Make Marketing Magic

Over Nieuwsbrief NBC

Deze auteur heeft nog geen informatie verstrekt.
So far Nieuwsbrief NBC has created 669 blog entries.

Wetsvoorstel box 3 vanaf 2028 naar Tweede Kamer

Het wetsvoorstel box 3 op basis van werkelijk rendement met beoogde ingangsdatum 1 januari 2028, is bij de Tweede Kamer ingediend.

Werkelijk rendement

Euro

Als dit voorstel ongewijzigd en op tijd door de Tweede en Eerste Kamer wordt aangenomen, wordt in box 3 vanaf (beoogd) 2028 het werkelijke rendement op uw vermogen belast. Dit werkelijke rendement omvat alle directe en indirecte rendementen.

Directe rendementen

Directe rendementen zijn bijvoorbeeld ontvangen rente op bank- en spaarrekeningen, ontvangen dividenden op beleggingen en ontvangen huuropbrengsten.

Indirecte rendementen

Bij indirecte rendementen moet u denken aan verkoopwinsten en verkoopverliezen op beleggingen en/of overige bezittingen. Naast deze gerealiseerde rendementen tellen echter ook ongerealiseerde rendementen mee. De jaarlijkse waardeontwikkelingen van uw beleggingen en overige bezittingen behoren dus ook tot uw indirecte rendementen.

Let op! Voor onroerende zaken omvat het indirecte rendement de winst of het verlies bij verkoop. U hoeft bij onroerende zaken echter niet de jaarlijkse waardeontwikkeling tot uw indirecte rendement te rekenen. Ook bij aandelen in start-ups en scale-ups telt de jaarlijkse waardeontwikkeling niet mee, maar wel de winst of het verlies bij verkoop.

Kostenaftrek

Bij het berekenen van uw werkelijke rendement mag u rekening houden met kosten zoals de betaalde rente, de kosten van een bankrekening, de kosten bij aankoop- en verkoop van uw beleggingen en overige bezittingen en de onderhoudskosten van uw onroerende zaken.

Tarief

Het voorgestelde tarief in box 3 vanaf 2028 bedraagt 36%. U betaalt dan 36% belasting over uw werkelijke rendement, verminderd met een heffingsvrij inkomen van € 1.800.

Let op! Heeft u in een jaar een negatief rendement, dan mag u dat in aftrek brengen op positieve rendementen in de volgende kalenderjaren. Er gaat wel een verliesdrempel van € 500 gelden. De eerste € 500 negatief rendement is dan dus niet verrekenbaar.

Vanaf 2028?

Het is nog lang niet zeker dat het nieuwe box 3-stelsel per 2028 ingaat. Om de beoogde ingangsdatum van 1 januari 2028 te kunnen halen, moet de Tweede Kamer uiterlijk op 15 maart 2026 met het wetsvoorstel instemmen.

Let op! De wijze waarop het werkelijke rendement vanaf 2028 berekend wordt in dit wetsvoorstel, is afwijkend van de wijze waarop het werkelijke rendement in de jaren tot en met 2027 berekend wordt. Deze berekening is opgenomen in het wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3, dat nu ook nog bij de Tweede Kamer ligt. Beoogde inwerkingtreding van dit laatste wetsvoorstel is 1 juli 2025.

Door |2025-05-23T15:18:13+02:0023 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Wetsvoorstel box 3 vanaf 2028 naar Tweede Kamer

Valt een hoortoestel onder specifieke zorgkosten?

Zorgkosten zijn onder voorwaarden aftrekbaar van het inkomen. Een hoortoestel wordt aangemerkt als hulpmiddel en kan onder voorwaarden voor aftrek als specifieke zorgkosten in aanmerking komen. Welk deel van de kosten van een hoortoestel is aftrekbaar, rekening houdend met de eigen bijdrage en het eigen risico?

Aftrek zorgkosten

Overheid

De aftrek van zorg- of ziektekosten betekent dat uw belastbaar inkomen lager wordt, waardoor u minder belasting betaalt. Lang niet alle zorgkosten zijn aftrekbaar. Ook geldt er ten aanzien van de kosten die u wilt aftrekken een drempel waarbij geldt: hoe hoger uw inkomen, hoe hoger de drempel. Daarbij is bepalend of u het hele jaar een fiscale partner heeft. Is dit het geval, dan telt u namelijk beide inkomens bij elkaar op. Heeft u niet het hele jaar een fiscale partner, dan doet u dit alleen als u ervoor kiest elkaars fiscale partner te zijn. De drempel betekent dat u een deel van de kosten niet kunt aftrekken, u mag namelijk alleen het bedrag aftrekken dat boven de voor u geldende drempel uitkomt.

Voorbeeld

De Belastingdienst legt de aftrek van de kosten van een hoortoestel als specifieke zorgkosten uit aan de hand van een voorbeeld.

Verzekeraar
Stel een hoortoestel kost € 4.000. Van deze kosten komt via de zorgverzekeraar in beginsel € 1.600 voor vergoeding in aanmerking. Er geldt echter een eigen bijdrage van € 400. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat de belastingplichtige een eigen risico kent van € 300.
Op basis van deze informatie zou de belastingplichtige via zijn verzekeraar € 1.600 – € 400 – € 300 = € 900 aan vergoeding ontvangen.

Fiscale aftrek
Belastingplichtige moet zelf € 4.000 – € 900 = € 3.100 bijdragen. Dit bedrag is niet in zijn geheel aftrekbaar. De eigen bijdrage en het eigen risico komen namelijk niet voor aftrek in aanmerking, zodat per saldo € 4.000 – € 900 – € 400 – € 300 = € 2.400 als uitgave voor aftrek specifieke zorgkosten in aanmerking komt. 

Aanvullende verzekering

De Belastingdienst gaat ook nog in op de gevolgen van de door sommige verzekeraars aangeboden mogelijkheid om eventueel een aanvullende verzekering af te sluiten teneinde het eigen risico te beperken. Dit heeft geen gevolgen voor omvang van de fiscale aftrek. Belastingplichtige hoeft dan minder bij te dragen aan de kosten van het hoortoestel, maar de hogere ontvangen vergoeding van de verzekeraar komt gewoon in mindering op het bedrag dat in aanmerking komt als specifieke zorgkosten.

Duurder dan noodzakelijk?

De Belastingdienst gaat uit van de kosten van een hoortoestel dat voldoende is om het gehoor van betrokkene te verbeteren. Wordt een duurder toestel aangeschaft en worden de extra kosten niet vergoed, dan kunnen de extra kosten ook niet als zorgkosten worden afgetrokken.

Door |2025-05-23T15:19:50+02:0023 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Valt een hoortoestel onder specifieke zorgkosten?

Negatief loon door verkoop aandelen bij uitdiensttreding

Kan een uit dienst tredende werknemer een verlies nemen als hij verplicht is zijn aandelen in de werkgever aan te bieden tegen een lagere prijs dan de waarde in het economische verkeer?

Aandelen in werkgever

Verkeersbord

Om een werknemer te belonen en te binden kan een werkgever aandelen aanbieden. Het is verstandig om daarbij afspraken te maken over het verplicht terugverkopen van de aandelen als de werknemer uit dienst treedt. Dit wordt ook wel een bad-leaver bepaling genoemd. Aan de Belastingdienst is gevraagd of een werknemer die bij uitdiensttreding zijn aandelen moet verkopen tegen een lagere prijs dan de waarde in het economische verkeer (hierna: WEV), een verlies kan nemen.

Voorgelegde casus

In de voorgelegde casus had een werknemer in jaar 1 aandelen verworven in zijn werkgever. De werknemer hoefde hier niets voor te betalen. Omdat de WEV op het moment van verwerven € 100 bedroeg, heeft de werkgever op dat moment loonheffingen ingehouden en afgedragen over een loonvoordeel van € 100.

Let op! Als de werknemer € 100 betaald had voor de aandelen, dan had de werkgever geen loonheffingen in hoeven te houden en af te dragen.

In jaar 4 treedt de werknemer uit dienst. Op grond van een afgesproken bad-leaver bepaling moet de werknemer de aandelen aan de werkgever verkopen voor € 500. De WEV van de aandelen is op dat moment € 800. Omdat de werknemer de aandelen op de vrije markt had kunnen verkopen voor € 800, maakt de werknemer een verlies van € 300.

Negatief loon

De Belastingdienst bevestigt dat de werknemer dit verlies van € 300 kan aanmerken als negatief loon. Het betreft hier namelijk een verlies dat aan de dienstbetrekking moet worden toegerekend, omdat de werknemer op grond van de bad-leaver bepaling verplicht was zijn aandelen tegen de lagere prijs aan te bieden.

Let op! Niet elke verkoop van aandelen leidt tot een negatief loon. Als een werknemer bijvoorbeeld vrijwillig zijn aandelen tegen een lagere prijs verkoopt, kan niet gesteld worden dat sprake is van een verlies dat aan de dienstbetrekking moet worden toegerekend.

Door |2025-05-23T15:15:58+02:0023 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Negatief loon door verkoop aandelen bij uitdiensttreding

Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers naar Tweede Kamer

Op 19 mei jl. is het wetsvoorstel Meer zekerheid voor flexwerkers ingediend bij de Tweede Kamer. Zoals de titel al aangeeft, beoogt de wet werknemers die werkzaam zijn op basis van bijvoorbeeld een tijdelijk contract, een uitzendovereenkomst of een oproepovereenkomst meer zekerheid te geven. De beoogde invoering van de nieuwe wet is 1 januari 2027.

Het gaat hier om het eerste grote wetsvoorstel van het arbeidsmarktpakket dat wordt ingediend bij de Tweede Kamer. Wat zijn belangrijke onderdelen uit dit wetsvoorstel?

Dezelfde arbeidsvoorwaarden

Lunch

Uitzendkrachten krijgen wettelijk gezien recht op minimaal dezelfde arbeidsvoorwaarden als werknemers die regulier in dienst zijn bij het bedrijf dat hen inleent.

Ook de eerste fase van het uitzendwerk (fase A bij ABU-uitzendondernemingen en fase 1 / 2 bij NBBU-uitzendondernemingen) wordt bekort van maximaal 18 naar maximaal 12 maanden.  Gedurende deze eerste fase heeft een uitzendkracht weinig zekerheid. Door deze fase te bekorten zorgt het wetsvoorstel voor meer zekerheid voor deze doelgroep en wordt er een halt toegeroepen aan de uitbuiting van bijvoorbeeld arbeidsmigranten.

Internetconsultatie

Er loopt inmiddels van 19 mei tot en met 15 juni 2025 een internetconsultatie voor sociaal ontwikkelbedrijven. Deze bedrijven moeten hun werknemers met een arbeidsbeperking kunnen blijven belonen op basis van hun eigen cao, ook als deze werknemers worden uitgeleend aan andere bedrijven.

Sneller een vast dienstverband

Het is de bedoeling dat werknemers na afloop van hun tijdelijk contract sneller een vast dienstverband krijgen aangeboden. Op dit moment moet er na drie tijdelijke contracten een periode van meer dan zes maanden tussen zitten, alvorens een werknemer een nieuw tijdelijk contract aangeboden krijgt. Deze periode van zes maanden wordt verlengd naar vijf jaar. Dit om op die manier zogenaamde draaideurconstructies tegen te gaan. In een cao mag nog maar een beperkt aantal uitzonderingen hierop worden gemaakt.

Oproepcontract wordt vast basiscontract

Als het aan het kabinet ligt worden oproepcontracten vaste basiscontracten. Daarin staat een minimumaantal uren dat iemand standaard wordt ingeroosterd. Als blijkt dat iemand structureel meer werkt, moet de werkgever de werknemer na een jaar het aanbod doen om het aantal uren aan te passen. Zo weet de werknemer altijd wat hij minimaal verdient en waar hij aan toe is.

Scholieren en studenten kunnen op basis van een oproepcontract blijven werken, zolang het gaat om een bijbaan van maximaal zestien uur, ze jonger zijn dan 18 jaar of ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling. Voor andere werknemers is flexibiliteit mogelijk via het basiscontract of bijvoorbeeld via een jaarurennorm. Het basiscontract omvat een bandbreedte van 130%. Dat betekent dat als een contract van 10 uur wordt overeengekomen, de werknemer voor maximaal 13 uur mag worden ingeroosterd.

Let op! Dit wetsvoorstel moet nog door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd.

Door |2025-05-23T15:12:15+02:0023 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers naar Tweede Kamer

Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen

Voor de ondernemer die na 1 januari 2018 is getrouwd zonder huwelijkse voorwaarden, geldt de beperkte gemeenschap van goederen. Een ondernemer doet er wel verstandig aan om huwelijkse voorwaarden overeen te komen met zijn of haar aanstaande echtgenoot of geregistreerd partner.

Bent u voor 1 januari 2018 getrouwd en heeft u geen huwelijkse voorwaarden opgesteld? Dan blijft voor u de oude wettelijke regeling gewoon gelden, de algehele gemeenschap van goederen.

De beperkte gemeenschap van goederen

Huwelijk

Vanaf 1 januari 2018 kunt u nog alleen in algehele gemeenschap van goederen trouwen als u dit afspreekt bij huwelijkse voorwaarden. Als u niets met elkaar regelt, krijgt u automatisch te maken met de beperkte gemeenschap van goederen.

Dit geldt op voorwaarde dat het Nederlands recht op u van toepassing is. Als u bijvoorbeeld meerdere of een andere nationaliteit(en) heeft of als u direct na uw huwelijk in het buitenland bent gaan wonen, kan het zijn dat Nederlands recht in uw geval helemaal niet van toepassing is. U dient zich in dat geval goed te laten voorlichten over de vraag of het Nederlands huwelijksvermogensrecht in uw geval wel geldt.

Tip! Ook in zo’n geval kunnen huwelijkse voorwaarden overigens uitkomst bieden, doordat u hierin expliciet kunt kiezen voor de toepassing van bijvoorbeeld het Nederlands huwelijksvermogensrecht. Dit voorkomt een hoop discussies of onduidelijkheid achteraf.

Let op! Raadpleeg tijdig een deskundige die de gevolgen kan overzien als uw situatie ‘iets internationaals’ heeft.

Drie vermogens

Uitgangspunt van de huidige wettelijke regeling van de beperkte gemeenschap van goederen is dat er drie vermogens zijn in plaats van één gemeenschapsvermogen, namelijk: het privévermogen van de één, het privévermogen van de ander en het gemeenschappelijke vermogen. De gemeenschap omvat alle gezamenlijke goederen en gezamenlijke schulden die echtgenoten voor het huwelijk al hadden en alle goederen en schulden die zij vanaf aanvang van de gemeenschap tot aan de ontbinding van de gemeenschap verkrijgen of maken, met uitzondering van erfenissen, schenkingen of verknochte goederen, zoals een letselschade-uitkering. Het privévermogen en de privéschulden van voor het huwelijk vallen buiten de gemeenschap.

Vaker privé

Het feit dat er standaard drie vermogens zijn, maakt dat u algauw te maken kunt krijgen met de zogenaamde vergoedingsrechten. Hiermee wordt bijvoorbeeld de situatie bedoeld dat privégeld, zoals een ontvangen erfenis, is geïnvesteerd in een gemeenschappelijk goed, zoals de echtelijke woning, en dit bedrag vergoed dient te worden door de gemeenschap. Onder de oude wetgeving was dit voorbeeld alleen aan de orde voor zover er sprake was van een erfenis die verkregen is onder een uitsluitingsclausule. Dat wil zeggen: de overledene heeft in een testament uitdrukkelijk bepaald dat de erfenis niet in enige gemeenschap zal vallen.

Let op! Bij de beperkte gemeenschap van goederen is het maken van een uitsluitingsclausule door een erflater niet meer nodig. Er kan wel een insluitingsclausule of gemeenschapsclausule worden gemaakt als iemand wil dat de partner van de erfgenaam ook erft.

Onderneming

Voorhuwelijks ondernemingsvermogen valt niet in de gemeenschap. Als u als ondernemer in het huwelijk treedt, valt de onderneming dus niet in de beperkte gemeenschap. Punt van discussie kan de redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid zijn, in het kader van die voorhuwelijkse onderneming. De vergoeding dient voldaan te worden aan de gemeenschap.

De redelijke vergoeding is aan de orde voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen. Inmiddels zijn hier gerechtelijke uitspraken over te vinden. Lastig is en blijft echter in hoeverre aan de rechter voorgelegde gevallen vergelijkbaar met elkaar zullen zijn, wat ‘een redelijke vergoeding’ is en hoe dit precies bepaald dient te worden.

Gerechtshof Den Haag heeft eind 2023 aangegeven dat de gedachte achter deze bepaling is dat bij ondernemers met een privéonderneming de gemeenschap op een gelijke wijze zou moeten meeprofiteren als wanneer de echtgenoot zou werken voor een salaris. In deze casus constateerde het Gerechtshof dat op basis van de stukken en de standpunten van partijen de met de onderneming gegenereerde inkomsten tijdens het huwelijk al volledig ten bate van beide echtgenoten zijn gekomen en de inkomsten zijn aangewend voor het betalen van de kosten van de huishouding. Aan een redelijke vergoeding kom je dan niet meer toe.

In een beslissing van de rechtbank Amsterdam uit april 2023 werd wel een redelijke vergoeding toegekend. De rechtbank overwoog dat de redelijke vergoeding aan de hand van concrete omstandigheden moet worden vastgesteld. Dergelijke omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de volledige waardestijging ten bate van de gemeenschap komt. De vrouw had in deze zaak echter onvoldoende gesteld en zodoende niet voldaan aan haar stelplicht. Dit betekent volgens de rechtbank echter niet dat de vrouw geen deel van de vermogenstoename van de onderneming toekomt. Dit had ermee te maken dat de man had erkend dat twee derde deel van de waardestijging van de onderneming aan de gemeenschap toekomt. De vrouw ontving dus de helft hiervan.

In 2024 is een belangrijke uitspraak gedaan over de redelijke vergoeding door de rechtbank Gelderland. In die zaak had de man een voorhuwelijkse onderneming.  De vrouw maakte aanspraak op de redelijke vergoeding. De rechtbank hield rekening met de omstandigheid dat de man zijn eigen inkomen kon bepalen en het eigen vermogen van de vennootschap steeg. De man zocht aansluiting bij het minimale gebruikelijk loon van een dga, de vrouw ging uit van de helft van de behaalde winst. De rechter ging hier allebei niet in mee. De rechtbank overwoog dat het om een open norm gaat en de winst uit onderneming van invloed kan zijn bij het bepalen van de hoogte van de redelijke vergoeding. De winst is echter niet maatgevend.  De rechtbank vond een vergoeding van € 140.000,00 per huwelijksjaar redelijk. De rechtbank heeft aangesloten bij een beloning die de man in een gelijksoortige onderneming of omstandigheden zou ontvangen als ondernemer, hierbij werd wel rekening gehouden met hetgeen al ten goede was gekomen aan de gemeenschap en met de latente belastingclaim.

Tip! Maak voorafgaand aan het huwelijk afspraken over de invulling van het begrip ‘redelijke vergoeding’ of wijk af van de wettelijke regeling in huwelijkse voorwaarden.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit vergoedingsrecht kan worden vastgesteld aan de hand van de toegenomen waarde van het privévermogen. Ook dient het vertrekpunt in kaart te worden gebracht: wat was de waarde van de voorhuwelijkse onderneming ten tijde van de huwelijksvoltrekking? Op welke grondslag heeft deze waardering plaatsgevonden? Heeft deze waardering plaatsgevonden door een professional waar beide echtgenoten vertrouwen in hebben?

Tip! Wanneer u de rechtsonzekerheid die de beperkte gemeenschap van goederen op dit punt met zich meebrengt zo veel mogelijk wilt voorkomen, doet u er verstandig aan huwelijkse voorwaarden te laten opstellen.

Tip! Leg het vermogen of de waarde van de onderneming en het privévermogen van partijen voor het huwelijk nauwkeurig vast.

NB! Ongelijke verdeling huwelijkse goederengemeenschap en verrekenbeding wordt aangepakt

Het huidige kabinet gaat ongelijke verdelingen van een huwelijkse gemeenschap en ongelijke verdelingen bij een verrekenbeding fiscaal aanpakken. Aanleiding is de uitkomst van een arrest van de Hoge Raad van begin 2024 waarbij twee echtgenoten huwelijkse voorwaarden aangingen in het zicht van overlijden van een van hen. De Hoge Raad oordeelde dat de ongelijke verdeling – waarbij de langstlevende 90% kreeg toebedeeld – niet in strijd was met de wet. Het kabinet wil dit aanpakken en kiest er daarom voor om de wet te wijzigen.

Constructie

De constructie komt erop neer dat partners in het zicht van overlijden, bijvoorbeeld bij een ongeneeslijke ziekte, in hun huwelijksvoorwaarden de gerechtigdheid tot de huwelijkse goederengemeenschap aanpassen ten gunste van de partner die hoogstwaarschijnlijk het langst leeft. Het wijzigen van een verrekenbeding ten gunste van de partner die hoogstwaarschijnlijk het langst leeft, heeft hetzelfde effect. De achterblijvende partner erft minder en er hoeft minder erfbelasting te worden betaald dan bij een gelijke verdeling (50%-50%).

Voorstel wetswijziging

Het kabinet wil deze constructie bestrijden. Het voorstel van het kabinet gaat echter veel verder dan het bestrijden van de aanpassingen van de huwelijkse voorwaarden over de huwelijksgoederengemeenschap of de verrekenbedingen in het zicht van overlijden van een van de partners. Het kabinet stelt namelijk voor om schenk- of erfbelasting te heffen bij elke ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap of bij elk toegepast verrekenbeding waarbij aan een partner meer toekomt dan de helft van de gemeenschap of de te verrekenen som. Hiermee worden dus niet alleen huwelijkse voorwaarden getroffen die gewijzigd zijn in het zicht van overlijden, maar alle huwelijkse voorwaarden waarvan het effect is dat er een ongelijke verdeling ontstaat.

Wat betekent de wetswijziging?

Als het voorstel ongewijzigd in de wet wordt opgenomen, betekent dit het volgende:

  • Als bij een overlijden een partner bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap of bij uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als verkrijging op grond van erfrecht. Afhankelijk van de hoogte en andere verkrijgingen, is de langstlevende partner hierover erfbelasting verschuldigd.
  • Als een partner bij een echtscheiding door ontbinding van de huwelijksgemeenschap of uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als schenking. Afhankelijk van de hoogte en andere schenkingen is hierover schenkbelasting verschuldigd.

Terugwerkende kracht 18 april 2025

Hoewel het voorstel nog in een wetsvoorstel moet worden opgenomen en door de Tweede en Eerste Kamer moet worden goedgekeurd, wordt in het voorstel al wel rekening gehouden met onmiddellijke inwerkingtreding vanaf 18 april 2025.

Let op! Alle huwelijkse voorwaarden die vanaf 18 april 2025 zijn aangegaan of gewijzigd, worden volledig door de maatregel getroffen. Dit is ook het geval als de huwelijksvoorwaarden vanaf 18 april 2025 op andere onderdelen dan de ongelijke verdeling worden aangepast. Door elke aanpassing van huwelijkse voorwaarden vanaf 18 april 2025 wordt dus de uitzonderingspositie opgeheven!

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Door |2025-05-23T15:39:48+02:0023 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen

Vergoeding voor verhuiskosten bij renovatie activeren?

Als woningen gerenoveerd worden, moeten de huurders deze veelal tijdelijk verlaten. De vraag is of een vergoeding van de hiermee gepaard gaande kosten door de verhuurder geactiveerd moeten worden, of dat deze ten laste van de winst kunnen worden gebracht.

Vergoeding verhuiskosten

Bouw

Als een verhuurder een woning renoveert, is hij wettelijk verplicht de huurder een vergoeding te geven voor de hiermee samenhangende verhuiskosten. De Belastingdienst is van mening dat deze kostenvergoeding niet in een keer ten laste van de winst kan worden gebracht, maar dat deze kosten dienen te worden geactiveerd.

Aanschaffings- of voortbrengingskosten

De rechter heeft in het verleden bepaald dat tot de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel ook bijkomende kosten behoren die gemaakt moesten worden om een bedrijfsmiddel in de voor de onderneming gewenste staat te brengen. Omdat verhuurders wettelijk verplicht zijn de verhuiskosten te vergoeden bij renovatie, zijn deze kosten onlosmakelijk met de renovatie verbonden.

Activeren

Omdat de kosten van renovatie geactiveerd moeten worden, geldt dit ook voor de hiermee samenhangende bijkomende kosten in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Deze vergoeding kan dus niet ineens ten laste van de winst worden gebracht, maar er dient op te worden afgeschreven.

Door |2025-05-16T21:02:30+02:0016 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Vergoeding voor verhuiskosten bij renovatie activeren?

Verblijf in hospice btw-belast of -vrijgesteld?

De afgelopen jaren zijn verschillende gerechtelijke uitspraken gedaan over de btw-positie van een hospice. Deze uitspraken geven niet altijd dezelfde uitkomsten.

Btw-vrijgesteld?

Portemonnee

In de praktijk wordt over het algemeen aangenomen dat de vergoeding die betaald wordt voor het verblijf in een hospice onder een medische btw-vrijstelling valt. Er mag dan geen btw berekend worden over de vergoeding. Als de hospice kosten maakt met btw, kan de hospice deze btw ook niet in aftrek brengen.

Btw-belast?

Voor hospices die veel kosten met btw maken, bijvoorbeeld door het bouwen van een nieuwe hospice, kan het fiscaal aantrekkelijker zijn om over de vergoeding voor het verblijf toch btw te moeten berekenen. In zo’n geval kan de hospice immers dan ook de grote bedragen aan btw in aftrek brengen.

Let op! De btw die berekend moet worden bedraagt in 2025 nog 9%.

De laatste jaren is dan ook een aantal gerechtelijke uitspraken gedaan over hospices die nieuwbouw hadden gepleegd en de btw die daarop drukte in aftrek wilden brengen. De hospices stelden dat de vergoeding die zij ontvingen met 9% btw belast moest worden, zodat zij ook de btw op de nieuwbouw in aftrek konden brengen.

Verschillende uitkomsten

De diverse rechtspraak leidt tot nu toe tot verschillende uitkomsten. Voor bepaalde hospices luidt het oordeel dat de vergoeding btw-belast is, voor andere hospices luidt het oordeel weer dat de vergoeding btw-vrijgesteld is. Uit de feiten en omstandigheden uit de diverse zaken is niet altijd af te leiden waarom in het ene geval de conclusie btw-belast luidt en in het andere geval btw-vrijgesteld.

Zo oordeelde rechtbank Den Haag onlangs voor een low-care hospice dat de vergoeding btw-belast was. In een andere vergelijkbare casus oordeelde gerechtshof Den Haag al eerder dat de vergoeding btw-vrijgesteld was.

En nu?

De zaak van de hospice waarover gerechtshof Den Haag oordeelde, ligt inmiddels bij de Hoge Raad. Het wachten is nu daarom of de Hoge Raad duidelijkheid hierin verschaft. Het is goed om te weten dat de Belastingdienst in ieder geval meent dat de btw-vrijstelling van toepassing is. Of de Hoge Raad die mening in alle gevallen volgt, moet dus nog duidelijk worden. Voor hospices met weinig kosten die geen btw willen berekenen, zou dat een gunstige uitkomst zijn. Voor hospices met veel kosten – bijvoorbeeld bij nieuwbouw of verbouwing – die wel btw willen berekenen, uiteraard niet.

Door |2025-05-16T21:00:42+02:0016 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Verblijf in hospice btw-belast of -vrijgesteld?

Weer subsidie begeleiding statushouders op werkvloer

Werkgevers die statushouders in dienst nemen, lopen soms tegen verschillende problemen aan. Ook in 2025 is er weer subsidie beschikbaar, gericht op activiteiten om de taal- en cultuurverschillen op de werkvloer te verkleinen.

SOWIS

Bouw

De Subsidieregeling Ondersteuning Werkgevers Inzet Statushouders (SOWIS) is bedoeld voor extra begeleiding van statushouders op de werkvloer. De subsidie kan worden aangevraagd voor activiteiten die zijn gericht op het leren van de vaktaal en het bijbrengen van de cultuur van de organisatie.

Voorwaarden subsidieregeling

De statushouders moeten een arbeidsovereenkomst van minimaal 20 uur per week voor de duur van ten minste 12 maanden hebben. Of zij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd hebben, maakt niet uit.

Handreiking

Het Ministerie van SZW heeft een handreiking ontwikkeld voor een te hanteren activiteitenplan. Werkgevers moeten daarbij gebruikmaken van verplichte formats, die eveneens op de website beschikbaar zijn.

Tip! Regionale verbinders voor statushouders vervullen een spilfunctie binnen arbeidsmarktregio’s bij de  integratie van statushouders naar werk. Zij kunnen ook adviseren en ondersteunen bij een subsidieaanvraag.

Maximale subsidie

Werkgevers kunnen voor maximaal vier statushouders subsidie krijgen. De SOWIS bedraagt voor de eerste statushouder € 8.000, voor de tweede € 6.000 en voor de derde en vierde ieder € 5.000. De totale subsidie kan dus maximaal € 24.000 bedragen. De subsidie kan worden aangevraagd voor hen die nog niet langer dan zes maanden in dienst zijn. Gebleken is dat het eerste jaar van indiensttreding essentieel is om iemand goed te laten integreren op de werkvloer.

Aanvraagperiode

De SOWIS kan van 2 juni 2025 9.00 uur tot en met 30 september 2025 17.00 uur hier worden aangevraagd. Het is zaak de subsidie tijdig aan te vragen, omdat anders de subsidiepot leeg kan zijn. Activiteiten in het kader van deze regeling worden uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de initiële subsidieverlening afgerond.

Door |2025-05-16T21:03:43+02:0016 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Weer subsidie begeleiding statushouders op werkvloer

Aftrek btw op verhuur werkkamer aan eigen bv?

Als je als dga een werkkamer in jouw woning verhuurt aan jouw bv, is het de vraag of je als verhuurder de btw op dit deel van de woning in aftrek kunt brengen? Ook is het dan de vraag of het verschil maakt of een werkkamer al dan niet zelfstandig is?

Echtpaar verhuurt werkkamer aan bv

Bedrijfspand

In een arrest van het gerechtshof Amsterdam werd deze vraag beantwoord. In de betreffende zaak verhuurde een echtpaar een werkkamer van 9,8 m2 aan de bv, waarvan de man enig aandeelhouder en dga was. De werkkamer is alleen te betreden via de hal in de woning. De werkkamer beschikt niet over eigen sanitaire voorzieningen.

Het echtpaar had schriftelijk vastgelegd dat de werkkamer voor een periode van vijf jaar werd verhuurd, met de optie om dit na ommekomst van deze periode steeds voor dezelfde termijn te verlengen. Het paar trekt 7,15% van de btw af op de bouw van de woning.

Economische activiteit

De huurprijs van de kamer van € 200 per maand is niet dermate laag dat er geen sprake is van een symbolische vergoeding. Er is sprake van een duurzame verhuur tegen een reële vergoeding, volgens het Hof. Dat de gehanteerde voorwaarden niet marktconform zijn, is volgens het Hof niet van belang.

Dga handelt niet alleen

Het Hof vindt ook van belang dat de dga in deze zaak niet alleen handelt, maar samen met zijn echtgenote. Beiden zijn gerechtigd tot de woning, ze verhuren de woning samen aan de bv en de vrouw is niet in dienst bij de bv.

Ook medegebruik niet van belang

Tenslotte acht het Hof ook niet van belang dat de bv de werkkamer huurt en daarbij gebruik mag maken van onder andere de toiletruimte van de woning. Er is sprake van een reële verhuur van de werkkamer. De conclusie luidt dan ook dat er een rechtstreeks verband is tussen de kosten van de woning en de btw-belaste verhuur van de werkkamer. Het echtpaar heeft daarmee recht op de btw-aftrek.

Door |2025-05-14T09:33:10+02:0014 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Aftrek btw op verhuur werkkamer aan eigen bv?

Aanpassingen lijfrenteregels vanaf 2026

Het kabinet stelt voor om vanaf 2026 twee regels met betrekking tot lijfrenten aan te passen. Welke regels worden aangepast?

Aanpassing uiterste ingangsdatum lijfrenteverzekering, -rekening en -beleggingsrecht

Pensioen

Een voorwaarde voor een aftrekbare lijfrente is dat de lijfrenteverzekering uiterlijk ingaat in het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. De lijfrente kan worden uitgekeerd met een jaarbetaling achteraf, waardoor de eerste termijn uiterlijk in het jaar van de AOW plus zes jaar kan geschieden.

Dit is voor een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht anders. Voor deze lijfrenten moet de eerste termijn uiterlijk worden uitgekeerd in het jaar van AOW plus vijf jaar.

Het kabinet wil deze ongelijkheid wegnemen. In de wet wordt daarom vanaf 1 januari 2026 opgenomen dat ook de eerste termijn van een lijfrenteverzekering vanaf 1 januari 2026 uiterlijk moet worden uitgekeerd in het jaar van AOW plus vijf jaar.

Aanpassing termijn ingaan lijfrente ter voorkoming van afkoop

Een lijfrente die op de in de overeenkomst overeengekomen einddatum nog niet tot uitkering komt, omdat de omvang van de termijnen nog moet worden vastgesteld, wordt na verloop van een bepaalde tijd geacht te zijn afgekocht. Nu is dat wettelijk:

  • op 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de in de overeenkomst overeengekomen datum bij leven, en
  • op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de in de overeenkomst overeengekomen datum bij overlijden.

De Belastingdienst kan deze termijn verlengen als door bijzondere omstandigheden de omvang van de termijnen nog niet is vastgesteld of omzetting van de lijfrente nog niet heeft plaatsgevonden. De Belastingdienst ontvangt per jaar zo’n 4.000 verzoeken voor termijnverlenging.

Mede daarom wil het kabinet vanaf 1 januari 2026 niet langer aansluiten bij de in overeenkomst overeengekomen einddatum. Vanaf 1 januari 2026 wordt daarom in de wet opgenomen dat de uiterste termijn van uitkering van de eerste lijfrentetermijn:

  • bij leven is 31 december van het jaar na het jaar van AOW plus vijf jaar, en
  • bij overlijden is 31 december van het tweede jaar na overlijden.

In de wet wordt vanaf 1 januari 2026 ook opgenomen dat de Belastingdienst de termijnen kan verlengen als door bijzondere omstandigheden geen termijnen zijn uitgekeerd.

Fiscale verzamelwet 2026

De aanpassingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2026 welke onlangs aan de Tweede Kamer is aangeboden. De Tweede en Eerste Kamer moeten nog instemmen met dit wetsvoorstel. De wetswijzigingen zijn daarom nog niet definitief.

Door |2025-05-14T09:31:31+02:0014 mei 2025|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Aanpassingen lijfrenteregels vanaf 2026