accountancy

Hogere korting mrb emissievrije auto’s

Mogelijk wordt de tariefkorting in de motorrijtuigenbelasting (mrb) voor emissievrije auto’s verhoogd. Hierdoor betalen eigenaren van elektrische auto’s in de periode 2026-2028 minder mrb dan eerder was aangekondigd in het Belastingplan 2025.

Tariefkorting mrb 2025

Auto

Eigenaren van elektrische auto’s en andere auto’s zonder CO2-uitstoot krijgen in 2025 een tariefkorting van 75% op de mrb. In plaats van 100% betalen zij dus 25%.

Tariefkorting mrb 2026-2029

In het eind vorig jaar aangenomen Belastingplan 2025 was voor de jaren 2026 tot en met 2028 een tariefkorting afgesproken van 25%. In plaats van 100% betalen eigenaren van emissievrije auto’s in de jaren 2026 tot en met 2028 dan 75%.

Het kabinet had bij de behandeling van het Belastingplan 2025  toegezegd om de hoogte van de tariefkorting in het voorjaar van 2025 opnieuw te wegen. Dit heeft er toe geleid dat de plannen zijn bijgesteld en de tariefkorting voor de jaren 2026 tot en met 2028 wordt verhoogd naar 30%. In plaats van 75% betalen eigenaren van emissievrije auto’s in de jaren 2026 tot en met 2028 dan 70%.

Let op! De verhoging naar 30% geldt niet voor 2029. Voor dat jaar blijft de tariefkorting gehandhaafd op 25%. Vanaf het jaar 2030 geldt geen tariefkorting meer.

Belastingplan 2026

De aanpassing is nog niet definitief. Deze wordt opgenomen  in het Belastingplanpakket 2026 dat op Prinsjesdag 2025 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Daarna moeten zowel de Tweede als de Eerste Kamer nog instemmen.

Let op! Het kabinet gaat de komende tijd met stakeholders en medeoverheden in gesprek over onder meer een structurele oplossing voor de gewichtscorrectie in de mrb van elektrische auto’s. Denkrichting hierbij is onder meer om de grondslag van de mrb te wijzigen van gewicht naar voertuigoppervlak. De Tweede Kamer wordt voor het zomerreces over de contouren nader geïnformeerd.

Door |2025-05-07T14:52:09+02:007 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Hogere korting mrb emissievrije auto’s

Geen bijtelling meer fiets van de zaak?

Voor de fiets die een werkgever ook voor privégebruik ter beschikking stelt aan een werknemer geldt een bijtelling van 7%. Het kabinet is van plan om te verduidelijken en te versoepelen wanneer geen bijtelling hoeft worden toegepast.

Fiets van de zaak

Fiets

Stel je een fiets aan een werknemer ter beschikking die de werknemer voor woon-werkverkeer mag gebruiken, dan wordt deze fiets geacht ook voor privégebruik ter beschikking te staan. Per kalenderjaar geldt dan een bijtelling van 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets.

Over deze bijtelling moet je loonbelasting/premies volksverzekeringen inhouden, premies werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.

Let op! Je kunt er ook voor kiezen om de bijtelling aan te wijzen in de vrije ruimte, mits aan de gebruikelijkheidstoets wordt voldaan. Overschrijdt u in een jaar met alle aanwijzingen de vrije ruimte, dan betaal je als werkgever 80% eindheffing hierover.

Geen bijtelling voor deel- en hubfietsen

Het kabinet is van plan om de bijtellingsregeling voor fietsen van de zaak te verduidelijken/versoepelen. Het is de bedoeling dat er voor fietsen die over het algemeen niet thuis worden gestald, geen bijtelling meer geldt. Dit moet ervoor zorgen dat bijvoorbeeld deel- en hubfietsen die voor zakelijke doeleinden worden gebruikt, ook buiten de bijtelling vallen.

Belastingplan 2026

Bovenstaande is nog niet definitief. Het plan is om een en ander op te nemen in het Belastingplanpakket 2026 dat op Prinsjesdag 2025 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Daarna moeten zowel de Tweede als de Eerste Kamer nog instemmen.

Door |2025-05-07T14:50:24+02:007 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Geen bijtelling meer fiets van de zaak?

Plantenterrarium geheel belast met 21% btw

Een rechter oordeelde onlangs dat de levering van een zogenoemd plantenterrarium volledig belast is met 21% btw. Het 9% btw-tarief dat geldt voor bloemen en planten is in dit geval niet van toepassing, ook niet op de planten in het plantenterrarium.

Plantenterrarium

Kas

Een plantenterrarium is een (afgesloten) glazen object met daarin een of meerdere planten. De planten in dit terrarium leven van de kringloop van het water, de zuurstof en de voedingstoffen binnen het glas en hebben geen of slechts beperkt verzorging nodig.

Een ondeelbare prestatie?

Een ondernemer levert plantenterraria en berekent hierover het 9% btw-tarief. De ondernemer is van mening dat het glas en de planten één ondeelbare prestatie vormen die vallen onder 9% btw-tarief dat geldt voor sierteeltproducten.

Ja, maar niet tegen 9% btw!

De rechtbank is het met de ondernemer eens dat sprake is van één ondeelbare prestatie. De rechtbank vindt echter niet dat deze prestatie te kwalificeren is als de levering van een sierteeltproduct waarvoor het 9% btw-tarief geldt. Een plantenterrarium is namelijk niet opgenomen in de limitatieve lijst van producten die kunnen worden aangemerkt als sierteeltproduct.

En ook geen eenvoudig omhulsel of verpakking

Verder vindt de rechtbank dat ook geen beroep gedaan kan worden op de goedkeuring waarin opgenomen is dat onder planten ook wordt begrepen “krokussen en dergelijke die zijn gevat in eenvoudige glazen of plastic potjes of verpakt in kartonnen doosjes”.

In deze goedkeuring gaat het, naar het oordeel van de rechtbank, om eenvoudige omhulsels of verpakkingen die nodig zijn om de handel in deze goederen mogelijk te maken. Het glaswerk in een plantenterrarium is meer dan een eenvoudige glazen pot en is bepalend voor het functioneren en het uiterlijk van het plantenterrarium. Om die reden kan geen beroep worden gedaan op de goedkeuring.

Daarom 21% btw

Nu het plantenterrarium één ondeelbare prestatie is en niet kan worden aangemerkt als een sierteeltproduct en ook geen beroep kan worden gedaan op de goedkeuring inzake een eenvoudig omhulsel of verpakking, rest alleen nog het belasten van het volledige product (glas + planten) tegen 21% btw. De ondernemer in kwestie mag het product dus ook niet splitsen in een deel tegen 9% btw (de planten) en een deel tegen 21% btw (de glazen pot).

Let op! Levert u ook plantenterraria of ander samengestelde sierteeltproducten? Beoordeel dan of sprake is van één ondeelbare prestatie of twee of meer prestaties. Is sprake van één ondeelbare prestatie, beoordeel dan welke btw-tarief geldt (9 of 21% btw). Is sprake van twee of meer prestaties, dan moet u de levering splitsen en per deel beoordelen welk btw-tarief geldt (9% of 21% btw).

Door |2025-05-07T14:56:08+02:007 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Plantenterrarium geheel belast met 21% btw

Kinderopvang goedkoper in 2026 en 2027

Kinderopvang wordt in 2026 en 2027 goedkoper en zal vanaf 2029 bijna gratis zijn voor werkende ouders. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de kinderopvang vanaf 2027 bijna gratis zou zijn, maar al eerder werd bekend dat dit uitgesteld is naar 2029.

2026: hoger vergoedingspercentage

Speen

Het kabinet wil in 2026 € 199 miljoen investeren in een hogere kinderopvangtoeslag. Hierdoor krijgen ouders met een gezamenlijk inkomen tot € 56.412 in 2026 recht op het maximale vergoedingspercentage van 96% in de kinderopvangtoeslag. Maar ook ouders met een gezamenlijk inkomen boven € 55.000 krijgen een hoger vergoedingspercentage.

2027: maximale vergoedingspercentage voor meer inkomens

Het kabinet wil in 2027 de vergoeding nog verder verhogen. Hierdoor krijgen ouders met een middeninkomen (gezamenlijk inkomen tot bijna twee keer modaal) vanaf 2027 ook recht op het maximale vergoedingspercentage van 96%.

2029: maximale vergoedingspercentage voor alle werkende ouders

De bedoeling is dat het nieuwe stelsel in 2029 ingaat. De vergoeding voor kinderopvang zal dan niet meer afhankelijk zijn van het inkomen. Op dat moment krijgen dus alle werkende ouders, ongeacht hun inkomen, recht op het maximale vergoedingspercentage van 96%.

Ook verhoging maximumuurprijzen in 2026

Oorspronkelijk was het de niet de bedoeling om in 2026 de maximumuurprijzen aan te passen aan het prijsniveau. In de Voorjaarsnota 2025 is echter besloten om de maximumprijzen in 2026 toch te verhogen met 4,84% en de toetsingsinkomens te indexeren met 4,04%.

De maximumuurprijzen stijgen hierdoor voor de dagopvang van € 10,71 in 2025 naar € 11,23 in 2026. Voor de buitenschoolse opvang stijgt de maximumuurprijs van € 9,52 in 2025 naar € 9,98 in 2026 en voor gastouderopvang van € 8,10 in 2025 naar € 8,49 in 2026.

Door |2025-05-07T14:54:48+02:007 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Kinderopvang goedkoper in 2026 en 2027

Versoepeling pseudo-eindheffing RVU verlengd tot en met 2028

De huidige versoepeling van de RVU-regeling, de regeling vervroegde uittreding, stopt eind 2025. In oktober 2024 was al een akkoord gesloten voor een verlenging van de versoepeling van de regeling voor mensen met zwaar werk. In de Voorjaarsnota 2025 is nu ook een verlenging van de versoepeling en een verhoging van de drempelvrijstelling opgenomen.

Pseudo-eindheffing RVU

Belastingdienst

Als een werkgever een uitkering doet zodat een oudere werknemer eerder kan stoppen met werken, is de werkgever hierover een pseudo-eindheffing verschuldigd van 52%. Van een dergelijke regeling voor vervroegde uittreding is sprake, als de regeling het effect heeft dat een periode wordt overbrugt  tot een pensioenregeling of AOW start. Ook  uitkeringen die een pensioenregeling aanvullen, worden als zodanig aangemerkt.

Let op! In handreikingen en in de jurisprudentie zijn verduidelijkingen gegeven over de vraag of sprake is van een RVU of niet. Neem voor meer informatie hierover contact op met een van onze adviseurs.

Tijdelijke versoepeling pseudo-eindheffing RVU

Vanaf 1 januari 2021 geldt een tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing RVU. Hierdoor kunnen werkgevers maximaal drie jaar voor de AOW-leeftijd van een werknemer een bedrag meegeven aan de werknemer, zonder dat hierover de pseudo-eindheffing verschuldigd is. Dit bedrag is gelijk aan de drempelvrijstelling die jaarlijks opnieuw vastgesteld wordt. Is de RVU-uitkering hoger dan de drempelvrijstelling, dan is over het meerdere wel 52% pseudo-eindheffing verschuldigd.

 Jaar  Drempelvrijstelling bruto per maand
2021  € 1.847
2022  € 1.847
2023  € 2.037
2024  € 2.182
2025  € 2.273


Let op!
De tijdelijke versoepeling eindigt eind 2025. Er geldt wel overgangsrecht waardoor er voor een uiterlijk op 31 december 2025 overeengekomen RVU, in de jaren 2026 tot en met 2028 nog gebruik kan worden gemaakt van de drempelvrijstelling.

Verlenging versoepeling en verhoging drempelvrijstelling

In de Voorjaarsnota 2025 is opgenomen dat de versoepeling van de pseudo-eindheffing RVU met drie jaar wordt verlengd tot en met 2028. Er is ook budget opgenomen voor verhoging van de drempelvrijstelling. Daarnaast is er budget gereserveerd voor een mogelijke verlenging van de versoepeling vanaf 2029.

Verhogen pseudo-eindheffing tot maximaal 65%

Ter dekking van de verlenging van de versoepeling en verhoging van de drempelvrijstelling is in de Voorjaarsnota 2025 opgenomen dat de pseudo-eindheffing vanaf 2026 in stappen wordt verhoogd tot deze in 2028 65% bedraagt. Ook voor 2029 en 2030 lijkt de heffing op 65% te blijven.

Belastingplan 2026

De verlenging en verhoging zijn nog niet definitief. Het plan is om de verlenging en verhogingen op te nemen in het Belastingplanpakket 2026 dat op Prinsjesdag 2025 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Daarna moeten zowel de Tweede als de Eerste Kamer nog instemmen.

Door |2025-05-02T15:52:00+02:002 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Versoepeling pseudo-eindheffing RVU verlengd tot en met 2028

Toelatingsstelsel uitzendbureaus per 1 januari 2027

Het kabinet wil uitzendbureaus en andere partijen die werknemers uitlenen aan derden en daarbij wetten en regels ontduiken of omzeilen flink aanpakken. In veel gevallen betalen deze partijen arbeidsmigranten te weinig of laten ze werken onder slechte omstandigheden. De Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) – inmiddels aangenomen door de Tweede Kamer – moet dit voorkomen.

Nieuw toelatingsstelsel

Handtekening

Er komt voor partijen die werknemers uitlenen (uitleners) een toelatingsstelsel. Een speciale Toelatende Instantie bepaalt wie toegelaten wordt. Uitleners mogen per 1 januari 2027 alleen arbeidskrachten ter beschikking stellen als zij daartoe zijn toegelaten. Bedrijven die gebruikmaken van uitzendkrachten mogen dit alleen doen via toegelaten uitleners.

Overgangsrecht

Tot 1 januari 2027 zal er een overgangsrecht gaan gelden. Als bedrijven onder het overgangsrecht vallen, mogen ze personeel blijven uitlenen zolang het ministerie de aanvraag voor een vergunning nog niet heeft beoordeeld.

Uitleners die gebruik willen maken van het overgangsrecht moeten zich tussen 1 november 2026 en 1 januari 2027 melden bij het ministerie van SZW. Deze deadline geldt voor uitleners met én zonder certificaat van de Stichting Normering Arbeid (SNA).

Daarnaast geldt als voorwaarde voor het overgangsrecht dat uitleners binnen de eerste zes maanden na inwerkingtreding een toelatingsaanvraag doen. Dit zal moeten vóór 1 juli 2027.

Let op! Uitleners die na 1 juli 2027 de toelatingsaanvraag indienen, kunnen geen beroep meer doen op het overgangsrecht.

Voorwaarden toelating

Er zal een speciale Toelatende Instantie worden ingericht die de aanvragen gaat beoordelen. Om toegelaten te worden tot het nieuwe stelsel moeten uitleners aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten zij beschikken over een actuele Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), moeten zij een waarborgsom van € 100.000 storten (voor startende bedrijven geldt een waarborgsom van € 50.000) en moeten zij kunnen aantonen dat ze voldoen aan relevante wetgeving.

En verder

Periodiek zal worden gecontroleerd of de uitleners nog aan alle eisen voldoen. Daarnaast wordt de bestaande registratieplicht in de Basisregistratie Personen (BRP) juridisch verankerd en komt er een wettelijke zorgplicht voor aanbieders.

Inspectie

De Nederlandse Arbeidsinspectie zal vanaf 2028 gaan handhaven, wat betekent dat  in- en uitleners die zich niet aan de wet houden worden beboet.

Door |2025-05-02T15:55:24+02:002 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Toelatingsstelsel uitzendbureaus per 1 januari 2027

Ongelijke verdeling huwelijksgoederengemeenschap en verrekenbeding wordt aangepakt

Het kabinet gaat ongelijke verdelingen van een huwelijksgemeenschap en ongelijke verdelingen bij een verrekenbeding fiscaal aanpakken. Een wetswijziging hiertoe ligt nu ter consultatie.

Aanleiding

Juridisch

Aanleiding is de uitkomst van een arrest van de Hoge Raad van begin 2024 waarbij twee echtgenoten huwelijksvoorwaarden aangingen in het zicht van overlijden van één van hen. De Hoge Raad oordeelde dat de ongelijke verdeling – waarbij de langstlevende 90% kreeg toebedeeld – niet in strijd was met de wet. Het kabinet wil dit aanpakken en kiest er daarom voor om de wet te wijzigen.

Internetconsultatie

De voorgenomen wetswijziging wordt opgenomen in het Belastingplan 2026 dat op Prinsjesdag 2025 zal worden gepresenteerd. Over deze wetswijziging is nu een internetconsultatie gestart. Deze consultatie loopt nog tot 14 mei 2025.

Constructie

De constructie komt erop neer dat partners in het zicht van overlijden, bijvoorbeeld bij een ongeneeslijke ziekte, in hun huwelijkse voorwaarden de gerechtigdheid tot de huwelijksgoederengemeenschap aanpassen ten gunste van de partner die hoogstwaarschijnlijk het langst leeft. Ook het wijzigen van een verrekenbeding ten gunste van de partner die hoogstwaarschijnlijk het langst leeft, heeft hetzelfde effect. De achterblijvende partner erft minder en er hoeft minder erfbelasting te worden betaald dan bij een gelijke verdeling (50%-50%).

Voorstel wetswijziging

Het kabinet wil genoemde constructie bestrijden. Het voorstel van het kabinet gaat echter veel verder dan het bestrijden van de aanpassingen van de huwelijksvoorwaarden inzake de huwelijksgoederengemeenschap of de verrekenbedingen in het zicht van overlijden van één van de partners. Het kabinet stelt namelijk voor om schenk- of erfbelasting te heffen bij elke ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap of bij elk toegepast verrekenbeding waarbij aan een partner meer toekomt dan de helft van de gemeenschap of de te verrekenen som. Hiermee worden dus niet alleen huwelijkse voorwaarden getroffen die gewijzigd zijn in het zicht van overlijden, maar alle huwelijkse voorwaarden waarvan het effect is dat er een ongelijke verdeling ontstaat.

Wat betekent de wetswijziging?

Als het voorstel ongewijzigd in de wet wordt opgenomen, betekent dit het volgende:

  • Als bij een overlijden een partner bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap of bij uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als verkrijging op grond van erfrecht. Afhankelijk van de hoogte en andere verkrijgingen, is de langstlevende partner hierover erfbelasting verschuldigd.
  • Als een partner bij een echtscheiding door ontbinding van de huwelijksgemeenschap of uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als schenking. Afhankelijk van de hoogte en andere schenkingen is hierover schenkbelasting verschuldigd.

Terugwerkende kracht 18 april 2025

Hoewel het voorstel nog in een wetsvoorstel moet worden opgenomen en door de Tweede en Eerste Kamer moet worden goedgekeurd, wordt in het voorstel al wel rekening gehouden met onmiddellijke inwerkingtreding vanaf 18 april 2025, de datum waarop in de Voorjaarsnota 2025 de maatregel bekend werd.

Uitzonderingen

Alleen de volgende huwelijkse voorwaarden worden niet getroffen door de voorgestelde wetswijziging:

  • huwelijkse voorwaarden waarin al een ongelijke verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is overeengekomen vóór 18 april 2025, en
  • huwelijkse voorwaarden waarin al een finaal verrekenbeding met ongelijke breukdelen is overeengekomen vóór 18 april 2025.

Let op! Alle huwelijkse voorwaarden die vanaf 18 april 2025 zijn aangegaan of gewijzigd, worden wel volledig door de maatregel getroffen. Dit is ook het geval als de huwelijkse voorwaarden vanaf 18 april 2025 op andere onderdelen dan de ongelijke verdeling worden aangepast. Door elke aanpassing van huwelijkse voorwaarden vanaf 18 april 2025 wordt dus de uitzonderingspositie opgeheven!

Door |2025-05-02T15:54:24+02:002 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Ongelijke verdeling huwelijksgoederengemeenschap en verrekenbeding wordt aangepakt

Fiscale regeling aandelenopties bij start-ups en scale-ups

Het kabinet is van plan om een fiscale regeling te introduceren om de toegang tot talentvolle werknemers voor start-ups en scale-ups te verbeteren. De bedoeling is dat door een nieuwe fiscale regeling voor aandelenopties, medewerkersparticipatie wordt bevorderd en daarmee start-ups succesvoller kunnen doorgroeien naar scale-ups.

Belastingkorting aandelenopties

Handen schudden

Het voorstel is om een belastingkorting in de loonbelasting te introduceren voor voordelen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups. De belastingkorting wordt vormgegeven door de grondslag van de voordelen uit aandelenopties te beperken tot 65%, zodat over een lager voordeel belasting wordt geheven. Het doel is om het effectieve tarief uit te laten komen op de belastingheffing in box 2.

Uitstel belastingheffing aandelenopties

Het voorstel is om ook het moment van belastingheffing uit te stellen naar uiterlijk het moment waarop de aandelen – die verkregen zijn na uitoefening van de aandelenopties – worden verkocht. Op die manier hoeft er nog geen belasting betaald te worden als er nog geen geld beschikbaar is.

Vanaf 2027?

Het doel is om de regeling met ingang van 2027 in werking te laten treden. De regeling wordt op dit moment uitgewerkt tot een wetsvoorstel en is dus nog niet definitief. De Tweede Kamer wordt voor het zomerreces nader geïnformeerd.

Door |2025-05-02T15:53:03+02:002 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Fiscale regeling aandelenopties bij start-ups en scale-ups

Wijziging belastingverdrag Nederland-Duitsland inzake thuiswerken

Nederland en Duitsland hebben afgesproken om het huidige belastingverdrag te wijzigen. Dit kan gevolgen hebben voor thuiswerkers. Grenswerkers kunnen na de wijziging maximaal 34 dagen thuiswerken, zonder dat zij in beide landen belasting over hun inkomen hoeven te betalen.

Belastingverdrag: verdeling belastingheffing

Vlaggen

In het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland zijn afspraken opgenomen over in welk land welk inkomen belast mag worden. Zo is de afspraak dat als een inwoner van Duitsland voor een in Nederland gevestigde werkgever in Nederland werkt, Nederland belasting mag heffen over het loon. Dezelfde afspraak geldt voor een inwoner van Nederland die in Duitsland werkt voor een in Duitsland gevestigde werkgever, in dat geval mag Duitsland belasting heffen.

Werken in ander land

Als een inwoner van Duitsland voor een in Nederland gevestigde werkgever werkzaamheden verricht in Duitsland, verschuift het heffingsrecht over het met die werkzaamheden verdiende loon naar Duitsland. Duitsland mag dan over dat deel van het loon belasting heffen. Verricht de inwoner van Nederland voor een in Duitsland gevestigde werkgever werkzaamheden in Nederland, dan mag Nederland belasting heffen.

Thuiswerken

Het voorgaande betekent dat de inwoner van Duitsland die ook weleens thuiswerkt (in Duitsland) voor een in Nederland gevestigde werkgever, zowel in Nederland als in Duitsland belasting moet betalen. Dat geldt ook voor de inwoner van Nederland die ook weleens thuiswerkt (in Nederland) voor een in Duitsland gevestigde werkgever.

Dit heeft verschillende nadelen. Zo ontstaat er onzekerheid over het definitieve netto-inkomen omdat een deel van het loon in Nederland en een deel van het loon in Duitsland belast wordt. Bovendien leidt de belastingheffing in twee landen tot extra administratieve lasten en moeten er wellicht extra kosten voor een belastingadviseur gemaakt worden.

Wijziging belastingverdrag

Om deze nadelen (deels) te voorkomen, wordt het belastingverdrag gewijzigd. Opgenomen wordt dat een inwoner van Duitsland die werkt voor een in Nederland gevestigde werkgever in een kalenderjaar maximaal 34 dagen thuis kan werken, waarbij het heffingsrecht volledig in Nederland blijft. Een inwoner van Nederland die werkt voor een in Duitsland gevestigde werkgever kan, met behoud van het volledige heffingsrecht in Duitsland, per kalenderjaar ook maximaal 34 dagen thuis werken.

Let op! Nederland en Duitsland spraken ook af dat sprake is van een thuiswerkdag als meer dan 30 minuten per dag thuisgewerkt wordt..

Nog niet in werking

De wijziging is nog niet in werking getreden. Deze moet namelijk eerst nog worden voorgelegd aan de Raad van State en worden goedgekeurd door de Tweede en Eerste Kamer. Ook het Duitse parlement moet de wijziging nog goedkeuren.

Let op! Werkt de inwoner van Duitsland of de inwoner van Nederland per kalenderjaar meer dan 34 dagen thuis, dan hebben zij  geen profijt van de wijziging. Nederland en Duitsland ondertekenden wel een intentieverklaring om op termijn te overleggen over een thuiswerkregeling met meer dan 34 thuiswerkdagen per kalenderjaar.

Door |2025-04-29T13:23:02+02:0029 april 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Wijziging belastingverdrag Nederland-Duitsland inzake thuiswerken

Samenwerkingsverband dga met eigen bv fiscaal aangepakt

Als dga kunt u een samenwerkingsverband met de eigen bv aangaan. Voor deze belastingconstructie werkt het kabinet op dit moment een aanpak uit.

Samenwerking bv en dga als IB-ondernemer

Belastingdienst

Als dga bestaat de mogelijkheid om als IB-ondernemer een samenwerkingsverband aan te gaan met de eigen bv. Dit gebeurt dan in de vorm van een vof, cv of maatschap tussen de dga en de bv. De bv brengt in het samenwerkingsverband dan de onderneming in en/of het gebruik/genot van bepaalde activa. De dga brengt zijn arbeid in.

Let op! Zo eenvoudig als hierboven beschreven is het uiteraard niet. Aan een dergelijke samenwerking zitten verschillende haken en ogen. Daarbij moeten naast de fiscale aspecten ook de civiele aspecten, zoals bijvoorbeeld de aansprakelijkheid, niet uit het oog verloren worden.

Gebruikelijkloonregeling

Het kabinet vindt dit een ongewenste belastingconstructie . De gebruikelijkloonregeling wordt dan namelijk ontweken door alle arbeid buiten de bv te houden. De aandeelhouder maakt daarnaast als IB-ondernemer gebruik van fiscale ondernemersfaciliteiten in de IB die daar, naar het oordeel van het kabinet, niet voor bedoeld zijn.

Onderzoek aanpak constructie

Het kabinet bekijkt momenteel daarom hoe ze deze in hun ogen ongewenste belastingconstructie kunnen aanpakken. Daarbij wordt gedacht aan het niet kunnen toepassen van de fiscale ondernemersfaciliteiten in de IB in dit soort situaties. Het kabinet onderzoekt nog welke ongewenste neveneffecten een dergelijke maatregel kan hebben. De maatregel moet namelijk wel proportioneel zijn en bovendien uitvoerbaar.

Let op! Meer dan de mogelijke aanpak zoals hierboven beschreven is op dit moment nog niet bekend. Houd er echter rekening mee dat het kabinet van plan is om de fiscale voordelen van een dergelijk samenwerkingsverband hoe dan ook aan te pakken.

Door |2025-04-29T13:27:31+02:0029 april 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Samenwerkingsverband dga met eigen bv fiscaal aangepakt