Nieuws

Geen lager forfait verpachte landbouwgronden en obligaties box 3

Het kabinet acht een apart (lager) forfait voor vermogensbestanddelen waarvoor een wettelijk maximum geldt (verpachte landbouwgronden) en laag renderende beleggingen (obligaties) niet wenselijk. Tot deze conclusie komt het kabinet na onderzoek.

Forfait 6,17%
Alle vermogensbestanddelen die niet kunnen worden aangemerkt als bank- of spaartegoed vallen in de categorie overige bezittingen, waarvoor in 2023 een forfaitair rendement van 6,17% geldt. Voor bepaalde vermogensbestanddelen, waaronder vermogensbestanddelen waarvoor een (veel) lager wettelijk maximum geldt en laag renderende beleggingen, wordt dit forfait als onrechtvaardig hoog ervaren. Daarom onderzocht het kabinet de mogelijkheid van aparte categorieën met een eigen forfaitair rendement.

Verpachte landbouwgronden
Voor verpachte landbouwgronden geldt een maximale pachtprijs van 2% van de vrije verkeerswaarde. Dit is veel lager dan de 6,17% die geldt in de categorie overige bezittingen. Dit forfait van 6,17% bestaat echter niet alleen uit direct rendement (de pachtprijs van maximaal 2%), maar ook uit indirect rendement (waardeontwikkelingen). Het kabinet geeft aan dat de waarde van de gronden vanaf 2012 met gemiddeld 64% is toegenomen. Daarmee zou een forfait voor verpachte landbouwgronden, indicatief, uitkomen op 6,50%. Om die reden acht het kabinet een aparte categorie onwenselijk.

Obligaties
Met een apart forfait voor obligaties zou gemiddeld beter bij het werkelijke rendement kunnen worden aangesloten. Veel belastingplichtigen beleggen echter in beleggingsfondsen. Die beleggingsfondsen zijn samengesteld uit onder andere aandelen, onroerend goed en obligaties. Het is voor banken niet mogelijk om het aandeel obligaties in beleggingsfondsen apart aan de Belastingdienst door te geven. De samenstelling van deze fondsen is namelijk niet bekend en wijzigt bovendien in de tijd. Om die reden acht het kabinet ook hier een aparte categorie onwenselijk.

Geen tegenbewijsregeling
Het kabinet onderzocht ook nog de mogelijkheid van een tegenbewijsregeling waardoor belastingplichtigen kunnen aantonen dat hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Zo’n tegenbewijsregeling vindt het kabinet echter niet verstandig. Zo zou zo’n regeling selectief gebruikt worden (alleen in de jaren dat het werkelijk rendement lager is) en een groot beroep doen op het doenvermogen van de belastingplichtige en op de capaciteit in de uitvoering bij de Belastingdienst.

Let op! Deze plannen moeten nog worden goedgekeurd door de Tweede en Eerste Kamer.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-05-08T12:20:17+02:0012 mei 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Geen lager forfait verpachte landbouwgronden en obligaties box 3

Uiterlijk 2 juni definitieve NOW 5 en 6 aanvragen

Je kunt tot en met 2 juni 2023 de definitieve berekening aanvragen van de NOW voor de laatste twee periodes. Dit betreft de NOW 5 en de NOW 6.

De periodes

De exacte periodes waar je nu de definitieve berekening voor moet aanvragen zijn:

• NOW 5: november en december 2021 (zevende periode);
• NOW 6: januari, februari en maart 2022 (achtste periode).

NOW
Werkgevers die tijdens de Coronacrisis geconfronteerd werden met forse omzetverliezen, konden destijds via de NOW een tegemoetkoming krijgen voor de loonkosten. De tegemoetkoming werd toegekend als voorschot op basis van een geschat omzetverlies. Nu de omzetverliezen bekend zijn, moet de definitieve NOW worden aangevraagd.

Derdenverklaring of accountantsverklaring?
Je hebt een derdenverklaring nodig als jouw voorschot of definitieve tegemoetkoming tussen €40.000 en €125.000 ligt. Je hebt een accountantsverklaring nodig als jouw voorschot of definitieve tegemoetkoming €125.000 of meer bedraagt.

Let op! Wacht je nog op een derdenverklaring of een accountantsverklaring, dan kun je uitstel aanvragen. Dit uitstel kun je tot en met 2 juni 2023 aanvragen via een speciaal formulier bij het UWV. Je hebt dan tot en met 3 november 2023 de tijd om jouw definitieve berekening aan te vragen.

Terugbetalen of niet?
Op basis van jouw werkelijke omzetverlies en jouw definitieve loonsom berekent het UWV jouw definitieve tegemoetkoming NOW. Je ontvangt daarna van het UWV een definitieve beslissing.
Als je het omzetverlies te royaal hebt ingeschat, kan het zijn dat je te veel NOW hebt gehad en dat je deze geheel of deels moet terugbetalen. Heb je het omzetverlies te krap ingeschat, dan krijg je juist meer NOW dan verwacht. Omdat het voorschot 80% bedroeg, krijg je bij een juiste inschatting de nog resterende 20% uitbetaald.

Betalingsregeling
Heb je moeite om te veel ontvangen NOW terug te betalen, dan kun je een betalingsregeling met het UWV afspreken. Terugbetaling kan in maximaal 60 maandelijkse termijnen. Ook kun je voor maximaal 12 maanden uitstel van betaling aanvragen.

Wacht niet te lang!
Voor de aanvraag van de definitieve berekening heb je diverse gegevens nodig en misschien dus een verklaring van een derde of accountant. Mei kent nogal wat vrije dagen, dus wacht met jouw definitieve aanvraag niet te lang. De definitieve aanvraag dien je online in bij het UWV. Dit kan met en zonder eHerkenning.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-05-08T11:17:19+02:0012 mei 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Uiterlijk 2 juni definitieve NOW 5 en 6 aanvragen

Geen onderlinge vorderingen en schulden meer in box 3

Een vordering op een fiscale partner valt in box 3 in de categorie overige bezittingen tegen, in 2023, een forfaitair rendement van 6,17%. De corresponderende schuld van die fiscale partner valt echter in box 3 in de categorie schulden tegen een veel lager forfaitair rendement. Het kabinet wil in deze ongewenste situatie verandering aanbrengen.

Verrekenbedingen
Door verrekenbedingen in huwelijks- en partnerschapsvoorwaarden kunnen tussen partners onderlinge schulden en vorderingen ontstaan. In het box 3-stelsel geldend vanaf 2023 valt zo’n vordering op een partner onder de categorie overige bezittingen, terwijl de corresponderende schuld van die partner onder de categorie schulden valt.

Verschillende forfaits
Het forfaitaire rendement in de categorie overige bezittingen bedraagt in 2023 6,17%. Het forfaitaire rendement in de categorie schulden is voor 2023 voorlopig vastgesteld op 2,57%. Het definitieve forfaitaire rendement wordt pas begin 2024 bekend. Uitgaande van het voorlopige vastgestelde percentage, bestaat in de huidige situatie voor de fiscale partners een verschil van 3,6% tussen de categorie overige bezittingen en de categorie schulden.

Buiten de belastingheffing (defiscaliseren)
Dit betekent dat partners in hun gezamenlijke aangifte inkomstenbelasting per saldo 3,6% rendement in box 3 zouden moeten verantwoorden over hun onderlinge schulden en vorderingen die ontstaan zijn door bijvoorbeeld een verrekenbeding. Gelukkig wil het kabinet onderlinge vorderingen en schulden tussen fiscale partners die in een gezamenlijke aangifte inkomstenbelasting worden verwerkt, buiten de belastingheffing brengen (defiscaliseren). Dit betekent dat deze niet in de aangifte inkomstenbelasting hoeven te worden vermeld en daardoor ook genegeerd worden voor de box 3-heffing.

Let op! Deze defiscalisering gaat verder dan alleen de onderlinge schulden en vorderingen tussen fiscale partners. Ook de vorderingen en schulden tussen een ouder en een minderjarig kind vallen hieronder. Dit betreft de situatie waarin het inkomen van het minderjarige kind aan de ouders wordt toegerekend. In die situatie is namelijk ook sprake van dezelfde aangifte inkomstenbelasting.

De verwachting is dat de defiscalisering vanaf 2023 al mogelijk is.

Let op! Voor deze plannen is nog een wetswijziging nodig waar zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer mee in moeten stemmen.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-05-08T09:49:22+02:0012 mei 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Geen onderlinge vorderingen en schulden meer in box 3

Aftrek verblijfkosten eigen rijders voor 2023 fors hoger

Transportondernemers die zelf meerdaagse internationale ritten maken, kunnen een vast bedrag aan verblijfkosten van de winst aftrekken. Dit vaste bedrag is voor dit jaar fors verhoogd van €41,50 naar €45,00 per dag.

Voorwaarden aftrek
De vaste aftrek geldt onder de volgende voorwaarden:

• de rit duurt langer dan 24 uur;
• de verste bestemming mag niet in Nederland liggen. Er is geen maximum afstand;
• de regeling geldt voor alle meerdaagse ritten in het jaar;
• het aantal gereden dagen moet je kunnen aantonen, bijvoorbeeld met facturen en tachograafschijven;
• de vertrek- en terugkomdag tellen elk mee voor een halve dag;
• je geeft de winst aan in de aangifte inkomstenbelasting.

Let op! Je mag ieder jaar opnieuw beslissen of je de regeling van het vaste bedrag gebruikt. Als je gebruikmaakt van de regeling, hoef je de verblijfkosten niet aan te tonen.

Ritten korter dan 24 uur
De regeling geldt ook voor internationale ritten die starten op meer dan 50 kilometer van het woonadres van de ondernemer, ook als deze korter duren dan 24 uur.

Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

• deze ritten vinden plaats op aaneengesloten dagen, eventueel met ritten waarbij men meer dagen aaneengesloten in het buitenland verblijft;
• het traject van elke rit bevindt zich in zijn geheel buiten een afstand van 50 km van het woonadres van de ondernemer.

Tip! Je hoeft de regeling niet toe te passen als de kosten hoger zijn. In dat geval moet je deze kosten dan wel kunnen aantonen. Bewaar dan met name facturen.

Let op! Bovenstaande regeling geldt alleen voor ondernemers waarvan de winst in de inkomstenbelasting belast wordt. Eigen rijders met een BV kunnen hun verblijfkosten onbelast door de BV laten vergoeden volgens de regels die gelden voor werknemers.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-05-09T12:52:18+02:0012 mei 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Aftrek verblijfkosten eigen rijders voor 2023 fors hoger

Hoge of lage WW-premie na omzetting in BV

Ben je van plan jouw eenmanszaak voortaan te voeren vanuit een BV, dan moet je rekening houden met een aantal fiscale gevolgen van de omzetting in de BV. Een daarvan is de berekening van de WW-premie die volgens de Belastingdienst separaat berekend wordt voor de periode vóór oprichting en ná oprichting van de BV.

Herziening lage WW-premie
In beginsel ben je als werkgever de lage WW-premie verschuldigd als sprake is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met jouw werknemer. Maakt deze werknemer in een kalenderjaar echter meer dan 30% extra uren dan de in de arbeidsovereenkomst opgenomen uren, dan ben je met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie verschuldigd (herziening).

Let op! De hoge WW-premie bedraagt in 2023 7,64% en de lage WW-premie 2,64%. Als je met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie verschuldigd bent, kost dat dus 5% extra.

Tip! Als in de schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gemiddeld 35 uren of meer per week zijn opgenomen, hoef je niet te herzien als de werknemer meer dan 30% extra uren maakt.

Berekening per werkgever
De berekening van de meer dan 30% extra uren gebeurt aan de hand van het aantal verloonde uren en de in de arbeidsovereenkomst opgenomen uren over het gehele kalenderjaar. Deze berekening vindt echter plaats per werkgever. Bij omzetting van jouw eenmanszaak in een BV, is sprake van twee werkgevers. De BV wordt dan namelijk gezien als een nieuwe werkgever. Dit betekent dat de berekening van de meer dan 30% extra uren over twee perioden moet plaatsvinden. Een keer voor de periode vóór oprichting van de BV en een keer voor de periode ná oprichting van de BV. Dat dit niet altijd gunstig uitvalt, blijkt uit het volgende voorbeeld.

Voorbeeld
Je hebt een werknemer in dienst met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 20 uur in de week. In de maanden mei, juni, juli, augustus en september werkt deze werknemer gedurende 21 weken 33 uur per week (overwerk). Over het gehele jaar verloon je voor deze werknemer dus 1.313 uren (31 weken x 20 uren + 21 weken x 33 uren), terwijl contractueel 1.040 uren (52 weken x 20 uren) zijn overeengekomen. Deze werknemer werkt over het gehele jaar 26,25% meer dan contractueel overeengekomen. Je hoeft daarom niet met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie te betalen.

Als je echter in dit kalenderjaar jouw onderneming inbrengt in een BV en de BV bij de notaris opricht op bijvoorbeeld 2 oktober 2023 is dat anders. Tot 2 oktober 2023 verloon je in jouw eenmanszaak voor deze werknemer dan 1.053 uren (18 weken x 20 uren + 21 weken x 33 uren), terwijl contractueel 780 uren (39 weken x 20 uren) zijn overeengekomen. De werknemer werkt over deze periode 35% meer dan contractueel overeengekomen. Dat betekent dat je in jouw eenmanszaak met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 alsnog de hoge WW-premie moet betalen tot en met september.

Tip! Je kan de hoge WW-premie uit het voorbeeld voorkomen door met jouw werknemer overeen te komen dat de contracturen in de periode mei tot en met september worden uitgebreid van 20 naar 33 uren. In dat geval blijf je de lage WW-premie betalen, onder de voorwaarden dat tijdens de extra 13 uren hetzelfde werk wordt verricht onder dezelfde arbeidsvoorwaarden. Dit geldt in ieder geval in de jaren 2020 tot en met 2023. Vanaf 2024 is dit waarschijnlijk anders.

Let op! Het voorgaande is niet alleen een aandachtspunt bij omzetting van een eenmanszaak in een BV, maar kan ook spelen bij andere rechtsvormwijzigingen. Alleen als een rechtspersoon zijn rechtspersoonlijkheid behoudt bij de rechtsvormwijziging, ontstaat er geen nieuwe werkgever en speelt het voorgaande dus geen rol. Dit is bijvoorbeeld het geval bij omzetting van een besloten vennootschap in een naamloze vennootschap of andersom.

Heb je hier vragen over, neem dan contact op met een van onze adviseurs.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-05-09T12:43:37+02:0012 mei 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Hoge of lage WW-premie na omzetting in BV

Bewijslast WOZ geen wassen neus

Jaarlijks stelt de gemeente de WOZ-waarde van de, binnen de gemeente gelegen, panden vast. De bewijslast dat deze waarde correct is, rust op de gemeente. Dat deze bewijslast geen wassen neus is, bleek nog onlangs voor de rechtbank Gelderland.

Bewijslast gemeente
Om aan de bewijslast te voldoen, hoeft een gemeente niet alle panden te taxeren. Voor woningen maakt men gebruik van recente verkoopcijfers en bij bedrijfspanden daarnaast ook van cijfers omtrent de huuropbrengst en andere waarderingsmethodes.

Woningen niet vergelijkbaar
In bovengenoemde rechtszaak was een belastingplichtige het niet eens met de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning. Hij stelde onder meer dat de woningen waarmee die van hem vergeleken was, hiervoor ongeschikt waren. Ook was volgens hem niet inzichtelijk gemaakt of en hoe de indexering van de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten was toegepast. Daarnaast was volgens hem niet inzichtelijk gemaakt hoe de grondprijs tot stand is gekomen.

Geen toelichting
Op de zitting kon er op de gestelde vragen geen antwoord worden gegeven, want de vertegenwoordiger van de gemeente had bewust verstek laten gaan. De rechtbank vond daarom het taxatierapport onvoldoende om de waarde van het pand als correct te kunnen aanmerken. Omdat ook de eigenaar van de woning de bepleite waarde niet aannemelijk had gemaakt, stelde de rechtbank deze zelf schattenderwijs vast.

Tip! Ga zo mogelijk altijd naar de behandeling van een door jouw ingesteld beroep of laat je vertegenwoordigen. Jouw afwezigheid werkt namelijk niet in jouw voordeel.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-05-10T15:21:34+02:0012 mei 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Bewijslast WOZ geen wassen neus

Vrijstelling Vpb voor stichting en vereniging, zo werkt het

Ook verenigingen en stichtingen zijn belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting voor het gedeelte waarmee ze een onderneming drijven. Als de winst niet al te hoog is, geldt wel een vrijstelling. Hoe kunt u hiervan gebruikmaken?

Vrijstelling bij relatief geringe winst

De winst van een stichting of vereniging kan in een jaar worden vrijgesteld van vennootschapsbelasting als de winst niet meer dan € 15.000 bedraagt. Bedraagt de winst in een jaar meer dan € 15.000, dan is de vrijstelling toch van toepassing als de winst van dat jaar zelf, opgeteld met de winsten van de vier voorafgaande jaren niet meer bedraagt dan € 75.000.

Let op! Ook als een vereniging of stichting nog geen vijf jaar bestaat, blijft de winstgrens van € 75.000 van toepassing. Bij een winst in startjaar 1 van € 30.000 en jaar 2 van € 35.000 en jaar 3 van € 5.000 is de vrijstelling gewoon van toepassing omdat het totaal niet hoger is dan € 75.000.

Automatische toepassing

Als een vereniging of stichting voor de vrijstelling in aanmerking komt, past de Belastingdienst deze automatisch toe. Als aangifte is gedaan, volgt een nihilaanslag.

Liever geen vrijstelling?

Soms is het voor een vereniging of stichting voordeliger om niet onder de vrijstelling te vallen, bijvoorbeeld om een verlies te kunnen verrekenen of om een eindafrekening (nadat er eerst wel belastingplicht was) te voorkomen. Men kan er dan voor kiezen om niet te worden vrijgesteld.

Let op! De keuze om niet onder de vrijstelling te vallen geldt voor een periode van vijf jaar. Let erop dat dit niet automatisch gaat en tijdig moet gebeuren. Beoordeel daarom ieder jaar of het verstandig is om de vrijstelling toe te passen. U moet voor het niet toepassen van de vrijstelling namelijk een brief sturen naar het belastingkantoor. Dit moet vóórdat de aangifte vennootschapsbelasting over het eerste jaar van de periode van vijf jaar is afgehandeld.

Expliciete uitspraak Belastingdienst

De Belastingdienst beveelt stichtingen en verenigingen aan om bij de aangifte te vermelden dat de vrijstelling van toepassing is. Dit kan door bij het punt ‘expliciet uitspraak Belastingdienst gevraagd’ te vermelden ‘vrijgesteld op grond van artikel 6 Wet Vpb’.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-05-04T21:22:39+02:004 mei 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Vrijstelling Vpb voor stichting en vereniging, zo werkt het

Lager forfait voor aandeel VvE en derdenrekening notaris in box 3

Een aandeel in het vermogen van een reservefonds van een VvE valt in box 3 in de categorie overige bezittingen. Hiervoor geldt in 2023 een forfaitair rendement van 6,17%. Hetzelfde geldt voor een aandeel in geld dat op een derdengeldrekening bij een notaris staat. Het kabinet wil voor beide zaken hier verandering in aanbrengen.

Vermogensrechten tegen 6,17%

Aandelen in het vermogen van een reservefonds van een VvE en in het vermogen op een derdengeldrekening bij een notaris zijn vermogensrechten. Deze vermogensrechten vallen onder de box 3-heffing vanaf 2023 in de categorie overige bezittingen. Hiervoor geldt in 2023 een forfaitair rendement van 6,17%.

Meestal op bank- of spaarrekening

Uit onderzoek in de systemen van de Belastingdienst komt naar voren dat 99,92% van de middelen van VvE’s en meer dan 99% van derdengelden bij een notaris op bank- of spaarrekeningen staan. Het rendement op deze vermogensrechten past daarom beter bij de categorie banktegoeden. Voor de categorie banktegoeden is het forfaitair rendement voor 2023 voorlopig vastgesteld op 0,36%. Het definitieve forfaitaire rendement wordt pas begin 2024 bekend.

Categorie banktegoeden tegen (voorlopig) 0,36%

Het kabinet wil deze vermogensrechten onder de categorie banktegoeden brengen. De verwachting is dat dit vanaf 2023 al mogelijk is. Er is hier nog wel een wetswijziging voor nodig waar zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer mee in moet stemmen. Als dat gebeurt, bedraagt uw rendement over deze vermogensrechten in box 3 in 2023 geen 6,17% maar 0,36% (voorlopig percentage, het definitieve percentage volgt in 2024).
Tip!De staatssecretaris lijkt het logisch dat vergelijkbare situaties ook onder de categorie banktegoeden worden ondergebracht. Bent u daarom direct rechthebbende tot geld dat wordt aangehouden op een bank- of spaarrekening, maar staat dit geld niet direct aan u ter beschikking? Dan kunt u mogelijk, na inwerkingtreding van de wetswijziging, ook een beroep doen op het lagere rendement van de categorie banktegoeden.

Let op!Deze plannen moeten nog worden goedgekeurd door de Tweede en Eerste Kamer.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-05-04T21:18:53+02:004 mei 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Lager forfait voor aandeel VvE en derdenrekening notaris in box 3

Mogelijke aanpassingen box 3-heffing vanaf 2024

Het kabinet gaat op 9 mei 2023 met de Tweede Kamer in overleg over een aantal aanpassingen vanaf 2024 in de box 3-heffing. Het overleg zal ook gaan over de budgettaire dekking die nodig is voor deze mogelijke aanpassingen.

Heffingskorting groen beleggen naar 1,1%

Om groen sparen en groen beleggen te stimuleren, geldt hiervoor een box 3-vrijstelling van (in 2023) € 65.072 per persoon. Fiscale partners hebben beiden recht op deze vrijstelling. Daarnaast geldt een heffingskorting van 0,7% van het vrijgestelde bedrag. Deze fiscale stimulans is een tegemoetkoming voor het lagere rendement op dit soort groene producten. De regeling kan voor groen sparen minder aantrekkelijk worden omdat, gezien de lage forfaitaire rendementen op banktegoeden, de vrijstelling minder van belang wordt. Om ook voor spaarders de prikkel om groen sparen te behouden, suggereert het kabinet de mogelijkheid om de heffingskorting vanaf 2024 tijdelijk te verhogen van 0,7% naar 1,1%.

Apart forfait voor vorderingen

Een andere mogelijke aanpassing is de introductie van een apart forfait voor vorderingen dat gelijk is aan het forfait voor schulden. Het kabinet onderzoekt nog of deze categorie vorderingen beperkt moet worden tot alleen geldleningen of zelfs tot alleen geldleningen tussen natuurlijke personen. Deze aanpassingen zou vanaf 2024 in kunnen gaan.

Tip!Als deze aanpassing wordt doorgevoerd, zal bijvoorbeeld een lening die een ouder aan een kind verstrekt bij de ouder in box 3 tegen hetzelfde forfait belast zijn als de schuld bij het kind. Op dit moment valt de vordering van de ouder in de categorie overige bezittingen tegen een forfaitair rendement van 6,17%. De schuld van het kind valt echter in box 3 tegen een veel lager forfaitair rendement (voor 2023 voorlopig vastgesteld op 2,57%).
Verdere uitsplitsing categorie overige bezittingen

Ook een nadere uitsplitsing van de categorie overige bezittingen behoort tot de mogelijke aanpassingen. Vanaf 2024 zouden dan de categorieën effecten, onroerende zaken, kapitaalverzekeringen, periodieke uitkeringen, belastbaar nettopensioen en belastbare nettolijfrente en overige bezittingen elk hun eigen forfaitair rendement krijgen.

Budgettaire dekking

Om deze aanpassingen te kunnen doorvoeren, is het wel noodzakelijk dat hiervoor budgettaire dekking wordt gevonden. Bij die dekking denkt het kabinet aan een verlaging van het heffingsvrije vermogen of een verder verhoging van het tarief in box 3.

Let op!Het box 3-tarief bedroeg in 2022 nog 31%, maar bedraagt in 2023 al 32%. In 2024 wordt dit tarief verder verhoogd naar 33% en vanaf 2025 bedraagt het 34%. Als de budgettaire dekking gevonden wordt in een verdere verhoging, bestaat dus de kans dat het box 3-tarief uiteindelijk uitkomt op 35% (of zelfs nog hoger?).

Overleg Tweede Kamer

Op 9 mei 2023 wil het kabinet in overleg met de Tweede Kamer over de mogelijke aanpassingen vanaf 2024. Op dat moment zal ook gesproken worden over de budgettaire dekking.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-05-04T21:12:49+02:004 mei 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Mogelijke aanpassingen box 3-heffing vanaf 2024

Extra klimaatmaatregelen: reductie CO2-uitstoot

Met een pakket aan extra maatregelen wil het kabinet de CO2-reductie verder reduceren. Het pakket is verdeeld over een flink aantal sectoren binnen de maatschappij. In totaal wordt er € 28,0 miljard vrijgemaakt voor klimaatuitgaven.

Elektriciteitssector

Het streven is de elektriciteitssector uitstootvrij te maken door zonne-energie op zee te realiseren, gascentrales om te bouwen voor gebruik van waterstof en een batterijverplichting voor zonneparken in te voeren. Voor de batterijverplichting wordt ruim € 416 miljoen uitgetrokken.

Energie-intensieve industrie

De energie-intensieve industrie moet verder vergroenen. Afvalverbrandingscentrales moeten minder afval verbranden en meer recyclen. Daarnaast komt een verbod op fossiele warmte-opwekking voor nieuwe en te vervangen industriële productie-installaties. Vanaf 2027 moeten alle plastics voor minimaal 25 tot 30% bestaan uit hergebruikt, of biomateriaal.

Bouw

Gebouwen worden uitstoot- en aardgasvrij gemaakt, onder meer door extra geld voor verduurzaming van woningen in kwetsbare wijken waar energie-armoede voorkomt en door subsidie voor zonnepanelen op huurwoningen. Verder wordt het vanaf 2026 in woningen, winkels, scholen en kantoren verplicht om een warmtepomp te installeren als de cv-ketel vervangen moet worden. Deze verplichting geldt alleen niet voor monumenten en appartementen en voor gebouwen waarvoor binnen 10 jaar een collectieve wijkoplossing (zoals een warmtenet) gerealiseerd wordt.
Het kabinet wil ook de energiebesparingsplicht per 2025 aanscherpen door de terugverdientijd te verlengen naar 7 jaar. Dit betekent dat bedrijven en instellingen die onder de energiebesparingsplicht vallen, vanaf 2025 alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 7 jaar of minder verplicht zijn uit te voeren. Nu ligt die grens nog op 5 jaar. Hierdoor zal ook het mkb naar verwachting meer energiebesparende maatregelen moeten nemen. Er wordt een instrument ontwikkeld om het mkb hierbij te ontlasten.
Er wordt € 25 miljoen uitgetrokken om Verenigingen van Eigenaren te activeren tot verduurzaming en ze bij de uitvoering te ondersteunen.

Vervoer

Elektrisch rijden wordt verder gestimuleerd, onder meer via een subsidie op elektrische occasions. Ook wordt er geïnvesteerd in extra laadpalen. Het gaat hierbij om onder meer (opschaling) slim laden, laden voor logistiek en laden voor bussen en taxi’s. Daarnaast worden werkgevers geprikkeld om het gebruik van elektrische auto’s, het openbaar vervoer en de fiets door werknemers te stimuleren. Dit gebeurt door het CO2-doel voor werkgebonden mobiliteit, waarover werkgevers met 100 of meer werknemers vanaf (waarschijnlijk) 2024 moeten rapporteren, te verhogen.

Landbouw

Het kabinet wil de landbouw verder verduurzamen. Voor de glastuinbouw wordt een CO2-belasting ingevoerd in combinatie met de uitrol van warmtenetten en SDE++ subsidie voor de toepassing van warmtepompen.

Energiebelasting

Om verduurzaming te laten lonen en de vervuiler meer te laten betalen, wordt de energiebelasting aangepast. Zo komt er komt een nieuw verlaagd tarief tot een bepaald gasverbruik van huishoudens, de tarieven boven de nieuwe schijf worden verhoogd. Daarnaast komt er en een apart, lager belastingtarief voor waterstof. Het fiscale voordeel voor kolen wordt per 1 januari 2028 afgeschaft.

Let op!Alle bovengenoemde plannen moeten nog nader worden uitgewerkt en door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-05-04T21:06:33+02:004 mei 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Extra klimaatmaatregelen: reductie CO2-uitstoot