie en congressen en studiereizen. Of het per saldo ook voordeliger is om vanwege deze reden een fiscale eenheid aan te gaan, hangt onder meer af van de afweging van de verschillende voor- en nadelen van de fiscale eenheid.

Tip! Bij een fiscale eenheid hoeft er maar één aangifte Vpb te worden ingediend.

Nadelen fiscale eenheid

Naast voordelen is er ook een aantal belangrijke nadelen. Er kan bijvoorbeeld maar eenmaal geprofiteerd worden van het 19%-Vpb-tarief over de eerste € 200.000 belastbare winst. Over het meerdere is 25,8% belasting verschuldigd. Zijn er binnen de fiscale eenheid meerdere bv’s met een winst boven de € 200.000, dan kan er dus maar één keer gebruik worden gemaakt van het 19%-tarief.

Een ander belangrijk nadeel is dat iedere bv hoofdelijk aansprakelijk is voor de totale belastingschuld van de fiscale eenheid en dus niet alleen voor het gedeelte van de Vpb-schuld dat betrekking heeft op de winst die zij zelf heeft behaald.

Verder kunnen bij het verbreken van de fiscale eenheid problemen ontstaan. Zo zal er in bepaalde gevallen moeten worden afgerekend over de meerwaarde van activa die in de voorgaande zes (soms drie) jaar tussen de bv’s onderling is overgedragen. Ook de verrekening van verliezen van voor en na de fiscale eenheidsperiode met winsten uit deze periode is aan beperkingen gebonden.

Ook voor de investeringsaftrek kan een nadeel optreden omdat de investeringen van alle deelnemende bv’s bij elkaar worden opgeteld. Hierdoor bereikt de fiscale eenheid eerder de grenzen waarbij de investeringsaftrek gelijk blijft, respectievelijk afneemt of er zelfs helemaal geen recht meer op bestaat. Alleen bij investeringen door de individuele bv’s van niet meer dan € 2.900 per jaar kan een voordeel ontstaan. Ook kan er een voordeel ontstaan als er binnen de fiscale eenheid onderling investeringsgoederen aan elkaar ter beschikking worden gesteld. Bij de desinvesteringsbijtelling kan een nadeel ontstaan, omdat eerder de grens van € 2.900 bereikt wordt. De desinvesteringsbijtelling is namelijk van toepassing als voor een bedrag van meer dan € 2.900 aan bedrijfsmiddelen vervreemd wordt.

Een nadeel kan verder optreden als binnen de fiscale eenheid één onderdeel failliet gaat, omdat onbetaalde schulden tot belaste winst binnen de fiscale eenheid kunnen leiden.

Fiscale eenheid in de btw

De fiscale eenheid in de btw kent zo haar eigen regels. Voor het vormen van een fiscale eenheid gelden de volgende voorwaarden:

  • Alle deelnemers moeten in beginsel btw-ondernemer zijn.
  • Alle deelnemers moeten in Nederland wonen of gevestigd zijn of een vaste inrichting in Nederland hebben. 
  • Alle deelnemers moeten op financieel, organisatorisch en economisch gebied dusdanig verweven zijn dat zij een eenheid vormen. Grofweg betekent dit het volgende Meer dan 50% van de aandelen van elk van de vennootschappen moeten direct of indirect in dezelfde handen zijn voor financiële verwevenheid. Voor organisatorische verwevenheid moeten de vennootschappen onder één gezamenlijke, als eenheid functionerende leiding staan of moet de leiding van de ene vennootschap feitelijk ondergeschikt zijn aan de leiding van de andere vennootschap. Voor economische verwevenheid moeten de deelnemers bijvoorbeeld een gemeenschappelijke klantenkring hebben of moet bijvoorbeeld de ene vennootschap in belangrijke mate aanvullende activiteiten verrichten voor de andere vennootschap.

Tip! Het is ook mogelijk om een fiscale eenheid btw te vormen met een andere rechtsvorm, bijvoorbeeld een cv of een stichting, maar ook met een natuurlijk persoon. Zo kan er dus een fiscale eenheid bestaan tussen de bv en haar directeur-grootaandeelhouder (dga) als deze dga bijvoorbeeld een pand verhuurt aan zijn bv.

Aangaan fiscale eenheid

Voor het aangaan van een fiscale eenheid btw is geen verzoek of beschikking van de Belastingdienst nodig. Indien wordt voldaan aan voornoemde voorwaarden, bestaat de fiscale eenheid automatisch. Er mag dan worden gehandeld als fiscale eenheid, al mag ook worden gehandeld alsof er geen fiscale eenheid is. Op verzoek kunnen vennootschappen ook een btw-beschikking voor de fiscale eenheidvragen aan de Belastingdienst. En de Belastingdienst kan ook op eigen initiatief een beschikking voor de fiscale eenheid afgeven. De fiscale eenheid btw staat dan als zodanig ook bij de Belastingdienst geregistreerd.

Tip! Indien twijfel bestaat of wel of niet wordt voldaan aan de voorwaarden terwijl de fiscale eenheid btw wel wenselijk is, is het verstandig om aan de Belastingdienst te verzoeken om de fiscale eenheid bij beschikking vast te stellen.

De voor- en nadelen

De fiscale eenheid in de btw kent als belangrijk voordeel dat de deelnemende vennootschappen geen btw betalen over onderlinge leveringen van goederen en diensten. Dit kan financieel voordelig zijn, als zonder fiscale eenheid de door een van de vennootschappen in rekening gebrachte btw bij de andere vennootschap niet (volledig) aftrekbaar zou zijn. Bijvoorbeeld omdat die andere vennootschap btw-vrijgestelde prestaties verricht.

Ook hoeft er maar één btw-aangifte te worden gedaan. Er hoeft dus niet meer door iedere vennootschap apart een aangifte gedaan te worden (als het wenselijk is, kan dat overigens wel). Er vindt een (gecombineerde) btw-aangifte op naam van de fiscale eenheid plaats. De fiscale eenheid krijgt ook één btw-nummer.

Let op! Op facturen moeten de individuele vennootschappen gewoon het eigen btw-nummer vermelden, niet het nummer van de fiscale eenheid.

Een belangrijk nadeel is dat alle deelnemende vennootschappen in de fiscale eenheid btw hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de fiscale eenheid te betalen btw. Dit geldt echter pas nadat een beschikking fiscale eenheid btw is afgegeven door de Belastingdienst. Omdat het ook is mogelijk om te handelen als fiscale eenheid btw zonder beschikking, kan het raadzaam zijn om niet te verzoeken om een beschikking fiscale eenheid btw. Op die manier bestaat dan geen onderlinge aansprakelijkheid. Uiteraard kan de Belastingdienst nog wel uit zichzelf een beschikking fiscale eenheid btw afgeven. De aansprakelijkheid kan dan echter geen terugwerkende kracht krijgen, maar geldt pas vanaf de dagtekening van de beschikking fiscale eenheid btw. 

Let op! Omdat de fiscale eenheid in de btw van rechtswege bestaat als wordt voldaan aan de voorwaarden, kan een fiscale eenheid niet op verzoek worden verbroken. Er vindt pas een verbreking plaats zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bijvoorbeeld een of meerdere van de drie verwevenheden.

Tip! Voldoet een van de vennootschappen niet meer aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid btw, meld dit dan zo snel mogelijk bij de Belastingdienst. Die vennootschap kan dan namelijk niet langer deel uitmaken van de fiscale eenheid voor de btw, maar zonder melding blijft de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de btw-schulden wel bestaan.

Tot slot

In deze advieswijzer heeft u op hoofdlijnen kennis kunnen maken met de voorwaarden en voor- en nadelen van de fiscale eenheid in de Vpb en btw. De details maken het fiscale eenheidsregime bijzonder ingewikkeld. Neem voor meer informatie over uw eigen situatie daarom contact met ons op. Wij kunnen u adviseren over het aangaan dan wel verbreken van een fiscale eenheid.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Door |2026-06-24T13:01:04+02:0012 februari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Advieswijzer Fiscale eenheid Vpb en btw
  • Waarschijnlijk meer btw bij overdracht auto tegen lagere prijs

Waarschijnlijk meer btw bij overdracht auto tegen lagere prijs

Als een bv een auto aan zijn dga verkoopt, moet dit voor de dividendbelasting en inkomstenbelasting tegen de werkelijke waarde van de auto. Voor de btw bestaat twijfel of dit mogelijk anders is. In verschillende rechtszaken lag de vraag voor of terecht een naheffingsaanslag btw was opgelegd, in de situatie waarin het verkoopbedrag voor de btw onder de werkelijke waarde van de auto lag. Twee gerechtshoven en een rechtbank oordeelden hier verschillend over. Advocaat-generaal Ettema adviseert de Hoge Raad in al deze casussen de btw te berekenen over de werkelijke waarde.

Aankoop via verkapt dividend

In de zaak die voorlag bij gerechtshof Amsterdam nam een dga de auto van zijn bv over tegen een prijs van € 15.000, terwijl de waarde van de auto € 75.000 bedroeg. Voor de rest van de waarde werd voor de dividendbelasting verkapt dividend in aanmerking genomen. De bv berekende alleen btw over € 15.000, maar de Belastingdienst legde aan de bv een naheffingsaanslag btw op over het meerdere van € 60.000. In deze casus bedroeg het tijdsverloop tussen de aankoop van de auto door de bv en de doorverkoop aan de dga ongeveer vier maanden.

In drie andere zaken die voorlagen bij gerechtshof ‘s-Hertogenbosch werd een auto met een waarde van € 29.750 en een auto met een waarde van € 25.016 na ongeveer vijf jaar verkocht aan de dga, elk voor € 2.624. In de derde zaak werd een auto met een waarde van € 34.040 na ongeveer 2,5 jaar verkocht aan de dga voor € 2.597. Ook nu werd een verkapt dividend in aanmerking genomen voor de dividendbelasting voor het verschil tussen de waarde en de verkoopprijs.

Verschillend oordeel

Op de vraag of over de werkelijke waarde of over de lagere overeengekomen prijs btw moest worden afgedragen, kwamen de gerechtshoven niet tot hetzelfde oordeel. Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat in de casus die daar voorlag sprake was van misbruik van recht en stelde de Belastingdienst in het gelijk. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat er in de casussen die daar voorlagen, geen sprake was van misbruik van recht en stelde de bv in het gelijk.

Wanneer misbruik van recht?

Misbruik van recht kan worden aangenomen als in strijd met doel en strekking van de wet een belastingvoordeel wordt behaald én dit ook het wezenlijke (= het doorslaggevende) doel van de transactie is.

Let op!De Belastingdienst heeft de bewijslast om aan te tonen dat er sprake is van misbruik van recht.

Gerechtshof Amsterdam en A-G: misbruik van recht

Gerechtshof Amsterdam vond dat in de voorliggende casus aan deze definitie was voldaan. De zakelijke motieven die de bv bij het gerechtshof aanvoerde, verklaarden niet waarom de auto tegen een abnormaal lage vergoeding was verkocht. Naar het oordeel van het gerechtshof was het doel van de transactie dan ook gelegen in het belastingvoordeel van de lagere btw voor de dga.

De A-G volgt het gerechtshof in de eindconclusie en adviseert de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond te verklaren. Het in rekening brengen van een abnormaal lage vergoeding kan tot misbruik van recht leiden, naar het oordeel van de A-G. Van een abnormaal lage vergoeding is volgens de A-G als snel sprake als de vergoeding lager is dan de marktwaarde, tenzij er een economische verklaring voor de lagere vergoeding is.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch géén, A-G wél misbruik van recht

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat in de voorliggende casussen geen sprake was van misbruik van recht. De stelling van de Belastingdienst dat de auto was overgedragen tegen een abnormaal lage vergoeding was hiervoor volgens het gerechtshof onvoldoende. De Belastingdienst kon ook niet aannemelijk maken dat het btw-belastingvoordeel het hoofddoel van de transactie was.

De A-G denkt daar dus anders over en adviseert de Hoge Raad ook in deze casussen te oordelen dat sprake is van misbruik van recht.

Let op!Het wachten is nu op de Hoge Raad. Daarbij is het niet zeker of de Hoge Raad het advies van de A-G volgt. Ook zou de Hoge Raad in de zaken nog verschillend kunnen beslissen omdat de feiten in de zaken niet geheel gelijk zijn aan elkaar.

Door |2026-06-23T13:00:45+02:009 februari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Waarschijnlijk meer btw bij overdracht auto tegen lagere prijs
  • Agrarische normbedragen erf- en schenkbelasting bekend

Agrarische normbedragen erf- en schenkbelasting bekend

Onderverdeling

De normbedragen kennen een onderverdeling in veehouderij en akkerbouw. Voor de veehouderij geldt een vast bedrag per eenheid. Zo geldt voor melkgeiten bijvoorbeeld een bedrag van € 184 per stuk en voor pluimveegrondhuisvesting een bedrag van € 16,70 per netto leefoppervlak m2. Voor akkerbouw geldt een vast bedrag voor alle gewassen per hectare grond.

Hulpmiddel

Om met de normbedragen de waarde te berekenen, stelt de Belastingdienst ook een hulpmiddel beschikbaar. Door aan te geven welke agrarische zaken via erfenis of schenking zijn verkregen, kan de waarde worden bepaald. Ook kunnen onder meer langlopende schulden in het hulpmiddel worden opgenomen. De verkregen waarde dient te worden gebruikt voor de aangifte erf- of schenkbelasting.

Uitzonderingen 

Het hulpmiddel geeft ook aan wanneer dit middel niet gebruikt kan worden voor de waardeberekening. Het gaat dan om beleggingen en bedrijfsmiddelen die niet bestemd zijn voor activiteiten in de veehouderij en/of akkerbouw. Denk aan grond die eerder in een akkerbouwbedrijf gebruikt werd, maar nu verpacht wordt, of als er maar één gewas geteeld wordt.

Let op! Het hulpmiddel met de normbedragen voor 2026 komt later dit jaar beschikbaar.

Door |2026-06-23T13:00:46+02:003 februari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Agrarische normbedragen erf- en schenkbelasting bekend
  • Ook in 2026 diverse subsidies voor emissieloos vervoer

Ook in 2026 diverse subsidies voor emissieloos vervoer

Collectieven Verduurzaming Werkgebonden Personenmobiliteit

De subsidie Collectieven Verduurzaming Werkgebonden Personenmobiliteit (COVER) kan nu al aangevraagd worden tot uiterlijk 1 oktober 2026 12.00 uur. De subsidie is gericht op projecten ter vermindering van fossiele brandstoffen met betrekking tot vervoer in verband met het werk. Het kan daarbij gaan om woon-werkverkeer en om zakelijke reizen, maar niet om vrachtvervoer. Denk bijvoorbeeld aan het gezamenlijk inkopen van fietsen. De subsidie is alleen beschikbaar voor ondernemersorganisaties, zoals brancheorganisaties, ondernemersverenigingen of bedrijfsinvesteringszones in het mkb. Van een project wordt maximaal 75% via de COVER gefinancierd tot een maximum van € 100.000. 

Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij Bedrijven

Ondernemers die op eigen of gehuurd terrein infrastructuur aanleggen voor het laden van elektrische voertuigen, kunnen vanaf 20 januari 2026 9.00 uur tot 18 december 2026 12.00 uur de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij Bedrijven (SPRILA) aanvragen. Het bedrag van de SPRILA hangt af van de investering en bedraagt voor mkb-bedrijven het dubbele van de subsidie voor niet-mkb-bedrijven. 

Subsidieregeling Publieke Laadinfrastructuur zwaar vervoer

Vanaf 3 februari 2026 9.00 uur kan de Subsidieregeling Publieke Laadinfrastructuur zwaar vervoer (SPULA) aangevraagd worden. Dit kan tot uiterlijk 18 december 2026 12.00 uur. De subsidie kan verkregen worden voor het realiseren van publiek toegankelijke laadlocaties voor zwaar vervoer, zoals vrachtwagens. Er is subsidie beschikbaar voor laadstations en voor stationaire batterijen. De subsidie bedraagt maximaal 20% van de gemaakte kosten.

Subsidie emissieloze touringcars

Touringcarbedrijven en OV-concessiehouders kunnen vanaf 10 februari 2026 9.00 uur tot 30 november 2026 17.00 uur de Subsidie emissieloze touringcars (STour) aanvragen. De subsidie dekt een percentage van de meerkosten van een batterij-elektrische touringcar vergeleken met eenzelfde touringcar op diesel. Afhankelijk van de bedrijfsgrootte krijgt u 60% (kleinbedrijf), 50% (middelgroot bedrijf) of 30% (grootbedrijf) subsidie, tot een maximum van €180.000, respectievelijk € 150.000 of € 90.000.

Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit

Met de Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit (SWIM) kunt u subsidie krijgen voor ontwikkelingen op het gebied van waterstofmobiliteit, zoals waterstoftankstations, waterstofvoertuigen en logistieke toepassingen. De SWIM kan aangevraagd worden vanaf het voorjaar van 2026. De exacte data zijn niet nog bekend, maar er is nog wel veel informatie beschikbaar uit 2025.

Door |2026-06-23T13:00:47+02:002 februari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Ook in 2026 diverse subsidies voor emissieloos vervoer
  • Uitspraak belastingrente Vpb uiterlijk 26 februari 2026

Uitspraak belastingrente Vpb uiterlijk 26 februari 2026

Hoge Raad: belastingrente Vpb te hoog

De Hoge Raad oordeelde op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor andere belastingen geldt.

Voor de periode januari 2022 tot en met juni 2023 zou het percentage dan geen 8% maar 4% bedragen. Voor de tweede helft van 2023 zou dit percentage in plaats van 8% dan 6% bedragen.

Massaalbezwaarprocedure

De meeste bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb zijn aangewezen als massaal bezwaar. Dat betekent dat de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak doet, maar één collectieve uitspraak op bezwaar voor alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. De Belastingdienst meldt dat deze uitspraak uiterlijk 26 februari 2026 wordt gedaan.

Vervolgens past de Belastingdienst binnen zes maanden die uitspraak toe op alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. U ontvangt daarover automatisch bericht van de Belastingdienst.

Inhoud collectieve uitspraak op bezwaar

De inhoud van de collectieve uitspraak op bezwaar is nog niet bekend. Uit de informatie op de website van de Belastingdienst lijkt min of meer op te maken dat de Belastingdienst het advies van de Hoge Raad volgt voor alle jaren vanaf 2022.

Helemaal zeker is dat echter nog niet. Zo wordt er in de vakliteratuur op gewezen dat de Hoge Raad zich misschien niet helemaal expliciet heeft uitgesproken over de jaren vanaf 2024. Dit zou misschien kunnen betekenen dat de Belastingdienst zich in de collectieve uitspraak nog niet uitlaat over de belastingrente vanaf 2024.

Bezwaar belastingrente Vpb

Zolang hier nog geen zekerheid over bestaat blijft het verstandig om tijdig (= binnen zes weken na dagtekening) bezwaar te maken tegen belastingrente op een definitieve aanslag Vpb. Betreft het belastingrente op een voorlopige aanslag Vpb, dan kunt u daartegen niet in bezwaar. U moet dan verzoeken om die belastingrente te verminderen en daarna in bezwaar tegen de afwijzing.

Let op! Ontvangt u een definitieve of voorlopige aanslag Vpb met belastingrente, overleg dan met onze adviseurs.

Belastingrente overige belastingen

De Hoge Raad gaf in het oordeel op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – ook mee dat de belastingrente voor overige belastingen (bijvoorbeeld de inkomstenbelasting) niet te hoog is. Op de website van de Belastingdienst wordt op dit moment nog aangegeven dat een rechtbank hier nog uitspraak over moet doen in een proefprocedure en dat die uitspraak dan nog voorgelegd wordt aan de Hoge Raad.

Het is nog niet helemaal duidelijk of deze weg nog steeds gevolgd wordt of dat de Belastingdienst al eerder een collectieve uitspraak op bezwaar doet voor de overige belastingen.

Let op! In de vakliteratuur wordt erop gewezen dat het arrest van de Hoge Raad mogelijk geen volledig uitsluitsel geeft over de belastingrente voor overige belastingen vanaf 1 januari 2024. Hoewel een ander oordeel voor de periode vanaf 1 januari 2024 niet te verwachten is, is op dit moment niet uit te sluiten dat hier mogelijk nog een proefprocedure over gestart wordt.

Door |2026-06-23T13:00:47+02:0030 januari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Uitspraak belastingrente Vpb uiterlijk 26 februari 2026
  • Wijziging btw-teruggaaf ondernemer uit ander EU-land

Wijziging btw-teruggaaf ondernemer uit ander EU-land

Btw-teruggaaf

De ondernemer moet het verzoek om teruggaaf van Nederlandse btw digitaal indienen bij de Belastingdienst van het EU-land waar hij gevestigd is. In Nederland kan btw teruggevraagd worden over de afgelopen vijf jaar. In sommige EU-landen kan dat niet en moet een verzoek om btw-teruggaaf vóór 1 oktober van het volgende jaar zijn ingediend.

Let op! In sommige gevallen is het mogelijk om alsnog een schriftelijk verzoek in te dienen bij de Nederlandse Belastingdienst als dat digitaal bij de Belastingdienst van het land van vestiging niet meer mogelijk is. Voor vragen hierover kunt u contact opnemen met de Belastingtelefoon Buitenland in Nederland.

Wijziging met ingang van 1 april 2026

Vanaf 1 april 2026 geldt een aanvullende eis voor het digitale verzoek om btw-teruggaaf. De niet in Nederland gevestigde ondernemer moet dan ook de factuur of het invoerdocument bijvoegen bij het verzoek als het factuurbedrag exclusief btw € 1.000 of meer bedraagt. Gaat het om brandstof, dan moet een factuur worden bijgevoegd als het factuurbedrag exclusief btw € 250 of meer bedraagt.

Let op! De factuur of het invoerdocument moet zijn opgesteld in het Duits, Frans, Italiaans of Nederlands.

Door |2026-06-23T13:00:47+02:0029 januari 2026|Reacties uitgeschakeld voor Wijziging btw-teruggaaf ondernemer uit ander EU-land