• Terugontvangen lijfrentepremie is overige bezitting in box 3

Terugontvangen lijfrentepremie is overige bezitting in box 3

Wettelijke bedenktijd

Als je een lijfrenteverzekering afsluit, geldt er een bepaalde (wettelijke) bedenktijd. Je kunt tijdens die bedenktijd de verzekering weer opzeggen of ontbinden.

Afkoop?

Opzeggen of ontbinden is in beginsel een afkoop van de lijfrente. De fiscale sancties die samenhangen met zo’n afkoop treden door een goedkeuring van de staatssecretaris niet in werking als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de mogelijkheid tot opzegging of ontbinding is in de lijfrenteovereenkomst opgenomen,
  • de opzegging of ontbinding kan maximaal tot 30 dagen na het afsluiten van de lijfrenteovereenkomst worden ingeroepen,
  • alleen de gehele lijfrenteovereenkomst kan worden opgezegd of ontbonden, en de lijfrenteovereenkomst die wordt opgezegd of ontbonden is geen voortzetting van een eerdere lijfrenteovereenkomst.

Als voldaan is aan deze voorwaarden wordt volgens de goedkeuring van de staatssecretaris de premiestorting geacht niet te hebben plaatsgevonden.

Box 3

Stel dat je de lijfrente op 15 december 2025 hebt afgesloten en op 15 december 2025 ook de lijfrentepremie hebt betaald. Je zegt de lijfrenteovereenkomst op 5 januari 2026 op en op 19 januari 2026 ontvang je de premie terug. Moet je hier dan rekening mee houden in box 3 op 1 januari 2026 en zo ja, hoe?

De Belastingdienst vindt van wel en geeft aan dat de terugontvangen premie bij wijze van fictie moet worden opgenomen in het vermogen op 1 januari 2026. Dit vermogen is immers lager door de op 15 december 2025 in aftrek gebrachte premie.

Geen banktegoed maar overige bezitting

De Belastingdienst geeft ook aan dat de terugontvangen premie niet in de categorie banktegoed kan worden geplaatst, maar moet worden aangemerkt als een overige bezitting.

Let op! Dit betekent dat hiervoor in 2026 een forfaitair rendementspercentage geldt van 6% in plaats van het voorlopige forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden van 1,28%!

Discutabel standpunt

Het voorgaande standpunt van de Belastingdienst is discutabel. In de fiscale literatuur wordt aangegeven dat dit standpunt waarschijnlijk geen stand kan houden. De goedkeuring gaat immers ervan uit dat de premiestorting niet heeft plaatsgevonden. Om die reden moet niet van de terugontvangen premie maar van de betaalde premie worden uitgegaan.

Die betaalde premie is in het voorbeeld op 15 december 2025 van een banktegoed betaalt, zodat de correctie per 1 januari 2026 ook zou moeten plaatsvinden op de banktegoeden en dus niet op de overige bezittingen.

Let op!Houd er rekening mee dat de Belastingdienst zal vasthouden aan het eigen standpunt, tenzij daar nog een rectificatie op komt.

Tegenbewijsregeling

Je kunt ook een beroep doen op de tegenbewijsregeling als je totale werkelijke rendement in 2026 lager is dan het forfaitaire rendement. Je betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over je werkelijke rendement. Houd er wel rekening mee dat het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3. Daarbij tellen bijvoorbeeld ongerealiseerde waardestijgingen van onroerend goed en beleggingen ook mee, ook als je deze nog niet te gelde hebt gemaakt.

 
Door |2026-09-07T17:00:12+02:0031 augustus 2026|Reacties uitgeschakeld voor Terugontvangen lijfrentepremie is overige bezitting in box 3
  • Duurzaam overtollige liquiditeiten onderneming belast in box 3

Duurzaam overtollige liquiditeiten onderneming belast in box 3

Keuze: ondernemingsvermogen of privévermogen?

De opbrengst van de liquide middelen die tot je ondernemingsvermogen horen behoort tot de winst en wordt belast in box 1. Private liquide middelen behoren daarentegen tot het privévermogen en worden belast in box 3. Je mag in beginsel zelf kiezen of je liquide middelen in je onderneming als ondernemings- of als privévermogen aanmerkt. In bepaalde gevallen kunnen de liquide middelen echter verplicht tot het privévermogen horen. Dat is het geval als de liquide middelen duurzaam overtollig zijn in je onderneming.

Duurzaam overtollig of niet?

In een geschil dat speelde voor de rechtbank Den Haag ging het om de vraag of een deel van de als ondernemingsvermogen aangegeven liquide middelen als ‘duurzaam overtollig’ moest worden aangemerkt. De Belastingdienst vond van wel. De Belastingdienst vond dat dit deel dus niet als ondernemingsvermogen kon worden aangemerkt. De ondernemer had een bedrag van ruim € 450.000 aan liquide middelen als ondernemingsvermogen opgegeven, maar de Belastingdienst accepteerde dit maar voor een bedrag van € 165.000. Het verschil van ruim € 285.000 was duurzaam overtollig en diende in box 3 belast te worden. 

Bewijslast bij Belastingdienst

De bewijslast dat liquide middelen duurzaam overtollig zijn, ligt bij de Belastingdienst. Voor de rechtbank diende de Belastingdienst daarom de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken dat sprake was van duurzaam overtollige liquide middelen.

Geringe omzet

De Belastingdienst voerde om te beginnen aan dat sprake was van een eenmanszaak van geringe omvang met slechts een beperkte omzet van € 6.298 in het voorgaande jaar en € 7.855 in het jaar zelf. Die omzet zou naar verwachting in de toekomst niet veel stijgen.

Investering laat op zich wachten

De Belastingdienst voegde hieraan toe dat niet aannemelijk was dat er op korte termijn extra liquide middelen nodig waren voor een investering in kantoorruimte, zoals de ondernemer beweerde. Een niet door de verkoper ondertekende koopovereenkomst voor een kavel grond was daarvoor onvoldoende. Tekenend was bovendien dat ten tijde van de procedure voor de rechtbank in 2026 de kantoorruimte nog steeds niet was gerealiseerd, zodat niet aannemelijk was dat hiervoor in 2020 liquide middelen gereserveerd dienden te worden.

Parallel met 2018

De ondernemer had in 2018 ook over de omvang van zijn ondernemingsvermogen geprocedeerd. Daarbij was toen een bedrag van € 165.000 aan ondernemingsvermogen door het gerechtshof geaccepteerd. Dit bedrag diende als dekking voor de fiscale oudedagsreserve en als reservering voor een aan te schaffen bedrijfsauto en zonnepanelen. 

Rechtbank laat correctie in stand

Uit bovenstaande feiten leidde de rechtbank af dat de Belastingdienst in de bewijslast was geslaagd dat sprake was van duurzaam overtollige liquide middelen. De Belastingdienst had daarom terecht een deel van het aangegeven ondernemingsvermogen als duurzaam overtollig aangemerkt en overgeheveld naar box 3. De correctie bleef dan ook in stand. 

Let op! Of de liquide middelen in jouw onderneming in de inkomstenbelasting duurzaam overtollig zijn of niet, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden in jouw situatie. Zorg er in ieder geval voor dat je kunt onderbouwen waarom de liquide middelen in je onderneming nodig zijn. Op die manier wordt het voor de Belastingdienst lastiger om aan de bewijslast te voldoen dat sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen.

Door |2026-09-07T17:00:13+02:0027 augustus 2026|Reacties uitgeschakeld voor Duurzaam overtollige liquiditeiten onderneming belast in box 3
  • Toch dwangsom bij werkelijke schade toeslagen?

Toch dwangsom bij werkelijke schade toeslagen?

Compensatie werkelijke schade

Bij de compensatie van gedupeerden van de toeslagenaffaire werd in beginsel uitgegaan van standaard berekeningen en bedragen. Kan je aantonen dat jouw werkelijke schade groter was, dan kun je de Commissie Werkelijke Schade laten beoordelen of je recht hebt op meer compensatie. De Dienst Toeslagen neemt hierover een besluit na een wettelijk verplicht advies van deze commissie.

Raad van State: bij niet tijdig beslissen geen dwangsom

Bij het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van de werkelijke schade, kunnen in principe dwangsommen worden opgelegd. De Raad van State besliste hierover op 3 juni 2026 dat de normale wettelijke termijn geldt. Ofwel de Dienst Toeslagen moet alsnog een besluit nemen binnen twee weken nadat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is verzonden. Wanneer deze termijn wordt overschreden hoeft er van de Raad van State tot 3 juni 2027 echter geen dwangsom betaald te worden. 

Reden hiervoor is dat de dwangsom er niet toe leidt dat de Dienst Toeslagen eerder op het verzoek om vergoeding van de werkelijke schade gaat beslissen. De besluitvorming van de Dienst Toeslagen hierover is namelijk volledig vastgelopen en de capaciteit om dit te veranderen schiet enorm tekort, aldus de afdeling bestuursrechtspraak.

Rechtbank Midden-Nederland: wel een dwangsom

Rechtbank Midden-Nederland wijkt op 27 juli 2026 in drie uitspraken hiervan af en legt toch dwangsommen op aan de Dienst Toeslagen. Hoewel de rechtbank de problemen bij de Dienst Toeslagen herkent, oordeelt de rechtbank dat de wet aan de rechter geen mogelijkheid geeft om geen dwangsom op te leggen in een procedure over niet tijdig beslissen.

Rechtbank Midden-Nederland houdt daarbij wel een langere beslistermijn aan dan de Raad van State. De Dienst Toeslagen krijgt in deze drie zaken van de rechtbank een beslistermijn van 66 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van 52 weken. Haalt de Dienst Toeslagen deze termijn niet, dan is de dwangsom € 50 per dag met een maximum van totaal € 15.000.

Let op! In casu betekent dit in de drie zaken die bij rechtbank Midden-Nederland dat de uiterste beslistermijn van de Dienst Toeslagen voordat de dwangsom gaat lopen 6 juli 2027, 15 juli 2027 en 3 augustus 2027 is. Al met al gaat de dwangsom dus in deze drie zaken niet eerder lopen dan 3 juni 2027, de datum waarop de dwangsomloze periode van de Raad van State eindigt.

Door |2026-09-07T17:00:13+02:0025 augustus 2026|Reacties uitgeschakeld voor Toch dwangsom bij werkelijke schade toeslagen?
  • Vraag je toeslag 2025 uiterlijk eind 2026 aan

Vraag je toeslag 2025 uiterlijk eind 2026 aan

Huurtoeslag

Als je inkomen over 2025 en je vermogen per 1 januari 2025 niet te hoog was en je een zelfstandige woonruimte huurde in dat jaar, heb je mogelijk recht op huurtoeslag. Vroeg je de huurtoeslag voor 2025 nog niet aan, dan heb je nog tot en met 31 december 2026 de tijd om dat alsnog te doen.

Tip! Meer informatie over de huurtoeslag vind je op de website van de Belastingdienst bij het onderdeel Huurtoeslag.

Zorgtoeslag

Als je inkomen over 2025 en je vermogen op 1 januari 2025 niet te hoog was, heb je over 2025 recht op zorgtoeslag. Ook de zorgtoeslag 2025 kun je nog tot en met 31 december 2026 aanvragen.

Let op! Er gelden nog meer voorwaarden. Meer informatie vind je op de website van de Belastingdienst bij het onderdeel Zorgtoeslag.

Kindgebonden budget

Met het kindgebonden budget kun je een bijdrage krijgen in de kosten voor je kinderen tot 18 jaar. Ook voor het kindgebonden budget 2025 mag je inkomen en vermogen niet te hoog zijn. Kom je in aanmerking, vraag dan het kindgebonden budget 2025, uiterlijk 31 december 2026 aan.

Let op! Kijk voor alle voorwaarden en meer informatie op de website van de Belastingdienst, onderdeel Kindgebonden budget.

Proefberekening

Op de website van de Belastingdienst kun je een proefberekening maken van de toeslagen waarop je voor het jaar 2025 recht hebt. Die berekening kan je overigens ook maken voor eerdere jaren en voor het jaar 2026.

Kortere termijn kinderopvangtoeslag

Voor kinderopvangtoeslag gelden andere termijnen. De kinderopvangtoeslag kun je met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht aanvragen. Je kunt dus nu geen kinderopvangtoeslag 2025 meer aanvragen.

Andere termijn voor ondernemers met uitstel

Vroeg je als ondernemer uitstel aan voor het indienen van je aangifte inkomstenbelasting 2025? Dan geldt voor jou een andere termijn voor het aanvragen van huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget. Je kunt deze toeslagen voor het jaar 2025 nog aanvragen tot de datum waarop je uitstel voor het indienen van je aangifte afloopt.

Door |2026-09-07T17:00:14+02:0013 augustus 2026|Reacties uitgeschakeld voor Vraag je toeslag 2025 uiterlijk eind 2026 aan
  • Definitieve afwijzing compensatie box 3 2017-2020 niet-bezwaarmakers

Definitieve afwijzing compensatie box 3 2017-2020 niet-bezwaarmakers

Op 25 juni 2026 besliste de Hoge Raad al dat niet-bezwaarmakers geen recht hebben op rechtsherstel box 3 voor de jaren 2017-2020. In de collectieve beslissing komt de Belastingdienst tot dezelfde conclusie.

Kerstarrest en rechtsherstel

De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Daarna kreeg elke belastingplichtige van wie de aanslag inkomstenbelasting (IB) op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond, rechtsherstel volgens een in juli 2022 ingevoerde Herstelwet.

Niet-bezwaarmakers

Dit gold niet voor belastingplichtigen van wie de aanslag IB op 24 december 2021 wel al onherroepelijk vaststond. Voor deze belastingplichtigen, de zogenaamde niet-bezwaarmakers, werd de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure) ingevoerd.

MB+-procedure

In de MB+-procedure stond de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3, toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement.

De Hoge Raad oordeelde in mei 2022 al dat deze mensen dat niet mogen, omdat zij niet of te laat bezwaar indienden. De koepel- en belangenorganisaties (Bond voor Belastingbetalers, Consumentenbond, NOB, RB en SRA) meenden dat in de uitspraak van de Hoge Raad nog niet met alles rekening was gehouden. Daar ging de MB+-procedure over.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad sprak op 25 juni 2026 uit geen reden te zien om terug te komen op de uitspraak van mei 2022, ook niet op basis van de argumenten die eerder nog niet aan de orde waren gekomen. Dit betekent dat de Hoge Raad bij zijn standpunt is gebleven dat niet-bezwaarmakers geen recht op teruggaaf van box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 hebben.

Collectieve beslissing

Op 17 juli 2026 heeft de Belastingdienst, in overeenstemming met het oordeel van de Hoge Raad, alle verzoeken in de MB+-procedure afgewezen en alle bezwaren ongegrond verklaard.

Let op! Tegen deze collectieve beslissing kan geen beroep in worden gesteld.

Wat betekent dit voor jouw aanslagen IB?

Stonden ook jouw aanslagen IB 2017-2020 op 24 december 2021 onherroepelijk vast en diende je daarna een verzoek om ambtshalve vermindering in? Dan zijn deze verzoeken onderdeel van de MB+-procedure. Deze verzoeken zijn door de Belastingdienst met de collectieve beslissing van 17 juli 2026 afgewezen. Je krijgt daarom definitief geen teruggaaf box 3 over deze jaren.

Ook geen beroep op D-day arrest

Dit betekent ook dat je voor de jaren geen beroep kunt doen op de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2024. In dit zogenaamde D-day-arrest bepaalde de Hoge Raad dat de Herstelwet naar aanleiding van het kerstarrest ook niet door de beugel kon. Sindsdien wordt rechtsherstel toegepast volgens de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten van het werkelijke rendement. Als deze MB+-procedure positief was afgelopen, hadden de niet-bezwaarmakers ook hierop een beroep kunnen doen. Dat is nu dus ook definitief van de baan. 

Door |2026-09-07T17:00:15+02:006 augustus 2026|Reacties uitgeschakeld voor Definitieve afwijzing compensatie box 3 2017-2020 niet-bezwaarmakers
  • Verhuurpanden in box 3 of box 1?

Verhuurpanden in box 3 of box 1?

Box 3 of box 1: normaal of meer dan normaal vermogensbeheer

Een pand in privé-eigendom valt in principe in box 3. Voorwaarde is wel dat met betrekking tot het pand sprake is van normaal vermogensbeheer. Is sprake van meer dan normaal vermogensbeheer, dan valt het pand in box 1. Daar wordt het dan belast als winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden.

Geen harde grens

Rechtbank Den Haag gaf aan dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Het is afhankelijk van de feiten en omstandigheden of de activiteiten of werkzaamheden dusdanig zijn dat de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. De rechtbank stelde dat deze beoordeling in principe per pand moet plaatsvinden. Voor de vraag of vervolgens sprake is van winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden zal daarna een beoordeling van alle activiteiten voor alle panden in box 1 moeten plaatsvinden.

Beoordeling per pand

In de casus die voorlag bij de rechtbank, oordeelde de rechtbank dat de Belastingdienst voor vier panden aannemelijk had gemaakt dat sprake was van meer dan normaal vermogensbeheer. De werkzaamheden voor deze panden bestonden uit veel meer dan bijvoorbeeld het verbouwen van een keuken of een badkamer. Deze werkzaamheden kwalificeerden volgens de rechtbank als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschreed. Het ging daarbij om:

  • een voormalig woonhuis met garage dat na aanvragen en verkrijgen van benodigde vergunningen was omgebouwd tot drie appartementen met bergingen;
  • een pand met bedrijfsruimte op de begane grond en een bovenwoning op de eerste en tweede verdieping dat na aanvragen en verkrijgen van benodigde vergunningen was omgebouwd tot twee woningen;
  • een kantoorgebouw dat na aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunningen was omgebouwd tot drie winkels/bedrijfsruimten en elf appartementen;
  • een winkel/woonhuis waarin overeenkomstig de daartoe verleende vergunningen onder meer constructieve doorbraken en een aanbouw waren gerealiseerd.

Deze panden vielen volgens de rechtbank in box 1, voor de andere panden gold dat niet. Die werden belast in box 3.

De rechtbank volgde het standpunt van de belanghebbende dat als de panden in box 1 vielen, er sprake was van winst uit onderneming en niet van resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank volgde dit standpunt omdat dit voor de belanghebbende gunstiger was in verband met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

Let op! Zoals de rechtbank al aangaf, is er geen harde grens tussen box 3 en box 1 en is een en ander afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Overleg over je eigen panden daarom met onze adviseurs.

Door |2026-09-07T17:00:16+02:003 augustus 2026|Reacties uitgeschakeld voor Verhuurpanden in box 3 of box 1?
  • Fiscaal aantrekkelijk obligatieplan voor (sport)vereniging

Fiscaal aantrekkelijk obligatieplan voor (sport)vereniging

Obligatieplan 

In de casus die voorgelegd is bij de Belastingdienst wilde een sportvereniging geld ophalen voor de realisatie van een aantal sportfaciliteiten. Het obligatieplan dat daarvoor bedacht was, werkte als volgt: 

  • Een lid van de vereniging leent via een obligatielening geld uit aan de vereniging. 
  • Deze obligatielening wordt in een bepaald aantal jaren afgelost door de vereniging. 
  • Op de obligatielening wordt door de vereniging een zakelijke rente vergoed. 
  • Het lid maakt met de vereniging een akte van schenking op, waarbij het lid jaarlijks gedurende minimaal vijf jaar een vast bedrag aan de vereniging schenkt. 
  • De door de vereniging te betalen aflossing en rente op de obligatielening worden verrekend met deze jaarlijkse schenking. 
  • Het verstrekken van een obligatielening door een lid gaat altijd gepaard met de periodieke schenking zoals hiervoor beschreven. 

Let op! De sportvereniging in deze casus voldeed aan de definitie die geldt voor het aftrekbaar zijn van een periodieke gift aan een vereniging. Een vereniging voldoet hieraan als ze niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen of daarvan is vrijgesteld. Daarnaast moet de vereniging volledige rechtsbevoegdheid en minimaal 25 leden hebben. 

Periodieke gift aftrekbaar? 

De vraag aan de Belastingdienst was of de periodieke gift die het lid aan de sportvereniging doet, aftrekbaar is als periodieke gift. De Belastingdienst heeft hierop geantwoord dat sprake is van een aftrekbare periodieke gift als het een reële geldlening betreft met een zakelijk rentepercentage. Uiteraard moet ook aan de overige voorwaarden voor de periodieke giftenaftrek worden voldaan. 

Let op! De overige voorwaarden voor periodieke giftenaftrek zijn opgenomen op de website van de Belastingdienst. 

Reële geldlening 

Voor een reële geldlening is volgens de Belastingdienst in ieder geval een terugbetalingsverplichting nodig. Verder moet de geldlening voldoende realiteitswaarde hebben. Dit betekent dat: 

  • het bedrag van de geldlening door het lid daadwerkelijk moet worden overgemaakt naar de vereniging,  
  • in de overeenkomst de duur van de geldlening is opgenomen; 
  • de vereniging ook over de vereiste middelen beschikt om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen. 

Zakelijke rente 

De Belastingdienst geeft aan dat het niet mogelijk is om op voorhand een vast zakelijk rentepercentage te benoemen. Dit is namelijk afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Desondanks geeft de Belastingdienst aan dat onder de feiten en omstandigheden zoals hiervoor beschreven aangesloten kan worden bij de rente op Nederlandse staatsobligaties met een vergelijkbare looptijd vermeerderd met een beperkte risico-opslag. 

Overleg met adviseur 

Overweeg je met je vereniging een vergelijkbaar fiscaal aantrekkelijk obligatieplan? Overleg dan met onze adviseurs. De uitspraak van de Belastingdienst betekent namelijk niet dat elke obligatieplan zonder meer aan de voorwaarden voldoet. Zo kan er onder meer discussie ontstaan over de vraag of de vereniging over de vereiste middelen beschikt om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen of over de zakelijkheid van het rentepercentage. 

Door |2026-09-07T17:00:20+02:009 juli 2026|Reacties uitgeschakeld voor Fiscaal aantrekkelijk obligatieplan voor (sport)vereniging
  • Standaard betalingsregeling Belastingdienst voor particulieren

Standaard betalingsregeling Belastingdienst voor particulieren

Betalingsregeling twaalf maanden 

De standaardbetalingsregeling heeft een looptijd van maximaal twaalf maanden vanaf het moment dat de Belastingdienst de betalingsregeling toestaat. De particulier moet zijn belastingschuld in gelijke maandelijkse termijnen terugbetalen. De maandelijkse termijn bedraagt minimaal €20. 

Voor welke schulden? 

De betalingsregeling geldt in beginsel voor alle belastingaanslagen die de particulier op het moment van het aanvragen heeft openstaan. De volgende aanslagen gaan echter niet mee in de standaard betalingsregeling: 

  • voorlopige aanslagen inkomstenbelasting van het lopende jaar, 
  • conserverende aanslagen;
  • aanslagen waarvoor al een verzoek om uitstel van betaling i.v.m. bezwaar of beroep in behandeling of toegewezen is. 

Wanneer geen standaard betalingsregeling? 

Er zijn verschillende redenen voor de Belastingdienst om de standaard betalingsregeling niet te verlenen. Zo staat de Belastingdienst de standaardregeling niet toe als de belastingschulden €100.000 of hoger zijn of als de particulier nieuw opkomende schulden meer dan incidenteel niet volledig heeft voldaan. Verder zal de Belastingdienst geen standaardregeling toestaan als de nakoming van de betalingsregeling onvoldoende gewaarborgd is. 

Let op! In die gevallen waarin de standaard betalingsregeling niet wordt toegestaan, zal de Belastingdienst het verzoek om een betalingsregeling niet automatisch afwijzen. De Belastingdienst beoordeelt dan eerst nog of de particulier in aanmerking komt voor een niet-standaard betalingsregeling. 

Verrekening tijdens betalingsregeling 

Heeft de particulier gedurende de betalingsregeling recht op een belastingteruggave? Dan verrekent de Belastingdienst deze met de openstaande belastingschulden. 

Tip! Op verzoek van de particulier kan de Belastingdienst er voor kiezen om de teruggave niet te verrekenen. 

Let op! De voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting van het lopende jaar wordt in principe niet verrekend. 

Hoe aanvragen? 

De standaard betalingsregeling kan mondeling, schriftelijk of digitaal worden aangevraagd. 

Let op! De standaard betalingsregeling kan alleen worden aangevraagd door particulieren. Ex-ondernemers worden in dit verband ook als particulier aangemerkt! 

Invorderingsrente 

Ook een particulier zonder betalingsproblemen kan een beroep doen op de standaard betalingsregeling. Een particulier die liever in termijnen betaalt dan in één keer, kan dit dus regelen. Houd er wel rekening mee dat de Belastingdienst gedurende de betalingsregeling invorderingsrente berekent. 

Door |2026-09-07T17:00:20+02:009 juli 2026|Reacties uitgeschakeld voor Standaard betalingsregeling Belastingdienst voor particulieren
  • Voorlopig geen dwangsom bij te laat besluit in toeslagenaffaire

Voorlopig geen dwangsom bij te laat besluit in toeslagenaffaire

Compensatie werkelijke schade

Gedupeerden van de toeslagenaffaire hadden in beginsel recht op compensatie waarbij werd uitgegaan van standaard berekeningen en bedragen. Wie kan aantonen dat de werkelijke schade voor hem of haar groter was, kan een verzoek indienen om de Commissie Werkelijke Schade te laten beoordelen of recht bestaat op meer compensatie. De Dienst Toeslagen neemt hierover een besluit na een wettelijk verplicht advies van deze commissie.

Wat bij niet tijdig beslissen?

De uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft betrekking op het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van de werkelijke schade. Zijn dwangsommen van toepassing als een dergelijk besluit niet tijdig genomen wordt?

De Afdeling bestuursrechtspraak besliste dat de normale wettelijke termijn geldt: ofwel de Dienst Toeslagen moet alsnog een besluit nemen binnen twee weken nadat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak op het verzoek is verzonden. De uitspraak stelt echter ook dat wanneer deze termijn wordt overschreden er tot 3 juni 2027 geen dwangsom betaald hoeft worden.

Dwangsom heeft geen effect

Als reden voor het niet hoeven te betalen van een dwangsom stelt de afdeling bestuursrechtspraak dat hiervan geen effect hoeft te worden verwacht. Het toekennen van een dwangsom, leidt er namelijk niet toe dat daardoor eerder op het verzoek om vergoeding van de werkelijke schade beslist zal worden. De besluitvorming van de Dienst Toeslagen hierover is namelijk volledig vastgelopen en de capaciteit om dit te veranderen schiet enorm tekort, aldus de afdeling bestuursrechtspraak.

Alleen voor compensatie werkelijke schade

De uitspraak heeft alleen betrekking op zaken waarbij de Dienst Toeslagen niet op tijd besluit op een verzoek om compensatie van de werkelijk geleden schade. Voor andere besluiten gelden andere termijnen. Zo heeft de Dienst Toeslagen vanaf 26 maart 2025 60 weken langer de tijd om te beslissen op bezwaarschriften tegen de geboden compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. Die termijn blijft dus in stand.

Let op! De Afdeling bestuursrechtspraak gaat ook nog in op alternatieve hersteltrajecten. Lees hierover meer in het persbericht over de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. Inmiddels heeft de staatssecretaris in een voortgangsbrief ook laten weten dat gedupeerde ouders met aanvullende schade steeds sneller kunnen worden geholpen via MijnHerstel. Lees meer hierover in het nieuwsbericht op Rijksoverheid.nl.

 
Door |2026-09-07T17:00:21+02:007 juli 2026|Reacties uitgeschakeld voor Voorlopig geen dwangsom bij te laat besluit in toeslagenaffaire
  • Geen andere partnerverdeling box 3 na verliesverrekening

Geen andere partnerverdeling box 3 na verliesverrekening

Andere partnerverdeling box 3

Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de aanslagen van beide partners onherroepelijk vaststaan.

Let op! Een aanslag staat onherroepelijk vast als de definitieve aanslag is opgelegd en er geen tijdig bezwaar of beroep meer loopt.

Verliesverrekening

In een casus die voorlag bij de Hoge Raad stonden de aanslagen IB 2015 al onherroepelijk vast. Een van de partners leed in 2018 een ondernemersverlies dat verrekend werd met de aanslag IB 2015. De partners wilden daarna box 3 anders tussen elkaar verdelen. De reden was dat met die andere verdeling de heffingskortingen volledig benut konden worden.

Hoge Raad: geen nieuwe verdeling mogelijk

De Belastingdienst stond de andere verdeling niet toe omdat de aanslagen IB 2015 al onherroepelijk vaststonden. De rechtbank was het daar mee eens, maar het gerechtshof niet.

Het gerechtshof oordeelde dat de wetgever niet voorzien en gewild had dat de heffingskortingen niet volledig benut konden worden. Het gerechtshof verminderde daarom de aanslag van een van de partners.

De Hoge Raad was het daar niet mee eens. Naar het oordeel van de Hoge Raad doet zich hier niet een bijzondere omstandigheid voor die de wetgever niet heeft voorzien en gewild. Na de achterwaartse verliesverrekening was dan ook geen nieuwe verdeling van box 3 mogelijk omdat de aanslagen al onherroepelijk vaststonden.

Door |2026-09-07T17:00:21+02:006 juli 2026|Reacties uitgeschakeld voor Geen andere partnerverdeling box 3 na verliesverrekening