FelienDeRidder

Over Felien de Ridder

Deze auteur heeft nog geen informatie verstrekt.
So far Felien de Ridder has created 1599 blog entries.

Vastlegging gegevens bij mestboekhouding 2025

Aan het einde van het jaar moet de mestboekhouding weer afgesloten worden. Welke gegevens moeten worden vastgelegd en waar moet u op letten?

Algemeen

  • Bepaling van de omvang van de mestvoorraden. Leg deze per mestopslag vast.
  • Vastlegging van de voorraden overige meststoffen (kunstmest).
  • Vaststelling gemiddeld aantal aanwezige dieren over 2025 (veesaldo- of diertelkaart).
  • Periode en aantal naar natuurterreinen uitgeschaarde dieren.

Staldieren

  • Leg het aantal op 31 december aanwezige dieren en het bijhorende gewicht vast.
  • Bepaal de omvang van de voervoorraden.

Melkvee (BEX/kringloopwijzer)

  • Hoeveelheid geproduceerde koemelk (afgeleverd, zelf verzuiveld, melk voor kalveren, ‘antibioticamelk’ en privé-melk).
  • Zorg dat alle partijen ruwvoer (kuilen, maar ook alle losse balen) zijn bemonsterd en dat de omvang is vastgesteld door de monsternemer. Dit moet plaatsvinden ná de conservering van de kuil en vóórdat de kuil wordt aangebroken. De bedrijfsplattegrond met daarop de plaatsen van alle voeropslagen moet ondertekend zijn door u en de monsternemer.
  • Leg de omvang van de voervoorraden (ruwvoer, bijproducten, krachtvoer) per einde van het jaar vast op een situatieschets en voorzie deze schets van datum en handtekening.

Let op! Zorg ervoor dat de vastgelegde gegevens overeenkomen met de financiële administratie.

Door |2025-12-29T01:00:00+01:0029 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Vastlegging gegevens bij mestboekhouding 2025

Rekenen met juiste gehaltes in mestvoorraden

RVO staat niet toe dat in een gebruiksnormenberekening in hetzelfde jaar twee verschillende methodes worden gehanteerd bij de begin- en eindvoorraad mest. Deze situatie doet zich voor als in het ene jaar de mest gewogen en bemonsterd is afgevoerd en in het andere jaar op basis van forfaitaire normen.

Tabel: te hanteren gehaltes in mestvoorraden in gebruiksnormenberekening 2025

Afvoer 2024 Afvoer 2025 Te hanteren in gebruiksnormenberekening 2025
Bemonsterd Bemonsterd Beginvoorraad: analysegegevens 2024
Eindvoorraad: analysegegevens 2025
Forfaitair Bemonsterd Beginvoorraad: forfaitair
Eindvoorraad: forfaitair *)
Bemonsterd Forfaitair Beginvoorraad: analysegegevens 2024
Eindvoorraad: analysegegevens 2024 *)
Forfaitair Forfaitair Beginvoorraad: forfaitair
Eindvoorraad: forfaitair

*) Gehaltes eindvoorraad wijken dus af van gehaltes in opgave aanvullende gegevens

Door |2025-12-29T01:00:00+01:0029 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Rekenen met juiste gehaltes in mestvoorraden

Opgave aanvullende gegevens: welke gegevens?

De meeste landbouwbedrijven moeten voor 1 februari 2026 een opgave aanvullende gegevens 2025 indienen, waarbij onder meer de voorraden meststoffen per 31 december moeten worden doorgegeven. Om welke voorraden gaat het daarbij en hoe bepaal je de gehalten?

Welke voorraden?
De volgende voorraden meststoffen moeten worden doorgegeven:

  • dierlijke mest;
  • kunstmest;
  • mineralenconcentraat;
  • spuiwater van luchtwassers dat gebruikt gaat worden als meststof op het eigen bedrijf of als meststof wordt verhandeld;
  • compost;
  • zuiveringsslib;
  • overige meststoffen of mengsels.

Van aangevoerde meststoffen zullen in veel gevallen de analyseresultaten aanwezig zijn, welke bij de opgave gebruikt moeten worden.

Hoeveelheden fosfaat en stikstof in voorraad dierlijke meststoffen
Bij de gehalten van de voorraden op eigen bedrijf gepro­duceerde dierlijke meststoffen moet uitgegaan worden va de best beschikbare ge­­­gevens. In (afnemende) volgorde van belangrijkheid zijn dit:

  • analyseresultaten van de voorraad mest;
  • analyseresultaten van de afgevoerde mest in het afgelopen jaar of bij het ontbreken hiervan de analyseresultaten van het voorliggende jaar.

Alleen wanneer deze gegevens ontbreken of niet-repre­sentatief zijn, mag gebruik gemaakt worden van de forfaitaire gehalten. Het is aan de landbouwer om op basis van goed onderbouwde gegevens aanneme­lijk te maken dat de genoemde analyseresultaten niet-representatief zijn.

Spuiwater
Voor de bepaling van de gehalten van spuiwater zijn de volgende mogelijkheden:

  • analyseresultaten van de voorraad;
  • eerdere analyseresultaten van (afgevoerd) spuiwater;
  • uitgaan van het verschil in kilogrammen tussen de stikstofcorrectie van een regulier en een emissiearm stalsysteem.

Bezinklaag
In een mestopslag met varkensmest kan een bezinklaag ontstaan. Deze moet apart opgegeven worden in de opgave aanvullende gegevens. Er moet uitgegaan worden van een aangroei van de bezinklaag met 2 centimeter per jaar. De hanteren gehaltes voor stikstof en fosfaat staan in het Boetebeleid Meststoffenwet RVO.

Opslagcapaciteit
Er zal dit jaar ook opgegeven moeten worden wat de maximale capaciteit voor de opslag van dierlijke mest per 31 december is. Volgens de website van RVO moet dit per opslag gebeuren.

Door |2025-12-29T01:00:00+01:0029 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Opgave aanvullende gegevens: welke gegevens?

Definitief geen derogatie meer in 2026

De Europese Commissie heeft definitief besloten dat het in 2026 niet meer mogelijk zal zijn een derogatievergunning aan te vragen en dat conform de Nitraatrichtlijn maximaal 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare geplaatst mag worden.

De Eurocommissaris van Milieu schrijft in een brief dat zij concludeert dat Nederland niet aan de voorwaarden voor een derogatie voldoet. Een verdere derogatie zou de druk vergroten op een moment waarop de waterkwaliteit en stikstofverontreiniging nog steeds een urgente zorg vormen. Het is daarom van essentieel belang de maatregelen te versterken die zijn voorgesteld in het ontwerp van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn om deze structurele problemen aan te pakken. De eurocommissaris begrijpt dat de huidige regering heeft besloten de ontwikkeling van een nieuw actieprogramma over te laten aan een nieuw kabinet. Tevens is besloten dat in de tussentijd het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn en de algemene voorwaarden van de derogatie 2022–2025 ook in 2026 van kracht blijven. Dit betekent echter dat de norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar voor het uitrijden van mest in alle gebieden zal gelden. Het blijft van cruciaal belang de reeds overeengekomen maatregelen volledig uit te voeren, met name de vermindering van de mestproductie. Het recente wetsvoorstel om de verplichte vermindering van mestproductierechten voor varkens en pluimvee in te trekken, dreigt deze voorwaarde te ondermijnen, die een hoeksteen vormt van het overeengekomen pakket om de derogatie haalbaar te maken.

Renure
De eurocommissaris denkt dat de toepassing van Renure wel kan bijdragen aan het bevorderen van nutriëntenkringlopen in de landbouw, met waarborgen voor water en milieu. Zij is ervan overtuigd dat dit Nederlandse landbouwers op termijn meer flexibiliteit zal bieden bij het beheren van nutriëntenplafonds en de deur zal openen voor innovatie op het gebied van mestverwerking.

Reactie minister van LVVN
Volgens de minister van LVVN heeft de afbouw van de huidige derogatie een zeer grote negatieve impact op het inkomen en toekomstperspectief van de boer en bestaat het risico dat steeds meer melkveehouders hun graslandpercelen zullen omzetten naar (meer lucratieve) bouwlandpercelen met alle negatieve gevolgen van dien op de waterkwaliteit.

NV-gebieden en stikstofgebruiksnormen 2025 blijven in 2026 van toepassing
Volgens het ontwerp van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn zouden de NV-gebieden worden vervangen door aandachtsgebieden voor fosfor en stikstof en zouden de stikstofgebruiksnormen worden geactualiseerd. Doordat de vaststelling van het 8e actieprogramma wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet, blijven in 2026 de huidige NV-gebieden en de stikstofgebruiksnormen 2025 van toepassing.

Door |2025-12-24T19:00:44+01:0024 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Definitief geen derogatie meer in 2026
  • Welk btw-tarief voor plastic draagtas?

Welk btw-tarief voor plastic draagtas?

Consumenten kunnen in een winkel vaak voor een gering bedrag een plastic draagtas aanschaffen. Een eigenaar van supermarkten procedeerde tot aan de Hoge Raad om te achterhalen of op deze tasjes terecht het hoge btw-tarief van 21% van toepassing is.

Zelfstandige prestatie

In deze procedure draaide het met name om de vraag of het verkopen van de plastic draagtassen voor de btw als een zelfstandige prestatie moest worden aangemerkt. Uitgangspunt voor de btw is bij levering van verschillende prestaties op iedere prestatie het behorende btw-tarief moet worden toegepast. Alleen in bepaalde situaties kan hiervan worden afgeweken. 

Wanneer afwijken?

Afwijken is aan de orde als meerdere prestaties zo nauw met elkaar verbonden zijn dat splitsing ervan kunstmatig zou zijn. Afwijken is ook mogelijk als er bij verschillende prestaties sprake is van één hoofdprestatie en één of meer bijkomende prestaties. Een bijkomende prestatie is geen doel op zich, maar een middel om van de hoofdprestatie optimaal gebruik te kunnen maken. Alleen in deze situaties volgt het bijkomende product het btw-tarief van de hoofdprestatie.

Draagtas is zelfstandige prestatie

De rechtbank en het gerechtshof Amsterdam komen tot de conclusie dat de draagtasjes als zelfstandige prestatie aangemerkt moeten worden. Ze zijn niet bijkomend, maar juist een doel op zich voor de consument die in de supermarkt geen boodschappentas bij zich heeft. De consument heeft dan ook de keuze al dan niet een draagtas aan te schaffen en moet hier ook apart voor betalen.

Geen verpakking

Een draagtasje kan ook niet als verpakkingsmateriaal worden betiteld en volgt dus niet het btw-tarief van de hoofdprestatie, aldus de rechters. Het is immers geen onderdeel van een product, maar ze zijn bij aankoop juist leeg. Er is dan ook geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat op de prestatie ‘draagtas’ het hoge btw-tarief van 21% moet worden toegepast. 

De Hoge Raad is het hiermee eens en laat de uitspraak van het Hof Amsterdam dan ook in stand.

Door |2026-03-11T08:03:20+01:0023 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Welk btw-tarief voor plastic draagtas?
  • Hoe hoog moet de nieuwe flatrate-premie zijn?

Hoe hoog moet de nieuwe flatrate-premie zijn?

Alle pensioenregelingen moeten per 2028 voldoen aan de Wet toekomst pensioenen. Dat betekent dat alle werknemers, jong/oud, fulltime/parttime, een gelijke premie (flatrate) moeten krijgen.

Nieuwe werknemers per 2028

Nieuwe werknemers krijgen dus vanaf 2028 allemaal dezelfde premie, ongeacht leeftijd. Ook krijgen zij allemaal eenzelfde partnerpensioen, zijnde een vast percentage van het salaris. Dat deze premie afwijkt van een vergelijkbare werknemer qua leeftijd die al werkzaam is, mag op grond van objectieve discriminatie. Iemand is immers in dienst per 2028 of nog niet. Dat laat onverlet dat het ‘scheve ogen’ kan geven, zeker als een nieuwe werknemer meer premie krijgt als een zittende werknemer die al jaren voor het bedrijf werkt. Dat geldt ook voor een oudere werknemer die minder krijgt dan een zittende werknemer van vergelijkbare leeftijd, ook al is deze al lang(er) werkzaam.

Let op! Uitgezonderd zijn werknemers die gebruikmaken van het overgangsregime. Dat zijn werknemers die nu een stijgende beschikbare premiestaffel hebben en per ultimo 2027 in dienst zijn. Zij mogen dan de maximale premie van 30% zelfs overschrijden.

Wat is een ‘goede premie’?

De eerste vraag is dan wat een ‘goede premie’ is. Dat hangt in ieder geval af van de eigen bijdrage van een werknemer. Als de werkgever 15% betaalt zonder eigen bijdrage, dan is dat immers ‘beter’ dan 18% met een eigen bijdrage van 1/3, zijnde 6%. 

Bij pensioenfondsen ligt de gemiddelde premie vaak rond de 25%, dat is dan wel inclusief premie voor het partnerpensioen, premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid en kosten. In de vrije markt ligt de gemiddelde premie rond de 18 tot 20%, waarbij de kosten voor risicopremies daar nog bovenop komen voor de werkgever. In adviesbranches zoals consultants, IT en accountantskantoren ligt de premie vaak ‘nog’ lager, rond de 10 tot 12%. Dat is dus relatief laag. Immers, bij een premie van 15% moet netto 4% rendement worden gehaald om ongeveer op een middelloonpensioen uit te komen. Daar zit dan eigenlijk nog geen inflatiecorrectie in. Uiteraard is de hoogte van de pensioenpremie een keus en vaak ook een ‘ruil’ tussen salaris of pensioen. Maar een premie van minimaal 15 tot 18%, met een eigen bijdrage van 1/3, is wel het minimale wat nodig is voor een redelijk pensioen, zeker ook om concurrerend te zijn als werkgever.

Mogen zittende werknemers opteren voor de nieuwe flatrate-premie?

Formeel hebben zij geen recht daarop, maar het kan een optie zijn. Zeker als in de bestaande regeling geen, maar in de nieuwe regeling wel een eigen bijdrage zit, kan het zowel voor werknemer als werkgever toch een aantrekkelijk optie zijn om ‘meer’ pensioen op te bouwen. 

Dat het verschil in pensioenpremie – pensioen wordt niet voor niets ook wel uitgesteld salaris genoemd – vroeg of laat discussie op de werkvloer gaat geven, mag duidelijk zijn. De juridische onderbouwing om dat toch toe te staan is prima, maar zal niet altijd acceptabel zijn. Zeker als er daarna weer fusies of overnames volgen, met nog meer verschil in pensioenpremie, zal dat betekenen dat er op termijn toch (weer) geharmoniseerd moet worden.

Door |2026-03-10T08:41:03+01:0023 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Hoe hoog moet de nieuwe flatrate-premie zijn?
  • Mag gemeente kostenraming achteraf aanpassen?

Mag gemeente kostenraming achteraf aanpassen?

Als u een naheffingsaanslag parkeerbelasting krijgt, betaalt u ook voor de hiermee verband houdende kosten. De omvang van deze kosten wordt door de gemeente zo goed mogelijk geraamd. Mag een dergelijke raming achteraf ook worden bijgesteld?

Kosten parkeerbelasting

Een gemeente kan voor een aantal zaken belasting heffen. Dat geldt onder meer voor parkeren, waarvoor u parkeerbelasting verschuldigd kunt zijn. Betaalt u niet of te weinig, dan kan een naheffingsaanslag worden opgelegd inclusief kosten. 

Let op! Deze kosten bedragen dit jaar maximaal € 78,80 en stijgen in 2026 naar € 82.

Kostenraming onjuist

Rechtbank Den Haag moest de vraag beantwoorden wat de gevolgen zijn als een raming van de kosten achteraf onjuist blijkt en deze raming wordt bijgesteld. In het betreffende geval had een automobilist een naheffing parkeerbelasting gehad met een bedrag van € 51,09 aan kosten. Omdat een gemeente niet meer kosten in rekening mag brengen dan men zelf voor het handhaven van de parkeerbelasting maakt, stond de vraag centraal of de kostenraming wel klopte.

Foutje, bedankt…

Duidelijk werd dat de raming enkele fouten bevatte. In totaal was er in de raming voor een bedrag van ruim € 37.000 te veel aan kosten geraamd. Daar stond echter tegenover dat in de raming per ongeluk een veel groter bedrag aan kosten niet was opgenomen, onder andere het lidmaatschap van de gemeente van de Coöperatie Parkeerservice. Deze coöperatie beheert de parkeerautomaten en rijdt met scanauto’s rond. Deze kosten hadden ook meegenomen moeten worden, aldus de gemeente.

Bijstellen mag

De rechtbank kwam op grond van rechtspraak uit het verleden tot de conclusie dat het is toegestaan om tijdens een procedure een kostenraming te herzien. Het gaat er immers slechts om dat niet meer kosten in rekening worden gebracht dan de kosten die de gemeente zou hebben geraamd, uitgaande van de juiste cijfers. Daarbij rust op de gemeente de bewijslast.

Nu dit in deze zaak uit de cijfers bleek, werd de gemeente in het gelijkgesteld en bleef de naheffing parkeerbelasting in stand.

Door |2026-03-10T08:41:04+01:0023 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Mag gemeente kostenraming achteraf aanpassen?
  • Extra aandacht voor voorlopige aanslag 2026

Extra aandacht voor voorlopige aanslag 2026

Veel belastingplichtigen, zo ook ondernemers in de inkomstenbelasting, kunnen al in december 2025 de voorlopige aanslag voor 2026 ontvangen. De Belastingdienst wijst erop dat u deze voorlopige aanslag pas ná de dagtekening moet betalen.

Berichtenbox

De voorlopige aanslag(en) voor 2026 kunt u vanaf eind december terugvinden in uw Berichtenbox in Mijn Belastingdienst. De papieren versie van de aanslag wordt in januari 2026 ook per post bezorgd. 

Let op! Betaalt u vóór de dagtekening, dan kunnen de systemen van de Belastingdienst dit mogelijk niet correct verwerken en worden de bedragen teruggestort.

Uiterste betaaldatum

De datum waarop de betaling bij de Belastingdienst binnen moet zijn, is afhankelijk van de wijze van betaling. U kunt ineens betalen, maar ook in termijnen. De uiterste datum van de betaling ineens of in termijnen, staat vermeld op de voorlopige aanslag.

Tip! U kunt ook voor een automatische betaling kiezen, waardoor een betaling bij voldoende saldo op uw rekening nooit te laat wordt gedaan.

Controleren

De Belastingdienst baseert uw voorlopige aanslag op gegevens uit het verleden, de laatste definitieve aanslag of voorlopige aanslag van het voorgaande jaar. Controleer of de gebruikte gegevens niet te veel afwijken van uw huidige situatie. Is dit wel zo, dan is het verstandig de voorlopige aanslag (online) te wijzigen, zeker als u verwacht bij te moeten betalen.

Wijzigen

U kunt uw voorlopige aanslag wijzigen in Mijn Belastingdienst. Als u bent ingelogd kunt u de betreffende gegevens vervangen door de juiste. 

Tip! Ontvangt u de voorlopige aanslag 2026, dan kijken wij graag voor u of alles nog klopt.

Door |2026-03-09T08:15:00+01:0023 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Extra aandacht voor voorlopige aanslag 2026

Uitstel actualisatie excretieforfaits

De minister van LVVN had het voornemen om de excretieforfaits en stikstofcorrectiefactoren voor die diercategorieën waarop het fosfaatrechtenstelsel niet van toepassing is, per 1 januari 2026 te actualiseren. Naar aanleiding van de internetconsultatie heeft zij nu besloten deze actualisatie uit te stellen.

Ondanks de beperkte duur van de consultatieperiode (twee weken) ontving de minister meer dan 180 reacties. In veel reacties werd opgemerkt dat de periode tussen het bekend worden van de wijziging en het van kracht worden daarvan te kort is om zich voor te bereiden op de gevolgen en de bedrijfsvoering daarop aan te passen. Verschillende veehouders gaven bovendien aan dat de gevolgen van de verhoging van de excretieforfaits en stikstofcorrectiefactoren voor hun bedrijf aanzienlijk zijn. Ook werden in een aantal reacties kanttekeningen geplaatst bij de onderbouwing van de door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet geadviseerde wijzigingen.

Gezien deze reacties wil de minister nu meer tijd nemen. Zij wil de bezwaren bestuderen, de voorbereide wijzigingsregeling zo nodig aanpassen en het ontwerp daarvan opnieuw in internetconsultatie brengen. Hierbij wil zij de verschillende sectoren betrekken.
 

Door |2025-12-22T15:52:52+01:0022 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Uitstel actualisatie excretieforfaits
  • Toch nog zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid in 2026

Toch nog zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid in 2026

De zachte landing voor de handhaving van schijnzelfstandigheid wordt in 2026 gedeeltelijk verlengd. Nadat het kabinet eerdere aangenomen moties hierover niet wilde uitvoeren, is het kabinet op 19 december 2025 toch deels overstag gegaan.

Geen volledige verlenging zachte landing

Het kabinet vindt het ongewenst om de zachte landing zoals die in 2025 geldt, volledig te verlengen. Na nieuwe aangenomen moties in de Tweede Kamer kiest het kabinet echter wel voor een gedeeltelijke verlenging.

Start met bedrijfsbezoek

De gedeeltelijke verlenging betekent dat de Belastingdienst ook in 2026 in principe start met een bedrijfsbezoek in plaats van meteen met een belastingcontrole. De ondernemer krijgt daarna in principe de mogelijkheid om zijn bedrijfsvoering te verbeteren.

Let op! Het starten met een bedrijfsbezoek betekent niet dat de Belastingdienst niet alsnog een belastingcontrole kan opstarten na het bedrijfsbezoek. Die mogelijkheid heeft de Belastingdienst in 2025 al en zal ook in 2026 mogelijk zijn.

Naheffingen en vergrijpboetes

De Belastingdienst kan in 2026 – net als in 2025 – wel naheffingen opleggen. Als sprake is van (evidente) schijnzelfstandigheid heeft de Belastingdienst dus de mogelijkheid om te handelen. Waar in 2025 nog geen vergrijpboetes opgelegd kunnen worden, kan dat vanaf 2026 wel. De verlenging van de zachte landing geldt dus niet voor vergrijpboetes. Dit geldt zowel voor werkenden als voor werkgevenden.

De Belastingdienst kan een vergrijpboete opleggen als sprake is van (voorwaardelijke) opzet of grove schuld. Het kabinet vindt het onwenselijk om (voorwaardelijke) opzet of grove schuld nog langer onbestraft te laten en wil de zachte landing op dit punt daarom niet verlengen.

Let op! De Belastingdienst kan in 2026 ook weer kiezen of ze een belastingcontrole doet over een kalenderjaar of over een recent aangiftetijdvak.

Geen verzuimboetes

De verlenging van de zachte landing geldt nog wel voor verzuimboetes. De Belastingdienst legt dus in 2026 nog geen verzuimboetes op.

Let op! De verlenging van de zachte landing geldt alleen in 2026. Vanaf 2027 zal de Belastingdienst dus niet meer starten met een bedrijfsbezoek en ook verzuimboetes opleggen.

Door |2026-03-09T08:15:01+01:0022 december 2025|Geen categorie|Reacties uitgeschakeld voor Toch nog zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid in 2026