MKB Nieuws

Omzetten lijfrente in nabestaandelijfrente mogelijk?

Als je een lijfrente heeft afgesloten, moet deze in principe binnen vijf jaar na de AOW-leeftijd tot uitkering komen in tijdelijke of levenslange lijfrentetermijnen. De vraag is of in plaats hiervan ook gekozen kan worden voor een nabestaandenlijfrente.

Alternatief voor uitkeringen

Sparen

Wanneer een belastingplichtige te maken heeft met een pensioentekort, kan hij zijn toekomstige inkomsten aanvullen met een lijfrente. De premies ervan die gestort worden in de jaren voor uitkering van de lijfrente zijn onder voorwaarden aftrekbaar. De Belastingdienst is van mening dat er in plaats van een lijfrente-uitkering niet gekozen kan worden voor een nabestaandenlijfrente. Bij een nabestaandenlijfrente worden de uitkeringen namelijk pas gedaan na overlijden van de verzekerde.

Afkoop

Als in plaats van lijfrente-uitkeringen toch gekozen wordt voor omzetting ervan in een nabestaandenlijfrente, wordt dit gezien als afkoop. Het gevolg is dat de waarde ervan in één keer belast wordt met inkomstenbelasting en afhankelijk van de omstandigheden ook met revisierente.

Geen aftrek

Wanneer het restant van de waarde, dus na aftrek van inkomstenbelasting en eventueel revisierente, wordt aangewend voor aankoop van een nabestaandenlijfrente, leidt dit volgens de Belastingdienst ook niet tot aftrek als uitgave voor een inkomensvoorziening.

Door |2024-11-20T09:10:49+01:0020 november 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Omzetten lijfrente in nabestaandelijfrente mogelijk?

Wat te doen met opgenomen vakantiedagen tijdens ziekte of bij op non-actiefstelling?

Mag  je als werkgever vakantiedagen die tijdens ziekte of bij non-actiefstelling zijn opgenomen door jouw werknemer, feitelijk ook van het verlofsaldo afboeken? Zijn er omstandigheden waarbij dit wel of juist niet mag?

Feiten

Voetganger

Een werknemer functioneerde niet naar behoren. De werkgever deelde hem dit mee waarna de werknemer nog enige tijd doorwerkte. Een paar maanden later, op 28 februari 2023, meldde de werknemer zich ziek. Op 24 april 2023 werd hij door de werkgever op non-actief gesteld/vrijgesteld van werk. In die periode had hij 15 vakantiedagen opgenomen. Het betrof hier een reeds vóór de ziekmelding vastgestelde vakantie. De werknemer was het er niet mee eens dat deze dagen van zijn verlofsaldo werden afgeboekt door de werkgever en ging hierover procederen.

Oordeel gerechtshof

Bij de kantonrechter kreeg de werknemer ongelijk. Bij het gerechtshof had hij meer succes. Het gerechtshof verklaarde dat de 15 opgenomen vakantiedagen (120 uur) niet ten laste van zijn vakantiesaldo mochten worden gebracht. Het hof verwees daarbij naar een eerder arrest van de Hoge Raad van 17 november 2023. In dat arrest verwees de Hoge Raad naar de wet waarin voor zover van belang staat: “Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer tijdens een vastgestelde vakantie ziek is, gelden niet als vakantie, tenzij in een voorkomend geval de werknemer daarmee instemt. (…)”.

Vakantie al gemeld vóór ziekte?

Deze bepaling beoogt er voor zorg te dragen dat een werknemer die vóór of tijdens een al vastgestelde vakantie ziek wordt, deze vakantiedagen behoudt, zodat hij die op een later moment kan benutten. Dit betekent dan ook dat een werknemer uitdrukkelijk en gericht moet instemmen met het afboeken van vakantiedagen, telkens wanneer de omstandigheid die aanleiding geeft tot het verzuim zich feitelijk voordoet of heeft voorgedaan.

Niet ten laste van vakantietegoed

Er was in deze zaak niet gesteld of gebleken dat de werknemer uitdrukkelijk en gericht had ingestemd met het afboeken van de 15 door hem tijdens de periode van ziekte/op non-actiefstelling opgenomen vakantiedagen. De consequentie was dat de werkgever deze dagen niet ten laste van het vakantiesaldo van de werknemer mocht brengen.

Door |2024-11-20T09:10:03+01:0020 november 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Wat te doen met opgenomen vakantiedagen tijdens ziekte of bij op non-actiefstelling?

Btw op sport, cultuur en boeken waarschijnlijk niet naar 21%

De verhoging van de btw per 2026 op sport, cultuur en boeken gaat waarschijnlijk niet door. Het voorstel is onderdeel van het Belastingplan 2025, maar stuitte op veel verzet. Daardoor dreigde de Eerste Kamer tegen het hele Belastingplan te stemmen. Er wordt nu gezocht naar een alternatieve dekking voor de gederfde inkomsten.

Btw-verhoging

Euro

De btw-verhoging voor de sportsector betekent dat voor het gelegenheid geven tot sportbeoefening en baden door commerciële aanbieders het hoge tarief van 21% gaat gelden, evenals voor toegang tot sportwedstrijden. Bij boeken gaat het ook om elektronische boeken en geldt de verhoging tevens voor kranten en tijdschriften. Ook zouden schoolboeken onder het hoge btw-tarief vallen. Om schoolfondsen tegemoet te komen, zou er een tegemoetkoming worden verstrekt.

Bij cultuur gaat het met name om toegang tot onder meer musea, concerten, dans-, toneel- en theateruitvoeringen.

Btw-verhoging kort verblijf gaat wel door

De verhoging van het btw-tarief met betrekking tot overnachtingen voor kort verblijf in onder meer hotels, pensions en vakantiewoningen gaat hoogstwaarschijnlijk wel door.

Ook het voor een korte periode verhuren van dergelijke accommodaties aan bijvoorbeeld studenten, asielzoekers en werknemers gaat vanaf 2026 onder het 21% btw-tarief vallen. Tegen deze verhoging bestaat minder bezwaar in de Eerste Kamer.

Alternatieve dekking

Minister Heinen van Financiën zegde toe om op zoek te gaan naar een alternatieve dekking. Als de btw-verhoging van kort verblijf wel overeind blijft, moet een bedrag van € 1,3 miljard op tafel komen. Hij gaf aan dit te zien als een verplichting.

Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen btw-verhoging weliswaar nog steeds overeind staat, maar dat deze hoogstwaarschijnlijk niet doorgevoerd gaat worden.

Door |2024-11-20T09:09:11+01:0020 november 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Btw op sport, cultuur en boeken waarschijnlijk niet naar 21%

Deadline Innovatiekrediet en vroegfasefinanciering 1 december 2024

Ondernemers kunnen tot en met 1 december 2024 een Innovatiekrediet of een vroegfasefinanciering aanvragen. Het Innovatiekrediet is er voor zowel starters als gevestigde bedrijven. De vroegfasefinanciering is er voor mkb-ondernemers, innovatieve starters en academische-hbo-TO2 starters.

Innovatiekrediet

Windmolen

Via een Innovatiekrediet kunt u een lening afsluiten voor de ontwikkeling van een nieuw product, medicijn of apparaat. Het Innovatiekrediet verstrekt slechts krediet voor een deel van de kosten. Voor kleine bedrijven is dit maximaal 45%, wanneer sprake is van samenwerking met een ander bedrijf 50%. Voor middelgrote bedrijven zijn deze percentages 35% en 50%, voor grote bedrijven 25% en 40%.

Voorwaarden

Er gelden tal van voorwaarden voor het Innovatiekrediet. Zo mag de financieringsbehoefte niet meer dan € 150.000 bedragen, moet er sprake zijn van een commercieel oogpunt voor het project en moet de technische haalbaarheid onderzocht én bewezen zijn.

Kosten en aanvragen

Je betaalt een vast opslagbedrag van 15% voor technische projecten en 25% voor klinische projecten. Daarnaast betaalt u een jaarlijkse rente van thans 3%. Het innovatiekrediet vraagt u aan bij de RVO. Hiervoor heb je eHerkenning nodig, je vindt hier alle informatie.

Vroegfasefinanciering

Met een vroegfasefinanciering (VFF) kun je een lening krijgen om te onderzoeken of een bepaald idee kans van slagen heeft in de markt. Ook voor deze financieringsvorm gelden verschillende voorwaarden. Zo moet je onder meer voor een businessplan zorgen waaruit blijkt dat jouw bedrijf substantieel gaat groeien.

Aanvragen

Er zijn regionale loketten waar je de vroegfasefinanciering aan kunt vragen. Tevens is er een landelijk loket. Voor mkb-ondernemers gelden andere voorwaarden dan voor innovatieve starters voor wat betreft de bij jouw aanvraag mee te sturen bijlages. Je vindt alle informatie hier.

Door |2024-11-15T15:42:15+01:0015 november 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Deadline Innovatiekrediet en vroegfasefinanciering 1 december 2024

SLIM-regeling verlengd en aangepast

De SLIM-regeling wordt verlengd tot en met 2029. Daarnaast vinden er in de SLIM-regeling vanaf 2025 diverse aanpassingen plaats. Sommige aanpassingen gelden ook al voor SLIM-subsidies die vóór 2025 zijn aangevraagd.

Geen aparte SLIM-regeling meer voor grootbedrijven

Boeken

Voor grootbedrijven in de sectoren landbouw, horeca en recreatie is het vanaf 2025 niet meer mogelijk om een beroep te doen op de SLIM-regeling, de Stimuleringsregeling Leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen. Gebleken is dat deze oorspronkelijke doelgroep niet veel gebruikmaakte van de regeling. Overigens kunnen deze bedrijven nog wel als deelnemer in een samenwerkingsverband aanspraak maken op de SLIM-regeling.

Minder administratie voor SLIM-subsidies tot € 25.000

Voor SLIM-subsidies tot € 25.000 hoeft vanaf 2025 achteraf geen verzoek tot vaststelling meer te worden ingediend. Deze subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. Ook de verplichtingen tot het maken van een evaluatieverslag en het bijhouden van een administratie vervallen. Wat blijft is dat vooraf 50% van het subsidiebedrag als voorschot wordt betaald.

Voorschot SLIM-subsidie samenwerkingsverbanden

Vanaf 2025 kunnen ook samenwerkingsverbanden een voorschot krijgen. De hoogte van het voorschot is afhankelijk van de duur en de hoogte van de subsidie.

Ander subsidiepercentage kleine mkb-ondernemingen

Het subsidiepercentage voor kleine mkb-ondernemingen bedraagt vanaf 2025 60%, net als voor andere ondernemingen. Dit betekent dat zij niet meer tot 80% (zoals in 2024), maar tot 60% van de subsidiabele kosten als SLIM-subsidie kunnen ontvangen vanaf 2025.

Vervallen subsidie praktijkleerplaatsen

Vanaf 2025 vervalt de SLIM-subsidie van maximaal € 2.700 voor een praktijkleerplaats voor een beroepsopleiding of in de derde leerweg bij een erkend leerbedrijf.

Let op! De Subsidieregeling Praktijkleren in de derde leerweg blijft wel bestaan, zoals het er nu naar uitziet tot en met 2031.

Overige wijzigingen

Vanaf 2025 vinden nog meer wijzigingen plaats. Zo moeten de subsidiabele kosten van een samenwerkingsverband voortaan minimaal € 210.000 bedragen.

Verder wordt nadrukkelijk in de regeling opgenomen dat activiteiten niet voor de SLIM-subsidie in aanmerking komen als deze alleen ten goede komen aan bestuurders of eigenaren van een onderneming. De bestuurder of eigenaar mag wel deelnemen aan de activiteit, maar niet de enige doelgroep zijn.

Ook kan een subsidieaanvrager vanaf 2025 maximaal drie maanden uitstel aanvragen als de subsidiabele activiteiten niet op tijd zijn afgerond door omstandigheden die hem niet zijn aan te rekenen. Deze uitstelaanvraag is ook mogelijk voor SLIM-subsidies die vóór 2025 zijn verkregen.

Voor het opstellen van een controleverklaring door een accountant – dit is bij subsidies van € 125.000 of meer verplicht – wordt vanaf 2025 een vaste vergoeding van € 3.000 verstrekt. Deze vaste vergoeding van € 3.000 geldt ook voor SLIM-subsidies die vóór 2025 zijn verkregen. Als de subsidie echter al is verleend, wordt die verleende subsidie niet verhoogd met dit bedrag. Het is wel mogelijk om de begroting her te verdelen en het bedrag van € 3.000 daarin op te nemen.

Aanvraagtijdvakken 2025

De aanvraagtijdvakken voor de SLIM-regelingen in 2025 zijn ook bekend. Voor mkb-ondernemingen is dat van 3 maart 2025 9.00 uur tot en met 31 maart 2025 17.00 uur én van 1 september 2025 9.00 uur tot en met 30 september 2025 17.00 uur. Voor samenwerkingsverbanden is het aanvraagtijdvak in 2025 van 2 juni 2025 9.00 uur tot en met 30 juni 2025 17.00 uur.

Budget 2025

Ook de budgetten voor 2025 zijn bekend. Voor mkb-ondernemingen is in 2025 in het eerste aanvraagtijdvak € 15 miljoen budget beschikbaar en in het tweede aanvraagtijdvak € 10 miljoen. In 2024 was dit € 15 miljoen respectievelijk € 16.131.000.

Voor samenwerkingsverbanden is in 2025 € 20 miljoen budget beschikbaar. In 2024 was dit nog € 22,5 miljoen.

Let op! Het kabinet heeft de verlenging en de aanpassingen van de SLIM-regeling ter kennisname aan de Tweede Kamer aangeboden. De Kamer heeft nu de mogelijkheid om nader inlichtingen hierover te vragen voordat de verlenging en de aanpassingen officieel gepubliceerd worden.

Door |2024-11-14T16:06:34+01:0014 november 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor SLIM-regeling verlengd en aangepast

Indexatie van alimentatie per 2025 bekend

Personen die alimentatie ontvangen of moeten betalen, krijgen per 2025 te maken met een indexatie van het alimentatiebedrag met 6,5%. Deze verhoging van 6,5% geldt zowel voor partner- als voor kinderalimentatie.

Alimentatie

Schaken

Alimentatie is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud en is vaak verplicht bij ex-echtgenoten, ex-geregistreerde partners en bij kinderen tot de leeftijd van 21 jaar.

Berekening percentage

Alimentatiebedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd om te voorkomen dat partijen hierover gedwongen worden te onderhandelen. Het percentage wordt geïndexeerd aan de hand van de gemiddelde stijging van de lonen.

Alimentatie aftrekbaar?

Alimentatie betaald aan ex-echtgenoten en ex-geregistreerde partners is onder voorwaarden aftrekbaar van het inkomen voor de betaler ervan. De ontvanger moet de alimentatie opgeven als inkomen. Alimentatie is ook onder voorwaarden aftrekbaar als partijen afspreken de alimentatieplicht af te kopen tegen een eenmalig bedrag.

Let op! Kinderalimentatie is niet aftrekbaar voor diegene die de alimentatie betaalt. Deze is ook niet belast bij de ontvanger.

Tip! Lees hier alles over alimentatie en de voorwaarden betreft aftrekbaarheid.

Door |2024-11-14T08:28:26+01:0014 november 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Indexatie van alimentatie per 2025 bekend

30%-regeling uitgezonden werknemers wordt 27%-regeling

Naast de 30%-regeling voor vanuit het buitenland aangeworven werknemers, kan een werkgever onder voorwaarden ook de 30% regeling toepassen voor bepaalde tijdelijk naar het buitenland uitgezonden werknemers. Ook in deze 30%-regeling zijn wijzigingen aangekondigd.

Extraterritoriale kosten

Internationaal

Aan werknemers die je tijdelijk naar het buitenland uitzendt mag je een vergoeding geven voor de extra verblijfkosten in het buitenland. Deze vergoeding van deze kosten (ook wel extraterritoriale kosten of afgekort ET-kosten) is, onder voorwaarden, gericht vrijgesteld. Je hoeft hiervoor dan niet jouw vrije ruimte in de WKR aan te spreken.

30%-regeling

Voor bepaalde tijdelijk naar het buitenland uitgezonden werknemers kun je er ook voor kiezen om de 30%-regeling toe te passen. Je mag dan zonder bewijsstukken maximaal 30% van het loon inclusief de vergoeding gericht vrijgesteld vergoeden aan de werknemer.

Let op! Werknemers die hiervoor in aanmerking komen zijn onder meer naar landen in Afrika, Azië, Latijns-Amerika en een aantal Oost-Europese landen (waaronder onder meer Polen, Roemenië, Bulgarije en  Tsjechië) uitgezonden werknemers en werknemers die naar een ander land zijn uitgezonden om wetenschap te beoefenen of onderwijs te geven.

Voorwaarden 30%-regeling

Voorwaarde voor deze 30%-regeling is dat de werknemer gedurende een periode van twaalf maanden minimaal 45 dagen in het buitenland is. Voor de berekening van deze 45 dagen tellen uitzendingen van minder dan vijftien dagen niet mee.

Tip! Als de werknemer aan de 45 dagentermijn voldoet, tellen uitzendingen vanaf minimaal tien dagen mee voor de berekening van het aantal dagen waarop de 30%-regeling mag worden toegepast.

Let op! In tegenstelling tot de 30%-regeling voor inkomende werknemers, is voor de 30%-regeling voor uitgezonden werknemers geen beschikking van de Belastingdienst nodig.

27% vanaf 2027

Vanaf 2027 wijzigt de 30%-regeling voor uitgezonden werknemers. Vanaf die datum kunt nu niet meer 30% van het loon inclusief de vergoeding gericht vrijgesteld vergoeden aan uitgezonden werknemers maar 27%.

Er komt geen overgangsregeling. Dus ook aan werknemers die al vóór 2027 zijn uitgezonden, kun je vanaf 2027 nog maar 27% in plaats van 30% gericht vrijgesteld vergoeden.

Let op! Deze wijziging, die onderdeel is van het Belastingplanpakket 2025, is pas definitief als de Tweede én de Eerste Kamer hiermee hebben ingestemd. Stemming in de Eerste Kamer staat gepland op 17 december 2024.

Door |2024-11-14T08:27:18+01:0014 november 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor 30%-regeling uitgezonden werknemers wordt 27%-regeling

Ook voor gebruikte auto standaardbijtelling

Als iemand over een auto van de zaak beschikt, geldt in beginsel een bijtelling vanwege het privégebruik dat van de auto gemaakt kan worden, tenzij er aantoonbaar niet meer dan 500 km privé met de betreffende auto wordt gereden. De bijtelling is in principe hetzelfde voor nieuwe auto’s als voor occasions. Strookt dit laatste wel met de Europese regelgeving?

Bijtelling

Auto

De bijtelling is een bepaald percentage van de catalogusprijs van de auto. Dit percentage is afhankelijk van de datum waarop de auto voor het eerst is toegelaten op de weg. Voor 2024 geldt een percentage van 22%, tenzij het een elektrische auto betreft. Dan bedraagt de bijtelling 16% tot een cataloguswaarde van € 30.000 en geldt over het meerdere een bijtelling van 22%. Voor auto’s op zonnecellen en op waterstof geldt een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde.

Let op! Alleen voor auto’s die minstens 15 jaar oud zijn, geldt een bijtelling op basis van de dagwaarde. De bijtelling bedraagt dan 35%.

Geen onderscheid in leeftijd

In een zaak bij het gerechtshof Arnhem Leeuwarden was de vraag aan de orde of het in strijd is met Europese regels dat voor gebruikte auto’s eenzelfde percentage aan bijtelling geldt als voor nieuwe auto’s. Volgens belanghebbende was dit het geval, omdat specifiek door deze regeling de import van occasions uit andere EU-landen zou worden beperkt. Het Hof zag dit verband niet en stelde vast dat de bijtelling slechts ziet op het loonvoordeel dat een auto van de zaak biedt.

België is anders dan Nederland

Belanghebbende stelde ook nog dat de bijtelling in zijn woonland België wél onderscheid maakt tussen nieuwe auto’s en occasions. Volgens het Hof doet dit niets af aan het feit dat de bijtelling in Nederland in beginsel geen onderscheid maakt in de leeftijd van de auto. Het Hof stelde de inspecteur dan ook in het gelijk.

Door |2024-11-14T08:25:48+01:0014 november 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Ook voor gebruikte auto standaardbijtelling

KIA bij bv die deelneemt in meerdere vof’s

De omvang van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is afhankelijk van het totaal aan investeringen in een jaar. Hoe moet de KIA worden berekend bij een bv die deelneemt in meerdere vof’s?

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)

Geld

De KIA is een fiscale tegemoetkoming bedoeld om investeringen door met name kleinere ondernemingen te bevorderen. De KIA bestaat uit een percentage van het bedrag aan investeringen. Dit percentage neemt bij een bepaald bedrag aan investeringen af. Boven een investeringsbedrag van € 387.850 (2024) bedraagt het percentage nul. De KIA kan op de winst in mindering worden gebracht, waardoor minder belasting hoeft te worden betaald.

Tip! Meer informatie over de KIA vind je hier.

Bv neemt deel in vof’s

De Belastingdienst heeft aangegeven hoe de KIA moet worden berekend als een bv deelneemt in meerdere vof’s. Daarbij is de Belastingdienst ervan uitgegaan dat de vof’s in het jaar investeren, maar dat de bv daarnaast ook zelf investeert.

Voorbeeld
Een bv heeft een belang van 40% in twee vof’s. De ene vof investeert in het jaar voor € 100.000, de andere voor € 80.000. De bv investeert zelf voor € 50.000.

Het totaal aan investeringen bedraagt € 100.000 + € 80.000 + € 50.000 = € 230.000. Het aandeel van de bv hierin bedraagt 40% x € 100.000 + 40% x € 80.000 + € 50.000 = € 122.000. De KIA over € 230.000 bedraagt € 11.915. De bv heeft dan recht op een KIA van € 11.915 x (€ 122.000/€ 230.000) = € 6.321.

Samentelregeling

De Belastingdienst geeft aan dat genoemde uitkomst gebaseerd is op de zogenaamde samentelregeling (opgenomen in artikel 3.41 lid 3 Wet Inkomstenbelasting).

Door |2024-11-12T09:28:36+01:0012 november 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor KIA bij bv die deelneemt in meerdere vof’s

Geen bouwvergunning, geen HIR?

Als je gemaakte boekwinst op een bedrijfsmiddel weer wilt herinvesteren, kan je onder voorwaarden gebruikmaken van de herinvesteringsreserve (HIR). Voor het gerechtshof in Den Haag bleek onlangs dat het al dan niet verstrekken van een bouwvergunning op het opheffen van de HIR van invloed kan zijn.

Herinvesteringsreserve (HIR)

Bouw

Als je boekwinst maakt op een bedrijfsmiddel, moet je hier in beginsel belasting over betalen. Je kan dit voorkomen door de boekwinst te reserveren in een HIR. Koop je later een vervangend bedrijfsmiddel, dan kan je de HIR afboeken op de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel. Je kan daardoor wel minder afschrijven op het nieuwe bedrijfsmiddel en betaalt daardoor op een later moment meer belasting. Op die manier kan de HIR ervoor zorgen dat je de belasting op de gerealiseerde boekwinst gespreid kan betalen.

Voorwaarden

De HIR kent een aantal voorwaarden Een ervan bepaalt dat je een HIR in principe binnen drie jaar na het jaar van ontstaan ervan moet afboeken op een ander aangeschaft bedrijfsmiddel. Doe je dit niet, dan valt de HIR op het eind van dat jaar in de winst en betaal je alsnog in één keer belasting over de boekwinst. De genoemde termijn van drie jaar geldt niet als er vertraging in de investering is opgetreden door bijzondere omstandigheden. Er is dan wel vereist dat er een begin van uitvoering van de investering is gemaakt.

Bijzondere omstandigheden?

In bovengenoemde zaak had een belastingplichtige een HIR gevormd en hiervoor niet tijdig een vervangende investering gedaan. De inspecteur wilde de HIR daarom na afloop van de voor de HIR geldende termijn toevoegen aan de winst. Belastingplichtige was het hiermee echter niet eens en stelde dat er sprake was van bijzondere omstandigheden die aan de herinvestering in de weg hadden gestaan.

Geen bouwvergunning

De vertraging was volgens belastingplichtige ontstaan omdat de gemeente geen bouwvergunning had afgegeven voor de geplande herinvestering in geconditioneerde schuren. Daarom had de ondernemer niet met de bouw ervan kunnen beginnen. Dat het weigeren van de bouwvergunning uiteindelijk onterecht bleek, deed niet ter zake. Ook had belanghebbende aangetoond dat er een begin van uitvoering van de investering was gemaakt. Er lagen namelijk getekende contracten voor de bouw van de schuren. De man werd dan ook in het gelijk gesteld.

Door |2024-11-12T09:18:29+01:0012 november 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Geen bouwvergunning, geen HIR?