NBC

Voorwaarden giftenaftrek voor vrijwilligers

Een vrijwilliger kan in de aangifte inkomstenbelasting giften in aftrek brengen vanwege het vrijwilligerswerk. Hiervoor moet wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan.

Vrijwilligersvergoeding
Je moet allereerst door een regeling van de instelling recht hebben op een vrijwilligersvergoeding en daar vrijwillig van afzien. Een echtpaar dat bij Hof Den Haag aanspraak wilde maken op giftenaftrek voldeed niet aan die voorwaarde. Hof Den Haag was van oordeel dat het echtpaar geen aanspraak kon maken op een vergoeding. Het echtpaar kon daar dan ook niet vrijwillig van afzien. De Hoge Raad liet het oordeel van Hof Den Haag in stand.

Let op!De instelling waar u het vrijwilligerswerk verricht, moet dus een regeling hebben waardoor u recht heeft op een vrijwilligersvergoeding. Daarnaast moet de instelling echter ook bereid én financieel in staat zijn om de vergoeding daadwerkelijk te betalen. Is dat niet het geval, dan kunt u de vergoeding niet als gift in aftrek brengen.

Verklaring
De instelling waarvoor je het vrijwilligerswerk verricht, moet verder een anbi zijn. Daarnaast moet de instelling jou een vrijwilligersverklaring geven.

Tip!Op de website van de Belastingdienst vindt u zo’n vrijwilligersverklaring. Met deze verklaring verklaart de instelling onder meer dat u vrijwilligerswerk heeft verricht, daarvoor recht heeft op een vergoeding en dat u afziet van die vergoeding.

Kosten
Als je kosten maakt voor jouw vrijwilligerswerk, dan kun je die kosten als gift in aftrek brengen als je deze kosten niet vergoed kan krijgen of vrijwillig van zo’n vergoeding afziet. Het moet dan wel gaan om kosten die volgens maatschappelijke opvattingen vergoed behoren te worden (denk aan reiskosten, portokosten, kosten papier et cetera).

Let op!Als je ook afziet van de vrijwilligersvergoeding en deze als gift opvoert, komen de kosten alleen voor aftrek in aanmerking als deze hoger zijn dan de vrijwilligersvergoeding.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-06-16T20:19:40+02:0016 juni 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Voorwaarden giftenaftrek voor vrijwilligers

Wanneer zijn inkomsten uit tijdelijke verhuur eigen woning belast?

Als je jouw eigen woning of een deel ervan tijdelijk verhuurt, bijvoorbeeld via AirBnb, zijn de voordelen hiervan voor 70% belast in box 1. De rechtbank Noord-Holland heeft in een uitspraak duidelijk gemaakt welke voorwaarden hiervoor gelden en wanneer de woning u als hoofdverblijf ter beschikking staat.

Verhuur aanbouw
In de betreffende zaak had de eigenaar van een eigen woning deze uitgebreid met een aanbouw. Deze aanbouw werd tijdelijk verhuurd via Airbnb, hetgeen ruim € 2.600 aan huur had opgeleverd. De vraag was of deze inkomsten minus de kosten belast waren in box 1.

Is aanbouw deel van woning?
De rechtbank diende als eerste te oordelen over de vraag of de aanbouw als deel van de eigen woning kon worden gezien. Volgens de rechtbank was dit het geval, nu de aanbouw aan de woning was gebouwd en ook kadastraal daartoe behoorde. Dat de aanbouw een eigen ingang had en over eigen nutsvoorzieningen beschikte, deed niet ter zake.

Heeft het als hoofdverblijf ter beschikking gestaan?

De verhuurder was ook van mening dat het gastenverblijf hem niet ter beschikking stond, maar ook hierin ging de rechtbank niet mee. De eigenaar kon namelijk zelf beslissen of hij de aanbouw al dan niet verhuurde en kon, in de periodes dat de aanbouw niet verhuurd werd, zelf over de aanbouw beschikken. Dat de verhuurder de aanbouw zelf niet gebruikte, was niet van belang.

Tijdelijke terbeschikkingstelling?
De rechtbank oordeelde ten slotte dat er ook sprake was van tijdelijke terbeschikkingstelling. Daarvoor is namelijk bepalend dat de aanbouw na de verhuur weer ter beschikking van de eigenaar komt. Aangezien dit het geval was omdat de aanbouw alles bij elkaar slechts twee maanden was verhuurd, bleef de aanslag overeind en werd de inspecteur in het gelijk gesteld.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-06-16T20:16:06+02:0016 juni 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Wanneer zijn inkomsten uit tijdelijke verhuur eigen woning belast?

Uitkoopregeling veehouderij bekend, subsidie vanaf 3 juli aanvragen

Veehouders die te veel stikstof produceren en willen stoppen met hun bedrijf, kunnen vanaf 3 juli 9.00 uur de hiervoor beschikbare subsidies aanvragen. Om te berekenen wat de stikstofneerslag van het bedrijf is, is de zogenaamde AERIUS check reeds opengesteld.

AERIUS check

Via de AERIUS check kunt u de stikstofneerslag van uw bedrijf berekenen. Hiervoor is een speciale site beschikbaar. Met behulp van de check wordt duidelijk wat de stikstofneerslag van uw bedrijf is, en of u mogelijk piekbelaster bent. Op basis hiervan kan worden vastgesteld of en voor welke subsidie u mogelijk in aanmerking komt.

Subsidies Lbv en Lbv-plus
Subsidies waar veehouders mogelijk aanspraak op kunnen maken betreffen de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en voor piekbelasters de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus). Op de site van de RVO is over deze subsidies meer informatie te vinden.

Subsidie aanvragen

Het loket gaat dus open op 3 juli 2023 om 9.00 uur. De Lbv is aan te vragen tot 1 december 2023 17.00 u. De Lbv-plus is aan te vragen tot 5 april 2024 17.00 uur. Dit kan via RVO.nl.

Zaakbegeleider en adviesvoucher

Veehouders die te veel stikstof produceren en met hun bedrijf willen stoppen, het bedrijf willen aanpassen of bijvoorbeeld verplaatsen, kunnen hulp krijgen van een zaakbegeleider. Daarnaast kan via de site van de RVO vanaf 10 juli 2023 een adviesvoucher worden aangevraagd.

Advies of hulp nodig?
Wilt u graag advies of heeft u hulp nodig bij het invullen en/of aanvragen van de subsidies? Of wilt u eens sparren met een adviseur wat u kunt doen in uw geval? Neem dan contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-06-16T19:43:26+02:0016 juni 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Uitkoopregeling veehouderij bekend, subsidie vanaf 3 juli aanvragen

Kabinetsplannen met betrekking tot zelfstandigen

Het kabinet wil schijnzelfstandigheid tegengaan. Dit vergt een aanpak langs drie lijnen: een meer gelijk speelveld tussen contractvormen, meer duidelijkheid over de vraag wanneer gewerkt wordt als werknemer dan wel als zelfstandige en verbetering van handhaving op schijnzelfstandigheid.

Toekomstige wijzigingen
Allereerst worden de fiscale verschillen tussen werknemers in loondienst en zelfstandigen verkleind. Daarmee is al begonnen. Zo is opbouw van de fiscale oudedagsreserve (FOR) al niet meer mogelijk vanaf 2023 en wordt de zelfstandigenaftrek versneld afgebouwd tot €900 in 2027. Andere maatregelen staan op de planning, zoals een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (AOV), verduidelijking van het werken ‘in dienst van’ en een rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Hiervoor is een wetswijziging nodig.

Let op! De bedoeling is om de parlementaire behandeling van het betreffende wetsvoorstel in 2024 te laten plaatsvinden. Tevens bestaat het voornemen om het huidige handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 volledig op te heffen.

Verplichte AOV
De verplichte AOV gaat vooralsnog alleen gelden voor IB-ondernemers (en meewerkend partners) en niet voor DGA’s en resultaatgenieters. Wanneer het in de toekomst uitvoeringstechnisch wel haalbaar is om een onderscheid te maken tussen zelfstandigen met en zonder personeel, kan een verzekeringsplicht voor de DGA’s zonder personeel worden ingevuld.

In dienst van
Om nadere invulling te geven aan de open norm ‘werken in dienst van’ worden drie hoofdelementen benoemd: materiële ondergeschiktheid (toezicht, instructies etc.), de organisatorische inbedding van het werk en – als contra-indicatie voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst – zelfstandig ondernemerschap binnen de betreffende arbeidsrelatie.

Rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst
Ook is het de bedoeling om het ‘civielrechtelijke rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst’, te koppelen aan een maximaal uurtarief. De tariefgrens hiervan wordt nog nader bepaald (mogelijk tarief tussen de 30 en 35 euro).
Het betreft hier overigens een weerlegbaar rechtsvermoeden. Dit betekent dat er bij werken tegen een vergoeding tot maximaal het uurtarief er geacht wordt een arbeidsovereenkomst te zijn. Tegenbewijs waaruit blijkt dat niet sprake is van een arbeidsovereenkomst is echter mogelijk.

Let op! De uiteindelijke toets of sprake is van een arbeidsovereenkomst zal dus gebaseerd blijven op arbeid, loon en werken in dienst van (gezag).

Aanvullende maatregelen specifieke sectoren
Het kabinet vindt de schijnzelfstandigheid problematiek in de sectoren kinderopvang, onderwijs en zorg dusdanig urgent dat er eerder ingegrepen moet worden. Een aanvullende aanpak is hiervoor noodzakelijk. Voor de zomer zal de Tweede Kamer hierover geïnformeerd worden. Bij deze aanvullende maatregelen moet waarde gehecht worden aan het belang van goed werkgeverschap in deze sectoren. Dit kan door het stimuleren van modern werkgeverschap, het bieden van meer flexibiliteit binnen een arbeidsovereenkomst door bijvoorbeeld meer ruimte te geven om de eigen werktijden te kiezen of het bieden van meer autonomie voor de werkende.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-06-12T16:34:54+02:0016 juni 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Kabinetsplannen met betrekking tot zelfstandigen

Eerder verplicht aanwezig zijn betekent extra loon

Als een werknemer eerder op zijn werk aanwezig moet zijn om zich voor te kunnen bereiden om met het werk te kunnen starten, en deze verplichting ook is vastgelegd, dient de werkgever deze tijd uit te betalen als loon. Dit heeft het gerechtshof in Den Haag beslist in een zaak waarbij het ging om een werknemer van een callcenter.

Planningsregels
Het callcenter hanteerde een reglement als onderdeel van de arbeidsovereenkomst, waaraan de werknemer diende te voldoen. Onderdeel van het reglement was de bepaling dat de werknemer 10 minuten vóór aanvang van het werk aanwezig diende te zijn. De werknemer was van mening dat ook deze 10 munten betaald dienden te worden.

Productieve arbeid?
De werkgever was van mening dat de 10 minuten niet betaald hoefden te worden, omdat in deze tijd geen productieve arbeid werd verricht. Tijdens de zitting werd echter duidelijk dat de werknemer in deze 10 minuten diende in te loggen in het systeem van zijn werkgever en zijn werktelefoon diende te activeren. Ook moest hij dan op de computer diverse programma’s opstarten. Dit alles was bedoeld om exact om 9.00 uur ’s ochtends te kunnen beginnen met het bellen van klanten.

Hof geeft werknemer gelijk
Het gerechtshof stelt de werknemer in het gelijk. Duidelijk is namelijk dat een werknemer zich 10 minuten voor aanvang van de werktijd diende te melden bij zijn supervisor. Dat de tijd om programma’s op te starten minder dan 10 minuten was, doet hier niet aan af. Op de werknemer rust immers de verplichting 10 minuten eerder aanwezig te zijn. Dat ook andere beroepen eisen dat de werknemer eerder aanwezig is dan het tijdstip waarop hij met zijn werkzaamheden dient te beginnen, doet evenmin ter zake.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-06-12T16:39:55+02:0016 juni 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Eerder verplicht aanwezig zijn betekent extra loon

Waardeverandering effecten van invloed op erfbelasting?

Als je een effectenportefeuille erft, kan de waarde bij overlijden uiteindelijk afwijken van het bedrag dat u voor de effectenportefeuille krijgt. Zelfs als je de portefeuille zo snel mogelijk na het overlijden van de hand doet. Maar heeft dit ook effect op de te betalen erfbelasting?

Waarde op verkrijgingsmoment

Wettelijk is bepaald dat de waarde van een erfenis wordt bepaald op het moment van verkrijging, ofwel het moment van overlijden van de erflater. Daaraan doet niet af dat een effectenportefeuille op dat moment nog niet meteen te gelde kan worden gemaakt. Hiervoor is namelijk een verklaring van erfrecht nodig.

Let op!De afgifte van een dergelijke verklaring kan enkele weken duren.

Waardedaling twee ton

Dat bovenstaande behoorlijk nadelig kan uitpakken, bleek onlangs voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant. In deze zaak hadden twee neven een effectenportefeuille geërfd met een waarde op de datum van overlijden van 25 februari 2020 van circa €1.472.000. De neven gaven zodra het mogelijk was de bank opdracht de portefeuille te liquideren. Dit leverde op 23 juni van dat jaar een bedrag op van circa €1.255.000, ruim twee ton minder dus.

Waardemutatie zonder effect

De tussentijdse waardemutatie had echter geen effect op de af te dragen erfbelasting, die ruim €313.000 per persoon bedroeg. De rechtbank concludeerde dat de aanslagen correct volgens de wettelijke bepaling waren vastgesteld, ondanks het feit dat er dan belasting betaald moest worden over een waarde die niet was gerealiseerd. Volgens de erfgenamen was er door geen rekening te houden met de waardemutatie echter sprake van een individuele en buitensporige last.

Last niet sterker

Volgens de rechtbank was hiervan echter geen sprake. De belastingdruk was weliswaar 44,22%, maar door de neven was niet aannemelijk gemaakt dat deze last zich in hun geval sterker liet voelen dan in het algemeen. Daarbij was ook van belang dat een waardedaling van een effectenportefeuille na de overlijdensdatum niet uitzonderlijk is. De rechtbank voegde hieraan toe dat de gerealiseerde lagere opbrengst ook een gevolg was van de keuze de portefeuille zo snel mogelijk na verkrijging te liquideren. De aanslagen erfbelasting bleven dan ook in stand.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-06-16T16:17:15+02:0016 juni 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Waardeverandering effecten van invloed op erfbelasting?

Einde FOR bij gebroken boekjaar?

Je kunt sinds dit jaar niet meer doteren aan uw oudedagsreserve, ofwel de FOR. Maar hoe zit dat als je werkt met een gebroken boekjaar?

Fiscale oudedagsreserve (FOR)

Via de FOR kon je tot dit jaar bedragen van de winst reserveren ten behoeve van jouw oude dag. De FOR is inmiddels afgeschaft, maar er is een uitzondering gemaakt voor ondernemers met een gebroken boekjaar dat eindigt in 2023.

Vijf situaties
Er worden door de Belastingdienst vijf verschillende situaties geschetst.

In situatie 1 loopt het boekjaar van 1 april 2022 tot en met 31 maart 2023 en is doteren mogelijk over het hele gebroken boekjaar.

In situatie 2 zijn er twee ondernemingen en heeft de ene onderneming een boekjaar van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 en de andere van 1 april 2022 tot en met 31 maart 2023. Doteren is dan alleen mogelijk voor de laatste onderneming.

Lang boekjaar
In situatie 3 loopt het boekjaar van 1 mei 2022 tot en met 31 oktober 2023. Doteren is dan mogelijk over het hele, lange boekjaar.

Ook in situatie 4 is er een lang boekjaar dat loopt van 1 mei 2021 tot en met 31 januari 2023. Het boekjaar wordt dan gesplitst in een boekjaar van 1 mei 2021 tot en met 30 april 2022 en het tweede boekjaar van 1 mei 2022 tot en met 31 januari 2023. Er kan voor beide gebroken boekjaren gedoteerd worden.

In situatie 5 loopt het boekjaar van 1 mei 2022 tot en met 31 januari 2024. Er wordt ook dan gesplitst in een eerste boekjaar van 1 mei 2022 tot en met 30 april 2023 en een tweede van 1 mei 2023 tot en met 31 januari 2024. Doteren kan nu alleen voor het gebroken boekjaar dat eindigt in 2023.

Toelichting
De Belastingdienst geeft aan dat bovenstaande uitkomsten gebaseerd zijn op de wettelijke bepaling dat voor gebroken boekjaren geldt dat in het laatste boekjaar dat is aangevangen vóór 1 januari 2023 toevoeging aan de FOR nog mogelijk is. Ook de splitsing van een boekjaar vloeit voort uit de wet, als er namelijk twee gedeelten ontstaan die in verschillende kalenderjaren eindigen.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-06-16T16:13:41+02:0016 juni 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Einde FOR bij gebroken boekjaar?

  • Nieuwsbrief juni 2023

Nieuwsbrief juni 2023

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 5 juni 2023, 20:00 uur.


1. Wet toekomst pensioenen definitief!

De Wet toekomst pensioenen is op 30 mei definitief geworden. De Eerste Kamer stemde in grote meerderheid voor.

Ingangsdatum
De wet gaat per 1 juli 2023 in, maar er geldt wel een overgangsregime voor bestaande pensioenregelingen tot 2028 (dat was in het wetsvoorstel eerst nog 2027).

Wat zijn de belangrijkste wijzigingen?
De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het huidige pensioenstelsel zijn:

  1. alle pensioenregelingen worden premieovereenkomsten, met een flatratepremie (= eenzelfde premie voor iedere werknemer, ongeacht de leeftijd) van maximaal 30%. Uiterlijk derhalve per 2028, eerder mag;
  2. bestaande beschikbare premieregelingen met een stijgende staffel mogen in stand blijven voor alle werknemers die per 1 januari 2028 al in dienst zijn. Nieuwe werknemers krijgen vanaf die datum wel een flatratepremie;
  3. er moet adequaat gecompenseerd worden voor werknemers die er mogelijk op achteruitgaan. Dit is globaal de groep 45-68 jaar. Wat precies adequaat is, is niet vastgelegd en zal derhalve uitonderhandeld moeten worden per werkgever. De compensatie mag in extra pensioen (de flatrate wordt daartoe 33% tot 2037) of via extra salaris. In geval van extra pensioen geldt dat ook voor nieuwe werknemers gedurende de compensatieperiode;
  4. pensioenfondsen mogen kiezen tussen de solidaire premieovereenkomst of de flexibele premieovereenkomst (doorbeleggen). De eerste voorziet onder andere in beschermingsrendement voor gepensioneerden en mag een buffer kennen van 15% van het pensioenvermogen om mogelijke verlagingen van ingegane pensioenen op te vangen;
  5. opgebouwde (middel- of eindloon)pensioenen bij een verzekeraar mogen gewoon in stand blijven. Lopende middelloonregelingen mogen nog tot 2028 omgezet worden in een stijgende, beschikbare premiestaffel (die dan weer voortgezet mag worden voor zittende werknemers);
  6. het partnerpensioen wordt gestandaardiseerd en mag maximaal 50% van het salaris bedragen en wordt per definitie op risicobasis verzekerd;
  7. de mogelijkheid om 10% op de pensioeningangsdatum in één keer uit te laten keren (dit was al wet), gaat waarschijnlijk per 2024 in. Deze uitkering wordt dan belast in het jaar volgend op de AOW-ingang als de uitkering in het eerste jaar waarin AOW wordt ontvangen, wordt genoten. Op die manier hoeft daarover geen AOW-premie betaald te worden;
  8. de lijfrenteaftrek gaat ook naar 30% (nu 13,3%) en de tijdelijke oudedagslijfrente blijft bestaan;
  9. het pensioen mag nog maar vanaf 10 jaar voor AOW-datum ingaan. Er hoeft dan geen verklaring meer te worden overgelegd dat uit het arbeidsproces wordt gestapt. Nu is de ingangsdatum nog helemaal vrij, maar er moet bij meer dan 5 jaar voor AOW-datum wel een verklaring overgelegd worden dat gestopt wordt met werken;
  10. tot slot mogen sociale partners verder praten over een regeling voor zware beroepen. Het huidige boetevrije Recht op Vervroegde Uittreding (vanaf 3 jaar voor AOW-datum) loopt per 2025 af.

Transitie
Uiteraard moet de hele pensioentransitie goed vastgelegd worden door middel van een transitieplan (waarin alle keuzes en gevolgen worden uitgelegd), een communicatieplan en een compensatieplan. Daarmee moeten zowel interne als externe toezichthouders instemmen. Het individuele bezwaarrecht van artikel 85 Pensioenwet is tijdelijk buiten werking gesteld. Nu kan een individuele werknemer bezwaar maken bij een collectieve waardeoverdracht. Om te bewerkstelligen dat iedereen overgaat naar het nieuwe systeem, is besloten dat hiertegen geen bezwaar mogelijk is.

Let op!
Als blijkt dat de transitie niet per 2028 lukt, kan de termijn verlengd worden met een jaar voor individuele pensioenfondsen. De Nederlandsche Bank als toezichthouder geef hiervoor dan toestemming. Mocht blijken dat het voor heel veel uitvoerders geldt, dan kan er uiteraard een generaal pardon komen vanuit de wetgever.


2. Kabinetsplannen met betrekking tot zelfstandigen

Het kabinet wil schijnzelfstandigheid tegengaan. Dit vergt een aanpak langs drie lijnen: een meer gelijk speelveld tussen contractvormen, meer duidelijkheid over de vraag wanneer gewerkt wordt als werknemer dan wel als zelfstandige en verbetering van handhaving op schijnzelfstandigheid.

Toekomstige wijzigingen
Allereerst worden de fiscale verschillen tussen werknemers in loondienst en zelfstandigen verkleind. Daarmee is al begonnen. Zo is opbouw van de fiscale oudedagsreserve (FOR) al niet meer mogelijk vanaf 2023 en wordt de zelfstandigenaftrek versneld afgebouwd tot €900 in 2027. Andere maatregelen staan op de planning, zoals een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (AOV), verduidelijking van het werken ‘in dienst van’ en een rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Hiervoor is een wetswijziging nodig.

Let op!
De bedoeling is om de parlementaire behandeling van het betreffende wetsvoorstel in 2024 te laten plaatsvinden. Tevens bestaat het voornemen om het huidige handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 volledig op te heffen.

Verplichte AOV
De verplichte AOV gaat vooralsnog alleen gelden voor IB-ondernemers (en meewerkende partners) en niet voor DGA’s en resultaatgenieters. Wanneer het in de toekomst uitvoeringstechnisch wel haalbaar is om een onderscheid te maken tussen zelfstandigen met en zonder personeel, kan een verzekeringsplicht voor de DGA’s zonder personeel worden ingevuld.

In dienst van
Om nadere invulling te geven aan de open norm ‘werken in dienst van’ worden drie hoofdelementen benoemd: materiële ondergeschiktheid (toezicht, instructies etc.), de organisatorische inbedding van het werk en – als contra-indicatie voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst – zelfstandig ondernemerschap binnen de betreffende arbeidsrelatie.

Rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst
Ook is het de bedoeling om het ‘civielrechtelijke rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst’, te koppelen aan een maximaal uurtarief. De tariefgrens hiervan wordt nog nader bepaald (mogelijk tarief tussen de 30 en 35 euro).

Het betreft hier overigens een weerlegbaar rechtsvermoeden. Dit betekent dat er bij werken tegen een vergoeding tot maximaal het uurtarief geacht wordt een arbeidsovereenkomst te zijn. Tegenbewijs waaruit blijkt dat niet sprake is van een arbeidsovereenkomst is echter mogelijk.

Let op!
De uiteindelijke toets of sprake is van een arbeidsovereenkomst zal dus gebaseerd blijven op arbeid, loon en werken in dienst van (gezag).

Aanvullende maatregelen specifieke sectoren
Het kabinet vindt de schijnzelfstandigheidsproblematiek in de sectoren kinderopvang, onderwijs en zorg dusdanig urgent dat er eerder ingegrepen moet worden. Een aanvullende aanpak is hiervoor noodzakelijk. Voor de zomer zal de Tweede Kamer hierover geïnformeerd worden. Bij deze aanvullende maatregelen moet waarde gehecht worden aan het belang van goed werkgeverschap in deze sectoren. Dit kan door het stimuleren van modern werkgeverschap, het bieden van meer flexibiliteit binnen een arbeidsovereenkomst door bijvoorbeeld meer ruimte te geven om de eigen werktijden te kiezen of het bieden van meer autonomie voor de werkende.


3. Voorgenomen hervormingen concurrentiebeding

Het kabinet is van plan om het concurrentiebeding te hervormen om zo onnodige beperkingen van zo’n beding en rechterlijke procedures tegen te gaan.

Concurrentiebeding
Een concurrentiebeding legt de vrijheid van de werknemer aan banden om na afloop van zijn dienstverband elders in dienstbetrekking dan wel als zelfstandige te gaan werken. Om die reden is het met de nodige waarborgen omgeven. Zo is het alleen rechtsgeldig als het schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer en mag het als hoofdregel alleen worden afgesproken bij arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Het kabinet is van plan om het concurrentiebeding met nog meer waarborgen te omgeven.

Gebruik concurrentiebeding
Uit onderzoek is gebleken dat inmiddels naar schatting circa 37% van de werknemers aan een concurrentiebeding is gebonden. Eén op de drie werkgevers hanteert een concurrentiebeding, vrijwel altijd als een standaardclausule in het arbeidscontract. Deze werknemers hebben echter vaak geen toegang tot kennis en/of relaties die de concurrentiepositie van de werkgever kunnen schaden. De vraag is dan reëel of het nog wel zinvol is om deze werknemers aan een concurrentiebeding te binden.

Ook geeft ongeveer een derde van de werkgevers aan dat ze het concurrentiebeding gebruiken als manier om werknemers aan zich te binden, terwijl de Hoge Raad in de zomer van 2022 expliciet heeft bepaald dat een concurrentiebeding daar niet voor is bedoeld.

Voorgenomen wijzigingen
De minister van SZW wil daarom een wetsvoorstel voorbereiden dat als doel heeft het concurrentiebeding te moderniseren. Ze is van plan de volgende voorgenomen wijzigingen verder uit te werken in een wetsvoorstel:

  • het wettelijk begrenzen van het concurrentiebeding in tijdsduur;
  • het verplicht opnemen in een concurrentiebeding van een geografisch bereik, gespecificeerd en gemotiveerd;
  • het, evenals bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, bij een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verplicht vermelden van een motivatie van ‘het zwaarwichtig bedrijfsbelang’;
  • het door de werkgever, bij het succesvol inroepen van het concurrentiebeding, in beginsel betalen van een vergoeding, vastgesteld op een bij wettelijk voorschrift bepaald percentage van het laatst verdiende salaris van de werknemer.

Let op!
Het is nog niet bekend vanaf wanneer de voorgenomen wijzigingen in zouden moeten gaan. Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel eind 2023 ter internetconsultatie wordt aangeboden.


4. BTW-verleggingsregeling vereist identiteit afnemer

Ondernemers die een verleggingsregeling in de BTW toepassen, dienen de identiteit van de afnemer vast te stellen. De Hoge Raad oordeelde onlangs dat dit noodzakelijk is vanwege een effectieve controle op heffing en inning van de BTW bij de afnemer.

Verleggingsregeling
Als een verleggingsregeling van toepassing is, dient niet de leverancier van goederen BTW te berekenen en af te dragen, maar de afnemer. Nederland kent een aantal verleggingsregelingen die bedoeld zijn om fraude tegen te gaan en die met name zien op fraudegevoelige artikelen, zoals mobiele telefoons, laptops, oude metalen en lompen.

Afnemer onbekend
In bovengenoemde zaak had een handelaar oude metalen geleverd aan een afnemer, zonder dat de identiteit van de afnemer was vastgesteld. Bij het afhalen van de oude metalen was weliswaar een BTW-identificatienummer verstrekt, maar dit bleek niet te kloppen. Toch waren facturen verstrekt waarop de BTW was verlegd. De inspecteur legde een naheffing op aan de handelaar vanwege het ten onrechte verleggen van de BTW, waarna de zaak voor de rechter kwam.

Identiteit vereist?
In deze zaak was de vraag met name of voor toepassing van de verleggingsregeling de identiteit van de afnemer bekend moest zijn. Hof Den Bosch oordeelde dat het voldoende is als duidelijk is dat de afnemer een ondernemer is, maar volgens de Hoge Raad is dit niet genoeg. Zonder de identiteit is immers niet gegarandeerd dat de verschuldigde BTW ook geheven en afgedragen wordt.

Verschillende verleggingsregelingen
In de zaak bij de Hoge Raad ging het om de levering van oude metalen. In de wet zijn echter nog meer verleggingsregelingen opgenomen om fraude tegen te gaan. Het oordeel van de Hoge Raad geldt ook voor die verleggingsregelingen. Het gaat hierbij onder meer om de BTW-verleggingsregelingen bij:

  • onderaanneming en personeel uitlenen in de sectoren bouw, scheepsbouw, schoonmaakbedrijven en hoveniers;
  • levering van mobiele telefoons, chips, spelcomputers, laptops en tablets;
  • levering van goud, en
  • levering van afval en oude materialen.

Speel op zeker!
De uitspraak maakt duidelijk dat leveranciers die een verleggingsregeling toepassen, er goed aan doen op zeker te spelen. Wie een verleggingsregeling toepast zonder zekerheid te hebben over de identiteit van de afnemer, loopt het risico zelf via een naheffing voor de af te dragen BTW op te moeten draaien.


5. Kom nu in actie bij achterstand aflossing Coronabelastingschulden

Tijdens de Coronacrisis konden bedrijven ervoor kiezen om de betaling van hun belastingschulden tijdelijk uit te stellen. Sinds 1 oktober 2022 moeten ondernemers deze schulden aflossen. Voor deze betalingsregeling gelden wel voorwaarden. Zo moeten ondernemers in principe maandelijks aflossen op de schulden en nieuw opkomende belastingen tijdig betalen. Voldoen zij hier niet aan, dan zal de Belastingdienst vanaf half juli 2023 aankondigen dat de betalingsregeling wordt ingetrokken. Eerder kondigde de Belastingdienst aan in die gevallen vanaf 13 juni 2023 de betalingsregeling in te trekken, maar dat is dus uitgesteld. Het gaat hierbij met name om ondernemers die meer dan één termijn op de betalingsregeling achterlopen en/of een structurele achterstand hebben op de lopende verplichtingen vanaf 1 oktober 2022. Geldt dat voor jou, kom dan snel in actie. Lukt het niet om aan de voorwaarden van de betalingsregeling te voldoen, dan zijn er nog mogelijkheden. Neem daarvoor contact op met onze adviseurs.


6. Vraag BTW zonnepanelen 2022 uiterlijk 30 juni terug

Als je in 2022 zonnepanelen kocht en op jouw woning liet installeren, berekende de leverancier/installateur jou 21% BTW. Deze BTW kan je terugvragen. Hoeveel BTW, is afhankelijk van het soort zonnepanelen (niet-geïntegreerd of geïntegreerd), het opwekvermogen en het BTW-bedrag dat je betaalde. Heb je de BTW over 2022 nog niet teruggevraagd, vraag de Belastingdienst dan uiterlijk 30 juni 2023 om uitreiking van een BTW-aangifte. Met deze BTW-aangifte kan je vervolgens de BTW terugvragen. Voor de levering en installatie van zonnepanelen op en in de nabijheid van woningen geldt vanaf 2023 0% BTW. Koop je in 2023 zonnepanelen voor op jouw woning, dan hoef je dus geen BTW meer terug te vragen.

Door |2024-05-31T09:26:50+02:0012 juni 2023|Nieuwsbrief|Reacties uitgeschakeld voor Nieuwsbrief juni 2023

Overdrachtsbelasting bij koop eigen woning en kamerverhuur

Koopt u een eigen woning die u voor een deel ook gaat verhuren? Dan moet u waarschijnlijk over een deel van de woning het normale overdrachtsbelastingtarief (10,4%) betalen in plaats van het lagere tarief (2%) of de startersvrijstelling. Dit geldt ook als u alleen een kamer verhuurt.


2% overdrachtsbelasting of vrijstelling

Bij de aanschaf van een eigen woning bent u 2% overdrachtsbelasting verschuldigd als u de woning als hoofdverblijf gaat gebruiken. Is dit gebruik tijdelijk, dan geldt echter het tarief van 10,4%, uitzonderingen daargelaten. Voorwaarde voor de 2% is verder dat de u vóór de overdracht van de woning bij de notaris, duidelijk, stellig en zonder voorbehoud schriftelijk verklaart dat u de woning als hoofdverblijf gaat gebruiken en dat dit niet tijdelijk is. De notaris voegt deze verklaring toe aan de akte van levering.
Tip!Onder voorwaarden kan voor kopers tussen de 18 en 35 jaar oud, de startersvrijstelling van toepassing zijn. De aanschaf van de eigen woning is dan vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Een van de voorwaarden is dat de woningwaarde niet hoger is dan € 440.000 (bedrag 2023).

Kamerverhuur

Gaat u een kamer in de nieuwe eigen woning verhuren, dan is het de vraag wat dit betekent voor het tarief van de overdrachtsbelasting. De Belastingdienst heeft aangegeven dat de gemeenschappelijke ruimtes in zo’n geval door u gebruikt worden als hoofdverblijf. Het maakt daarbij dus niet uit dat de huurder ook gebruikmaakt van deze gemeenschappelijke ruimtes.
Dat geldt echter niet voor de verhuurde kamer. Voor dit deel van de woning kan dan daarom het 2%-tarief of de vrijstelling niet worden toegepast, maar bent u 10,4% verschuldigd.

Tip!Dit is alleen anders als de totale oppervlakte van de door u als hoofdverblijf gebruikte ruimtes minimaal 90% bedraagt van de totale oppervlakte van de woning. In zo’n geval kan toch het 2%-tarief of de vrijstelling op de gehele woningwaarde worden toegepast.

Voorbeeld

U verkrijgt een woning met een totale oppervlakte van 80 m2 voor een prijs van € 400.000. U bent 30 jaar oud en doet een beroep op de startersvrijstelling (u voldoet aan alle overige voorwaarden). U gaat een kamer verhuren van 12 m2 in de woning. De huurder maakt ook gebruik van het gezamenlijke toilet, de badkamer, de woonkamer en de keuken (totale oppervlakte 60 m2). U heeft zelf het exclusief gebruik van de andere kamer in het huis ter grootte van 8 m2.
In deze situatie wordt door u 68/80 (85%) als hoofdverblijf gebruikt. Dit betekent dat U op 85% van € 400.000 de startersvrijstelling overdrachtsbelasting kan toepassen. Over 15% van € 400.000 (€ 60.000) bent u 10,4% overdrachtsbelasting verschuldigd (€ 6.240).
Als u van kamer wisselt en de kamer van 8 m2 verhuurt, dan is de vrijstelling op de hele koopprijs van toepassing. In die situatie gebruikt u namelijk 72/80 (90%) als hoofdverblijf. Toegestaan is om bij gebruik van minimaal 90% van de totale oppervlakte de vrijstelling over de gehele woning toe te passen.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-06-09T14:47:03+02:0010 juni 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Overdrachtsbelasting bij koop eigen woning en kamerverhuur

Reiskosten coronavaccinatie aftrekbaar als zorgkosten

Moest je reizen om een coronavaccinatie te halen? Dan zijn de reiskosten aftrekbaar als uitgaven voor specifieke zorgkosten.

Coronavaccinatie

Over het algemeen zijn uitgaven die je doet om te voorkomen dat je ziek wordt niet aftrekbaar als uitgaven voor specifieke zorgkosten. In 1995 oordeelde de Hoge Raad echter al dat inentingskosten uitgaven voor geneeskundige hulp zijn. De Belastingdienst heeft daarom bevestigd dat deze uitgaven daarmee in de categorie aftrekbare specifieke zorgkosten vallen. Aan de coronavaccinatie zelf waren echter geen kosten verbonden. Je kunt hiervoor dus ook niets aftrekken in uw aangifte inkomstenbelasting.

Reiskosten voor coronavaccinatie

Dit is anders voor de reiskosten die je moest maken om naar de vaccinatielocatie te gaan. Deze zijn wel aftrekbaar als specifieke zorgkosten, bevestigde de Belastingdienst.

Let op! Je kunt de werkelijke reiskosten in aftrek brengen. Reisde je met het openbaar vervoer of met een taxi, dan zijn dat dus de werkelijke kosten voor het openbaar vervoer of de taxi. Reisde je met de auto? Dan gaat het om de werkelijke kosten per gereisde kilometer. Maakte je ook parkeerkosten, dan kun je deze kosten bij de aftrekbare autokosten optellen.

Geen aftrek voor (reiskosten) coronatest

Maakte je kosten voor het afnemen van een coronatest? Dan zijn die kosten niet aftrekbaar als specifieke zorgkosten volgens de Belastingdienst. Hetzelfde geldt voor de reiskosten die je maakte naar de testlocatie. De Belastingdienst vindt namelijk dat geen sprake is van genees- en heelkundige hulp die plaatsvindt op voorschrift en onder begeleiding van een arts.

Beperking aftrek

Houd er rekening mee dat voor de aftrek van specifieke zorgkosten een drempelbedrag geldt. Alleen als alle zorgkosten die voor aftrek in aanmerking komen in een jaar boven dit drempelbedrag uitkomen, leidt dit tot een aftrekbaar bedrag. Het drempelbedrag is afhankelijk van jouw drempelinkomen en of je een fiscale partner heeft.

Let op! Naast het beperken van de aftrek specifieke zorgkosten door de drempel, kan deze aftrek ook lager uitvallen dan verwacht als jouw inkomen hoger was dan € 68.508 in 2021 of € 69.399 in 2022. Jouw belastingtarief boven dit inkomen is namelijk 49,50%, maar de aftrek van specifieke zorgkosten vindt niet plaats tegen 49,50% maar tegen 43% in 2021 en 40% in 2022.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-06-09T14:32:32+02:0010 juni 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Reiskosten coronavaccinatie aftrekbaar als zorgkosten