Prive

  • Nieuwe fiscale regelingen voor startups en scale-ups

Nieuwe fiscale regelingen voor startups en scale-ups

Wetsvoorstel werkelijk rendement box 3

In het door de Tweede Kamer al aangenomen wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 wordt het werkelijke rendement volgens de hoofdregel belast volgens een vermogensaanwasbelasting. Dit betekent dat zowel de gerealiseerde als de ongerealiseerde waardeontwikkelingen tot het werkelijke rendement horen.

Op de hoofdregel geldt een uitzondering voor onroerende zaken en startups en scale-ups. Het werkelijke rendement wordt voor die vermogensbestanddelen berekend volgens een vermogenswinstbelasting: alleen gerealiseerde waardeontwikkelingen (bijvoorbeeld bij verkoop) horen dan tot het werkelijke rendement.

Let op! De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is 1 januari 2028. De Eerste Kamer moet nog stemmen over het wetsvoorstel.

Definitie startup en scale-up

In het oorspronkelijke wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is opgenomen dat de vermogenswinstbelasting geldt voor startende ondernemingen. Dit wordt gewijzigd in startups en scale-ups. In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen startups en scale-ups is een definitie opgenomen van een startup en een scale-up: een bedrijf dat een onderneming drijft die gericht is op snelle groei door middel van een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel dat zijn oorsprong vindt in innovatie.

Let op! Onder een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel wordt verstaan het vermogen van een onderneming om de omzet snel te laten groeien zonder lineaire inzet van meer mensen, meer middelen of hogere kosten, door gebruik te maken van technologie die tot lagere marginale kosten leidt en schaalvoordelen biedt. Onder innovatie wordt verstaan het ontwikkelen of verbeteren van producten, diensten, processen of technologieën, waarbij sprake is van technische vernieuwing of significante functionele verbetering ten opzichte van de sector.

Om een startup of scale-up te zijn in de definitie mogen de aandelen of winstbewijzen niet verhandeld worden op een gereguleerde markt of voor meer dan 25 procent in handen zijn van een lichaam waarvan de aandelen of winstbewijzen worden verhandeld op een gereguleerde markt.

Let op!Bij de RVO kan straks een beschikking aangevraagd worden of sprake is van een startup of scale-up.

Lagere loonheffing aandelenopties

In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen startups en scale-ups is ook een maatregel opgenomen die medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups stimuleert door een lagere loonheffing. 
Op inkomen uit aandelenopties voor werknemers van startups en scale-ups wordt hiertoe een korting van 35% toegepast, waardoor de grondslag waarover loonheffing wordt berekend 65% van het inkomen bedraagt. Het effectieve loonheffingentarief wordt daarmee ongeveer 32% waarmee het ongeveer gelijk is aan het tarief in box 2.

Naast de lagere loonheffing wordt ook het heffingsmoment verplaatst naar het moment van daadwerkelijke verkoop van de aandelen die verkregen zijn bij de uitoefening van het aandelenoptierecht.

Let op! De regeling gaat ook gelden voor aandelenopties die zijn uitgegeven op of na 17 april 2025 mits de loonheffing over het inkomen uit de aandelenopties zich nog niet heeft voorgedaan.

Afschaffing meewerkaftrek en stakingsaftrek

Om de hiervoor gemelde fiscale stimulatie van de startups en scale-ups te financieren wordt de meewerkaftrek en de stakingsaftrek in de inkomstenbelasting per 1 januari 2027 met 75% versoberd en per 1 januari 2030 volledig afgeschaft.

Internetconsultatie

Het wetsvoorstel ligt nu ter internetconsulatie. Tot en met 29 april 2026 kan iedereen hierop reageren. In het kader van eventuele staatssteun moet de lagere loonheffing op aandelenopties nog voor goedkeuring voorgelegd worden aan de Europese Commissie. De staatssecretaris van Financiën is voornemens om het wetsvoorstel in september bij de Tweede Kamer in te dienen. Het streven is om de lagere loonheffing op aandelenopties per 1 januari 2027 in werking te laten treden.

 
Door |2026-06-27T17:01:16+02:008 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Nieuwe fiscale regelingen voor startups en scale-ups
  • Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen

Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen

Bent u voor 1 januari 2018 getrouwd en heeft u geen huwelijkse voorwaarden opgesteld? Dan blijft voor u de oude wettelijke regeling gewoon gelden, de algehele gemeenschap van goederen.

De beperkte gemeenschap van goederen

Vanaf 1 januari 2018 kunt u nog alleen in algehele gemeenschap van goederen trouwen als u dit afspreekt bij huwelijkse voorwaarden. Als u niets met elkaar regelt, krijgt u automatisch te maken met de beperkte gemeenschap van goederen.

geldt op voorwaarde dat het Nederlands recht op u van toepassing is. Als u bijvoorbeeld meerdere of een andere nationaliteit(en) heeft of als u direct na uw huwelijk in het buitenland bent gaan wonen, kan het zijn dat Nederlands recht in uw geval helemaal niet van toepassing is. U dient zich in dat geval goed te laten voorlichten over de vraag of het Nederlands huwelijksvermogensrecht in uw geval wel geldt.

Tip! Ook in zo’n geval kunnen huwelijkse voorwaarden overigens uitkomst bieden, doordat u hierin expliciet kunt kiezen voor de toepassing van bijvoorbeeld het Nederlands huwelijksvermogensrecht. Dit voorkomt een hoop discussies of onduidelijkheid achteraf.

Let op! Raadpleeg tijdig een deskundige die de gevolgen kan overzien als uw situatie ‘iets internationaals’ heeft.

Drie vermogens

Uitgangspunt van de huidige wettelijke regeling van de beperkte gemeenschap van goederen is dat er drie vermogens zijn in plaats van één gemeenschapsvermogen, namelijk: het privévermogen van de één, het privévermogen van de ander en het gemeenschappelijke vermogen. De gemeenschap omvat alle gezamenlijke goederen en gezamenlijke schulden die echtgenoten voor het huwelijk al hadden en alle goederen en schulden die zij vanaf aanvang van de gemeenschap tot aan de ontbinding van de gemeenschap verkrijgen of maken, met uitzondering van erfenissen, schenkingen of verknochte goederen, zoals een letselschade-uitkering. Het privévermogen en de privéschulden van voor het huwelijk vallen buiten de gemeenschap.

Privé

Het feit dat er standaard drie vermogens zijn, maakt dat u al snel te maken kunt krijgen met de zogenaamde vergoedingsrechten. Hiermee wordt bijvoorbeeld de situatie bedoeld dat privégeld, zoals een ontvangen erfenis, is geïnvesteerd in een gemeenschappelijk goed, zoals de echtelijke woning, en dit bedrag vergoed dient te worden door de gemeenschap. Onder de wetgeving tot 1 januari 2018 was dit voorbeeld alleen aan de orde voor zover er sprake was van een erfenis die verkregen is onder een uitsluitingsclausule. Dat wil zeggen: de overledene heeft in een testament uitdrukkelijk bepaald dat de erfenis niet in enige gemeenschap zal vallen.

Let op! Bij de beperkte gemeenschap van goederen is het maken van een uitsluitingsclausule door een erflater niet meer nodig. Er kan wel een insluitingsclausule of gemeenschapsclausule worden gemaakt als iemand wil dat de partner van de erfgenaam ook erft.

Onderneming

Voorhuwelijks ondernemingsvermogen valt niet in de gemeenschap. Als u als ondernemer in het huwelijk treedt, valt de onderneming dus niet in de beperkte gemeenschap. Punt van discussie kan de redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid zijn, in het kader van die voorhuwelijkse onderneming. De vergoeding dient voldaan te worden aan de gemeenschap.

De redelijke vergoeding is aan de orde voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen. Inmiddels zijn hier gerechtelijke uitspraken over te vinden. Lastig is en blijft echter in hoeverre aan de rechter voorgelegde gevallen vergelijkbaar met elkaar zullen zijn, wat ‘een redelijke vergoeding’ is en hoe dit precies bepaald dient te worden.

Gerechtshof Den Haag heeft eind 2023 aangegeven dat de gedachte achter deze bepaling is dat bij ondernemers met een privéonderneming de gemeenschap op een gelijke wijze zou moeten meeprofiteren als wanneer de echtgenoot zou werken voor een salaris. In deze casus constateerde het Gerechtshof dat op basis van de stukken en de standpunten van partijen de met de onderneming gegenereerde inkomsten tijdens het huwelijk al volledig ten bate van beide echtgenoten zijn gekomen en de inkomsten zijn aangewend voor het betalen van de kosten van de huishouding. Aan een redelijke vergoeding kom je dan niet meer toe.

In een beslissing van de rechtbank Amsterdam uit april 2023 werd wel een redelijke vergoeding toegekend. De rechtbank overwoog dat de redelijke vergoeding aan de hand van concrete omstandigheden moet worden vastgesteld. Dergelijke omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de volledige waardestijging ten bate van de gemeenschap komt. De vrouw had in deze zaak echter onvoldoende gesteld en zodoende niet voldaan aan haar stelplicht. Dit betekent volgens de rechtbank echter niet dat de vrouw geen deel van de vermogenstoename van de onderneming toekomt. Dit had ermee te maken dat de man had erkend dat twee derde deel van de waardestijging van de onderneming aan de gemeenschap toekomt. De vrouw ontving dus de helft hiervan.

In 2024 is een belangrijke uitspraak gedaan over de redelijke vergoeding door de rechtbank Gelderland. In die zaak had de man een voorhuwelijkse onderneming.  De vrouw maakte aanspraak op de redelijke vergoeding. De rechtbank hield rekening met de omstandigheid dat de man zijn eigen inkomen kon bepalen en het eigen vermogen van de vennootschap steeg. De man zocht aansluiting bij het minimale gebruikelijk loon van een dga, de vrouw ging uit van de helft van de behaalde winst. De rechter ging hier allebei niet in mee. De rechtbank overwoog dat het om een open norm gaat en de winst uit onderneming van invloed kan zijn bij het bepalen van de hoogte van de redelijke vergoeding. De winst is echter niet maatgevend.  De rechtbank vond een vergoeding van € 140.000,00 per huwelijksjaar redelijk. De rechtbank heeft aangesloten bij een beloning die de man in een gelijksoortige onderneming of omstandigheden zou ontvangen als ondernemer, hierbij werd wel rekening gehouden met hetgeen al ten goede was gekomen aan de gemeenschap en met de latente belastingclaim.

Tip! Maak voorafgaand aan het huwelijk afspraken over de invulling van het begrip ‘redelijke vergoeding’ of wijk af van de wettelijke regeling in huwelijkse voorwaarden.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit vergoedingsrecht kan worden vastgesteld aan de hand van de toegenomen waarde van het privévermogen. Ook dient het vertrekpunt in kaart te worden gebracht: wat was de waarde van de voorhuwelijkse onderneming ten tijde van de huwelijksvoltrekking? Op welke grondslag heeft deze waardering plaatsgevonden? Heeft deze waardering plaatsgevonden door een professional waar beide echtgenoten vertrouwen in hebben?

Tip! Wanneer u de rechtsonzekerheid die de beperkte gemeenschap van goederen op dit punt met zich meebrengt zo veel mogelijk wilt voorkomen, doet u er verstandig aan huwelijkse voorwaarden te laten opstellen.

Tip! Leg het vermogen of de waarde van de onderneming en het privévermogen van partijen voor het huwelijk nauwkeurig vast.

Ongelijke verdeling huwelijkse goederengemeenschap en verrekenbeding is aangepakt

Per 1 januari 2026 is de Successiewet aangepast. Aanleiding is de uitkomst van een arrest van de Hoge Raad van begin 2024 waarbij twee echtgenoten huwelijkse voorwaarden aangingen in het zicht van overlijden van een van hen. De Hoge Raad oordeelde dat de ongelijke verdeling – waarbij de langstlevende 90% kreeg toebedeeld – niet in strijd was met de wet. Het voordeel in deze casus bestond eruit dat de achterblijvende partner minder erfde en er dus minder erfbelasting hoefde te betalen dan bij een gelijke verdeling (50%-50%).

Het kabinet wilde deze constructie bestrijden. De wijziging van de Successiewet gaat echter veel verder. Vanaf 1 januari 2026 wordt namelijk schenk- of erfbelasting geheven bij elke ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap en bij elk toegepast verrekenbeding waarbij aan een partner meer toekomt dan de helft van de gemeenschap of de te verrekenen som. Hiermee worden dus niet alleen huwelijkse voorwaarden getroffen die gewijzigd zijn in het zicht van overlijden, maar alle huwelijkse voorwaarden waarvan het effect is dat er een ongelijke verdeling ontstaat.

De wijziging van de Successiewet betekent vanaf 1 januari 2026:

  • Bij overlijden: als een partner bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap of bij uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als verkrijging op grond van erfrecht. Afhankelijk van de hoogte en andere verkrijgingen, is de langstlevende partner hierover erfbelasting verschuldigd.
  • Bij echtscheiding: als een partner door ontbinding van de huwelijksgemeenschap of uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als schenking. Afhankelijk van de hoogte en andere schenkingen is hierover schenkbelasting verschuldigd.

Let op! Er geldt overgangsrecht. Huwelijkse voorwaarden waarin al een ongelijke verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is overeengekomen vóór 16 september 2025 16.00 uur en huwelijkse voorwaarden waarin al een finaal verrekenbeding met ongelijke breukdelen is overeengekomen vóór 16 september 2025 16.00 uur worden niet getroffen door de wetswijziging.

Alle huwelijkse voorwaarden die vanaf 16 september 2025 16.00 uur zijn aangegaan, worden wel volledig door de wetswijziging getroffen. Ook huwelijkse voorwaarden die vanaf 16 september 2025 16.00 uur worden gewijzigd, waarbij aanpassingen in het gemeenschappelijke vermogen naar ongelijke breukdelen plaatsvindt, worden vanaf 1 januari 2026 volledig door de wetswijziging getroffen. Dit geldt ook als ongelijke verdeling op dat moment iets minder ongelijk wordt (bijvoorbeeld van 90:10 naar 60:40). Het is wel mogelijk om andere wijzigingen in de huwelijkse voorwaarden aan te brengen zonder het overgangsrecht te verliezen.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

 
Door |2026-06-27T17:01:17+02:007 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen
  • Welke kosten in mindering op bijtelling auto van de zaak?

Welke kosten in mindering op bijtelling auto van de zaak?

Betaling aan werkgever

Betaalt een werknemer voor het privégebruik van de auto een bedrag aan de werkgever, dan is dit bedrag aftrekbaar van de bijtelling. Voorwaarde is dat dit wel van tevoren moet zijn afgesproken. Dat geldt ook als een hogere bijdrage wordt betaald, omdat de werknemer over een duurdere auto kan beschikken. Ook dan moet duidelijk zijn dat de hogere bijdrage betaald wordt voor privégebruik.

Tip! Leg dergelijke afspraken altijd schriftelijk vast, dat voorkomt discussie met de inspecteur.

Betalingen aan derden

Bij betalingen aan derden is het uitgangspunt dat alleen intermediaire kosten onder voorwaarden in aftrek op de bijtelling kunnen komen. Intermediaire kosten zijn kosten die de werknemer voor zijn werkgever maakt. Denk hierbij aan bijvoorbeeld brandstofkosten, tolkosten, kosten van een wasstraat, parkeerkosten of reparatiekosten. 

Voorwaarden

Deze intermediaire kosten komen alleen op de bijtelling in mindering onder de volgende voorwaarden:

  • De werknemer spreekt vooraf met de werkgever af dat hij de betaling voor of namens de werkgever doet.
  • De werknemer specificeert de kosten en de omvang ervan.
  • De werkgever merkt deze betaling aan als eigen bijdrage voor het privégebruik van de auto.
  • De werkgever mag de kosten niet vergoeden.

Belastingvrij vergoeden

Werkgevers kunnen er ook voor kiezen om intermediaire kosten belastingvrij te vergoeden. In dat geval is aftrek van de bijtelling niet meer mogelijk. 

Tip! In een speciale Handreiking heeft de Belastingdienst de mogelijkheden en voorwaarden hierover op een rij gezet.

Door |2026-06-27T17:01:18+02:001 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Welke kosten in mindering op bijtelling auto van de zaak?
  • Andere partnerverdeling na rechtsherstel box 3 toegestaan!

Andere partnerverdeling na rechtsherstel box 3 toegestaan!

Kerstarrest

De Hoge Raad oordeelde in 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Alle bezwaarschriften die meeliepen in de massaalbezwaarprocedure werden vervolgens in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Hierdoor kwamen die aanslagen allemaal onherroepelijk vast te staan. Een beroep bij de rechter was daarna niet meer mogelijk.

Andere verdeling box 3-inkomen partners

Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de beide aanslagen onherroepelijk vaststaan. Aanslagen uit de massaalbezwaarprocedure kwamen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast te staan. Op grond van de wet was het daarom niet meer mogelijk om de verdeling van het box 3-inkomen na 4 februari 2022 aan te passen.

De Belastingdienst stuurde echter pas ná 4 februari 2022 de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. Met dit nieuwe box 3-inkomen zou in bepaalde situaties een andere verdeling van het box 3-inkomen optimaler kunnen zijn. De Belastingdienst stond dit echter niet meer toe, omdat de aanslagen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast waren komen te staan.

Oordeel Hoge Raad

Op 27 maart 2026 gaf de Hoge Raad antwoord op door rechtbank Den Haag gestelde vragen over deze situatie. De Hoge Raad antwoordde dat de belastingplichtige in zo’n situatie samen met zijn fiscale partner nog wel kan kiezen voor een andere verdeling van het box 3-inkomen.

De belastingplichtige en zijn fiscale partner hebben daar, naar het oordeel van de Hoge Raad, niet onbeperkt de tijd voor. Dit moet namelijk binnen zes weken na de beschikking waarin de Belastingdienst de aanslag verminderde als gevolg van het toegepast rechtsherstel.

Voorbeeld
De Belastingdienst deed op 4 februari 2022 de collectieve uitspraak op bezwaar. De aangifte inkomstenbelasting 2019 werd door de Belastingdienst bijvoorbeeld op 20 juli 2022 bij beschikking verminderd als gevolg van het toegepaste rechtsherstel. U kon daarna nog binnen zes weken na 20 juli 2022 samen met uw fiscale partner verzoeken om aan andere verdeling van het box 3-inkomen.

Door |2026-06-27T17:01:19+02:0030 maart 2026|Reacties uitgeschakeld voor Andere partnerverdeling na rechtsherstel box 3 toegestaan!
  • Fiscale maatregelen uit de Voorjaarsnota 2026

Fiscale maatregelen uit de Voorjaarsnota 2026

De meeste maatregelen waren in het coalitieakkoord al opgenomen of al eerder bekendgemaakt door het vorige kabinet. Houd er rekening mee dat niet alle door het kabinet voorgenomen fiscale maatregelen rechtstreeks uit de Voorjaarsnota kunnen worden afgeleid. Er zijn dus nog andere voorgenomen fiscale maatregelen dan in dit artikel zijn opgenomen.


Let op! De impact van de recente geopolitieke spanningen is nog niet meegenomen in de Voorjaarsnota.

Vrijheidsbijdrage

Werkgevers en burgers gaan vanaf 2027 een bijdrage voor de veiligheid betalen.

  • Werkgevers gaan deze vrijheidsbijdrage betalen via een verhoging van de Aof-premie (totale opbrengst € 1,5 miljard in 2027 en vanaf 2028 structureel € 1,7 miljard per jaar). Over de invulling hiervan zal nog overleg plaatsvinden met ondernemersorganisaties.
  • Voor burgers vindt inning plaats via het niet volledig doorrekenen van de inflatie in de aanpassing van het tarief in de inkomstenbelasting (totale opbrengst € 1,5 miljard in 2027 en vanaf 2028 structureel € 3,4 miljard per jaar).

Bouwen en wonen

Op het gebied van bouwen en wonen is ook een aantal maatregelen af te leiden.

  • Via een faciliteit in de Vpb wordt de investeringscapaciteit van woningbouwcorporaties vanaf 2028 uitgebreid (beschikbaar per 2028 250 miljoen euro per jaar, oplopend tot structureel 325 miljoen euro per jaar vanaf 2032).
  • Vanaf 2027 geldt een nieuwe vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor overdrachten van onroerende zaken tussen woningcorporaties.
  • Het tarief in de overdrachtsbelasting voor de koop van woningen waar de koper zelf niet gaat wonen, wordt vanaf 2027 verlaagd van 8 naar 7%. Dit gaat bijvoorbeeld om verhuurwoningen of een vakantiewoning.

Ondernemers

Voor ondernemers komt uit de Voorjaarsnota o.a. het volgende naar voren:

  • Verhoging van het btw-tarief voor de levering van sierteeltproducten van 9 naar 21% vanaf 2028.
  • Tot en met 2035 komt er budget beschikbaar voor het verlagen van de elektriciteitsprijs van de (basis)industrie die veel elektriciteit verbruikt. Het bestedingsvoorstel hiervoor moet nog nader worden uitgewerkt.
  • Het maximum pensioengevend loon wordt vanaf 2027 tot en met 2032 bevroren op € 137.800 (= bedrag 2026).
  • Vanaf 2029 wordt het maximumdagloon met 20% verlaagd. Dit betekent dat de hoogste inkomens een lagere uitkering krijgen, maar ook dat het maximumpremieloon daalt. Om financiële gevolgen (minder premieontvangst door de overheid) te compenseren, komt er een lastenverzwaring, waarover het kabinet nog in overleg gaat met de sociale partners.
  • Over voorverpakte voedingsmiddelen met een suikergehalte van 6% of meer wordt vanaf 2030 een suikertaks geheven.
  • De teruggaafregeling voor accijns op biobrandstoffen wordt vanaf 2027 herzien. Hoe deze herziening eruitziet is nog niet bekend, maar houd er rekening mee dat de regeling (veel) minder gunstig zal worden.

Particulieren

Voor particulieren zijn, naast de vrijheidsbijdrage, ook de volgende maatregelen opgenomen:

  • De aftrek specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten wordt met ingang van 2028 volledig afgeschaft.
  • De verlaging van de brandstofaccijns op benzine loopt door tot en met 2027.
  • Voor de zorgtoeslag worden de vermogensgrenzen vanaf 2028 gelijkgesteld aan het heffingsvrij vermogen in box 3.
  • De invoering van de Wet herziening bedrag ineens, de mogelijkheid om een deel van het pensioen ineens uit te keren, wordt uitgesteld van 1 juli 2026 naar 1 januari 2029.
  • Aangekondigd was dat woningen in de schenkbelasting vanaf 2027 gewaardeerd zouden worden op de waarde in het economisch verkeer in plaats van op de WOZ-waarde. Deze maatregel wordt vanwege een negatieve Uitvoeringstoets echter niet ingevoerd.

Opmerkelijke belastingconstructies

Het kabinet komt vanaf de Voorjaarsnota 2023 jaarlijks met een lijst met opmerkelijke belastingconstructies. De bij de Voorjaarsnota 2026 gepubliceerde lijst bevat zeven constructies die in 2025 ook al op de lijst stonden en twee nieuwe. De nieuwe constructies zijn:

  • papieren schenkingen;
  • leningen met onzakelijke voorwaarden of een zogenoemde onzakelijke lening.
Door |2026-06-27T17:01:19+02:0030 maart 2026|Reacties uitgeschakeld voor Fiscale maatregelen uit de Voorjaarsnota 2026
  • Verwerking crypto’s van ondernemer in aangifte IB

Verwerking crypto’s van ondernemer in aangifte IB

Zakelijk of privévermogen

Hiervoor is het eerst van belang om te bepalen of de crypto’s tot uw zakelijke vermogen of tot uw privévermogen horen.

Zo horen de crypto’s tot uw zakelijke vermogen als:

  • u uw zakelijke vermogen gebruikt om te beleggen in crypto’s, of
  • de aankoop of verwerving van crypto’s onderdeel is van uw normale bedrijfsuitoefening.

In alle andere gevallen zijn de crypto’s onderdeel van uw privévermogen. Het gaat dan bijvoorbeeld om crypto’s die u kocht met duurzaam overtollige liquide middelen, die niet direct nodig zijn voor uw bedrijfsuitoefening of binnen afzienbare tijd nodig zijn voor investeringen.

Aangifte IB: zakelijke crypto’s

Crypto’s die tot uw zakelijke vermogen behoren, tellen mee voor uw winst uit onderneming in box 1. U geeft de crypto’s aan op uw balans tegen de kostprijs of lagere marktwaarde. Gaat de omwisseling van crypto’s gepaard met winst, dan verwerkt u dat in uw winst- en verliesrekening. Datzelfde geldt voor een verlies dat ontstaat bij omwisseling van crypto’s.

Let op! Betaalt uw afnemer in crypto’s, dan moet u dit omrekenen in euro’s. Dit omgerekende bedrag is dan uw omzet.

Aangifte IB: privé-crypto’s

Privé-crypto’s geeft u aan in box 3. Hiervoor is in de aangifte IB 2025 een apart veld opgenomen onder ‘bankrekeningen en overige bezittingen’. De waarde van de crypto’s rekent u om in euro’s. Voor de IB 2025 moet u uitgaan van de waarde op 1 januari 2025 00.00 uur.

Let op!Het heffingsvrije vermogen in 2025 bedraagt € 57.684, of als u een fiscale partner heeft € 115.368 voor u en uw partner gezamenlijk. In verband met andere inkomensafhankelijke regelingen moet u in de IB 2025 echter ook al box 3 aangeven voor een totaal vermogen boven € 37.395.

Werkelijke rendement crypto’s

Is uw totale werkelijke rendement lager dan het fictieve rendement, dan kunt u een beroep doen op de tegenbewijsregeling in box 3. Ook voor uw crypto’s moet u dan het werkelijke rendement doorgeven. De berekening hiervan gaat aan de hand van de volgende gegevens:

  • de waarde van de crypto’s op 1 januari en 31 december, en
  • de totale waarde van aankopen verkopen over het hele jaar.

Voorbeeld
Uw crypto’s hebben op 1 januari 2025 een waarde van € 50.000 en op 31 december 2025 een waarde van € 60.000. In 2025 kocht u voor een bedrag van € 7.000 crypto’s en verkocht u voor een bedrag van € 12.000 crypto’s.

Uw werkelijk rendement op de crypto’s is dan € 60.000 (waarde 31-12-2025) minus € 50.000 (waarde 1-1-2025) minus € 7.000 (aankopen) plus € 12.000 (verkopen) = € 15.000.

Minen en handel

Minen en handel in crypto’s zullen over het algemeen belast zijn in box 3. Voor minen kan dat anders worden als uw opbrengsten hoger zijn dan de kosten. Voor handel kan dat anders worden als u meer activiteiten verricht voor de handel dan normaal is voor beleggingsactiviteiten. 

Tip! Overleg met een van onze adviseurs of het minen en de handel in uw situatie nog tot box 3 behoort of moet worden aangemerkt als inkomsten uit overig werk of winst uit onderneming.

Door |2026-06-27T17:01:20+02:0025 maart 2026|Reacties uitgeschakeld voor Verwerking crypto’s van ondernemer in aangifte IB
  • Is afzien van verevening pensioenrechten een schenking?

Is afzien van verevening pensioenrechten een schenking?

Verevening pensioenrechten

Op het ouderdomspensioen dat een echtgenoot tijdens het huwelijk opbouwt hebben beide echtgenoten voor een gelijk deel recht. Om die reden regelt de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding, Wvps, dat bij een echtscheiding dit tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen uiteindelijk aan beide echtgenoten voor een gelijk deel wordt uitgekeerd.

Let op!De Wvps maakt geldt zowel bij een huwelijk in gemeenschap van goederen als bij huwelijkse voorwaarden.

Uitsluiten van verevening

U kunt in uw huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant wel gezamenlijk regelen dat de Wvps niet van toepassing is. Dit betekent dat bij een echtscheiding het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen van een echtgenoot uiteindelijk toch niet voor de helft aan de andere echtgenoot wordt uitgekeerd

Schenking?

Als een echtgenoot afziet van zijn recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen van de andere echtgenoot, kan er sprake zijn van een schenking door deze andere echtgenoot aan de ander. Dit is het geval als de echtgenoot niet financieel wordt gecompenseerd.

Let op! Als de echtgenoot die afziet van zijn recht op de helft van het ouderdomspensioen van de ander wel voldoende wordt gecompenseerd, zal er geen sprake zijn van een schenking. Zo’n compensatie kan bijvoorbeeld plaatsvinden als bij de verdeling van de gemeenschap van goederen meer wordt toebedeeld aan deze echtgenoot.

Wvps ook voor geregistreerde partners

De Wvps is ook van toepassing op geregistreerde partnerschappen. Wat in deze tekst beschreven staat voor gehuwden geldt daarom ook voor geregistreerde partners.

Let op!Het voorgaande is gebaseerd op een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst. In vakliteratuur en de praktijk is de nodige kritiek op dit standpunt geuit. Neem voor uw eigen situatie daarom altijd contact op met één van onze adviseurs.

Door |2026-06-27T17:01:21+02:0024 maart 2026|Reacties uitgeschakeld voor Is afzien van verevening pensioenrechten een schenking?
  • Hou rekening met WW-uitkering bij billijke vergoeding

Hou rekening met WW-uitkering bij billijke vergoeding

Bepalen hoogte billijke vergoeding

Bij het vaststellen van een billijke vergoeding wordt vaak gekeken naar de periode dat het dienstverband nog zou hebben voortgeduurd en het loon dat de werknemer dan nog ontvangen zou hebben gedurende die periode. Met andere woorden: wat is de loonwaarde die de werknemer als gevolg van het ernstig verwijtbare eindigen van het dienstverband heeft gemist. Moet er dan rekening worden gehouden met een mogelijke WW-uitkering die de werknemer over deze periode ontvangt? Hierover bestond verdeeldheid in de literatuur. 

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad heeft bepaald dat de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding de mogelijke WW-uitkering over die periode op het gederfde loon in mindering mag brengen. Als de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houdt met de gevolgen voor de werknemer van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst, ligt het volgens de Hoge Raad voor de hand dat hij in dat verband niet alleen rekening houdt met nadelen (verlies van loon), maar ook met eventuele voordelen die daarmee voldoende samenhangen. Denk hierbij aan het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven.

Nuancering mogelijk

Het is echter ook weer geen wet van Meden en Perzen dat de WW-uitkering altijd in mindering moet worden gebracht op de loonbetaling. De Hoge Raad overweegt dat in welke mate de vastgestelde gevolgen de hoogte van de billijke vergoeding bepalen, mede afhangt van de aanwezigheid van andere omstandigheden die bij het vaststellen van de vergoeding van belang zijn. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een WW-uitkering. Denk aan de situatie dat iemand nog jaren te gaan heeft tot zijn pensioen. In dat geval kan de werknemer, afhankelijk van bijvoorbeeld het soort werk en de arbeidsmarkt er groot belang bij hebben om zijn potentiële aanspraak op de opgebouwde WW-rechten te behouden. Dan is het mogelijk niet redelijk en niet wenselijk deze als schadebeperkingsmaatregel op de te begroten billijke vergoeding in mindering te brengen.

Het zal een interessante puzzel worden. Nog afgezien van de vraag of er, als de plannen van het nieuwe kabinet doorgaan, nog wat overblijft van de WW om van de billijke vergoeding af te trekken

Door |2026-06-27T17:01:22+02:0019 maart 2026|Reacties uitgeschakeld voor Hou rekening met WW-uitkering bij billijke vergoeding
  • Hoge Raad verduidelijkt te verstrekken informatie WOZ-taxatie

Hoge Raad verduidelijkt te verstrekken informatie WOZ-taxatie

Wel afschriften, geen uitleg

De Hoge Raad geeft aan dat op verzoek de afschriften van de betreffende gegevens moeten worden verstrekt en dat deze ook per gemeente kunnen verschillen, maar dat hierover geen uitleg hoeft te worden gegeven. Of de gegevens nuttig of noodzakelijk zijn voor de waardebepaling, is niet van belang. De bronnen van de betreffende gegevens hoeft een gemeente echter niet aan te geven. 

Gebruik internet

De gemeente moet ook inzage geven tot informatie wat gaat over eventueel gebruikte berekeningen. Ook zaken die een belastingplichtige zelf kan vinden, bijvoorbeeld via internet, moeten ter beschikking worden gesteld. Het vermelden van een site op internet kan in beginsel voldoende zijn, tenzij de site niet meer beschikbaar is. 

Taxatieverslag niet altijd voldoende

Is door een gemeente een taxatieverslag gebruikt, dan is dit alleen niet voldoende als er ook gegevens zijn gebruikt die hier niet in staan, maar wel bij de waardebepaling zijn gebruikt. De informatieverplichting geldt bovendien niet alleen voor het pand waarvoor de WOZ-waarde is bepaald, maar ook voor de vergelijkingsobjecten waar deze waarde mede op is gebaseerd.

Objectkenmerken

Voor wat betreft de factoren waarop de waarde kan worden bepaald, noemt de Hoge Raad primaire en secundaire objectkenmerken. Bij primaire objectkenmerken gaat het onder meer om het type woning, het bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en perceeloppervlakte. Bij de secundaire kenmerken gaat het met name om zaken als kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging (KOUDVL-kenmerken) van een woning. Hierop toegepaste correcties vanwege afwijkingen van het gemiddelde dienen ook als gegeven te worden verstrekt, maar de basis waarop deze correcties zijn gebaseerd weer niet, aldus de Hoge Raad. Hetzelfde geldt voor correcties gebaseerd op een al dan niet aanwezigheid van een reserve in een Vereniging van Eigenaren.

Kennis en ervaring valt buiten informatieplicht

Gemeentes hoeven daarentegen geen informatie te verstrekken die gebaseerd is op kennis en ervaring, of van de bronnen ervan. Hiervan kunnen immers geen afschriften worden verstrekt, zo meent de Hoge Raad.

Bewijslast

De bewijslast dat niet de benodigde gegevens door de gemeente zijn verstrekt, ligt bij de belastingplichtige. Dit is echter anders als deze niet over deze gegevens kan beschikken, omdat ze in bezit zijn van de gemeente en deze de gegevens niet heeft verstrekt. In dat geval dient de gemeente aan te tonen dat de gevraagde gegevens niet aan de waardebepaling van de woning hebben bijgedragen.

Door |2026-06-27T17:01:23+02:0016 maart 2026|Reacties uitgeschakeld voor Hoge Raad verduidelijkt te verstrekken informatie WOZ-taxatie
  • Btw-aftrek werkkamer ook bij privégebruik

Btw-aftrek werkkamer ook bij privégebruik

Een gerechtshof vond in een bepaalde casus dat dit kon. Wat speelde hier?

Bouw woning met werkkamer en garage

Een dga en zijn partner laten samen een woning bouwen. Ze zijn samen eigenaar en gaan na gereedkomen van de woning daar ook samenwonen.
In de woning is een werkkamer en een garage gemaakt. De werkkamer is bereikbaar via de centrale hal, maar ook via een deur naar de garage. De garage beschikt over een eigen uitgang naar buiten.

De dga heeft een bv waaraan hij na oplevering van de woning de werkkamer en de garage (belast met btw) verhuurt voor een bedrag van € 8.400 (exclusief btw per jaar). In de huurovereenkomst is gekozen voor verhuur met btw. De dga verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. De garage wordt gebruikt voor het stallen van de auto van de zaak en het opslaan van stukken van de bv.

De garage wordt ook voor 21% privé gebruikt en voor 79% zakelijk.

Aftrek btw bouwkosten werkkamer en garage?

De dga trekt in zijn btw-aangifte de volledige btw op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de btw op de bouwkosten van de garage af. De dga vindt dat dit mag, omdat hij de werkkamer en garage met btw verhuurt aan de bv.

Economische activiteit?

De Belastingdienst staat deze aftrek niet toe. Ten eerste vindt de Belastingdienst dat de verhuur geen economische activiteit is. De Belastingdienst meent dat de werkkamer niet over voldoende zelfstandigheid beschikt om verhuurd te kunnen worden aan een willekeurige derde.

Het gerechtshof oordeelt dat er wel sprake is van een economische activiteit. De werkkamer en garage worden voor een aantal jaren tegen een marktconforme huur aan de bv ter beschikking gesteld. Die bv is ook een derde. Daarmee is dan ook sprake van een economische activiteit. Niet relevant is of de werkkamer en garage in de ogen van de Belastingdienst onvoldoende zelfstandigheid bezitten om aan een willekeurige derde te verhuren.

Rechtstreeks en onmiddellijk verband?

Ten tweede vindt de Belastingdienst dat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de bouw van de woning (én werkkamer en garage) en de btw-belaste verhuur. De woning zou naar het oordeel van de Belastingdienst ook gebouwd zijn als er geen sprake was van ondernemingsactiviteiten.

Het gerechtshof is het niet eens met de Belastingdienst. De dga heeft vanaf het begin de intentie gehad om een deel van de woning zakelijk te gebruiken en tegen vergoeding te verhuren aan de bv. Dat is voor het gerechtshof voldoende om in aanmerking te komen voor aftrek van btw onder de voorwaarde dat er sprake is van btw-belaste activiteiten.

Btw-belaste verhuur?

De verhuur van de werkkamer en de garage moet dan wel met btw belast kunnen worden. De Belastingdienst vindt dat kiezen voor btw-belaste verhuur in dit geval niet mogelijk is, omdat de werkkamer en garage deels ook privé worden gebruikt.

Het gerechtshof vindt echter dat de keuze voor btw-belaste verhuur wel mogelijk is. Voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, kan gekozen worden voor btw-belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt. Omdat de werkkamer en garage hoofdzakelijk door de bv worden gebruikt en niet als woning, is btw-belaste verhuur mogelijk volgens het gerechtshof. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik.

Conclusie: btw-belaste verhuur én aftrek btw

Het gerechtshof concludeert dat btw-belaste verhuur van de werkkamer en garage mogelijk is. Als gevolg daarvan kan de dga de btw met betrekking tot die werkkamer en garage ook in aftrek brengen. Vanwege 21% privégebruik van de garage geldt de btw-aftrek met betrekking tot de garage maar voor 79%.

Let op! Elke casus staat op zichzelf en kan vanwege andere feiten en omstandigheden tot andere uitkomsten leiden. Overleg daarom met onze adviseurs over de btw-gevolgen in uw eigen situatie.

Door |2026-06-27T17:01:23+02:0013 maart 2026|Reacties uitgeschakeld voor Btw-aftrek werkkamer ook bij privégebruik