Ondernemer-ZZPer

  • KVK lanceert nieuwe financieringstool

KVK lanceert nieuwe financieringstool

Informatie financieringsvormen

De site biedt uitgebreid info over diverse financieringsvormen, zoals bijvoorbeeld een zakelijke lening, crowdfunding, factoring of leasing. Na een korte toelichting kan informatie worden opgevraagd over de betreffende financieringsvorm, inclusief kosten en bijvoorbeeld eventuele fiscale aspecten. Ook wordt desgewenst doorverwezen naar experts die nader kunnen adviseren.

Specifieke situatie

Door aan te geven waarvoor een financiering nodig is, worden mogelijkheden aangereikt betreffende een specifieke situatie. Zo zijn de financieringsbehoeften verschillend voor starters, ondernemers die gaan innoveren of bijvoorbeeld een bestaand bedrijf willen overnemen. 

Keuzetool

Via een keuzetool wordt de ondernemer begeleidt bij het vinden van de juiste financieringsvorm. Gevraagd wordt naar het benodigde kapitaal en waarvoor het gebruikt gaat worden, de gewenste terugbetalingstermijn en eventueel te bieden zekerheden. Ook dient onder meer de rechtsvorm aangegeven te worden en de branche.  

Resultaat

Na invulling van de gevraagde gegevens wordt automatisch inzicht verstrekt in de financieringsmogelijkheden voor de betreffende situatie. Op basis van een keuze te maken uit de beschikbare financieringsvormen, worden organisaties gemeld die de betreffende financieringsvorm kunnen aanbieden. Ook het telefoonnummer, emailadres en de website worden verstrekt, zodat de aanvraag voor een financiering gestart kan.  

Hulp nodig?

De KVK biedt ook de helpende hand voor ondernemers die bij hun financieringsvraagstukken hulp nodig hebben. Dit kan telefonisch, maar er kan ook online een afspraak gemaakt worden met een financieel expert van de KVK in de regio.

Door |2026-06-24T10:01:42+02:0017 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor KVK lanceert nieuwe financieringstool
  • Steunpakket van 1 miljard voor kosten auto en energie

Steunpakket van 1 miljard voor kosten auto en energie

Geen accijnsverlaging

Het steunpakket lijkt geen accijnsverlaging te bevatten. Dat is te duur en bovendien niet doelmatig. Het is onvoldoende gericht op huishoudens en bedrijven die het hardst geraakt worden door de hoge brandstofprijzen.

Onbelaste reiskostenvergoeding naar 25 cent

Het lijkt erop dat het verhogen van de onbelaste reiskostenvergoeding van 23 naar 25 cent wel tot de steunmaatregelen gaat behoren. Die verhoging zou dan mogelijk tot eind 2026 gelden.

Halvering mrb bestelbus ondernemer

Voor dezelfde periode zou het kabinet de motorrijtuigenbelasting (mrb) voor bestelbussen van ondernemers – de zogenaamde grijze kentekens – willen halveren.

Extra geld voor energienoodfonds en isolatie

De bronnen bevestigen aan NOS ook dat er 50 miljoen extra beschikbaar komt voor het energienoodfonds. Verder zou er extra geld komen voor het isoleren van huizen.

Groene subsidies

De NOS meldt ook nog dat budgetten voor groene subsidies voor bedrijven voor de jaren na 2026 eerder beschikbaar komen.

Vrijdag in ministerraad

Het steunpakket wordt vrijdag 17 april a.s. in de ministerraad besproken en waarschijnlijk na het weekend gepresenteerd. Daarna moet het kabinet ook nog voldoende steun voor het pakket zien te vinden bij de oppositiepartijen in zowel Tweede als Eerste Kamer. De Tweede Kamer debatteert volgende week over het steunpakket.

Let op!De NOS meldt dit alles op basis van bronnen. Een officiële bevestiging of vastlegging is nog niet verschenen.

Door |2026-06-24T10:01:43+02:0015 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Steunpakket van 1 miljard voor kosten auto en energie
  • Gemeente kan leegstandsheffing invoeren

Gemeente kan leegstandsheffing invoeren

Gemeentewet

In de Gemeentewet is sinds eind 2025 opgenomen dat een gemeente een leegstandsheffing kan opleggen aan eigenaren van woningen die langer dan twaalf maanden leegstaan. Het betreffende artikel is per 21 maart 2026 in werking getreden.

Leegstandsheffing

Nu de wettelijke bepaling in de Gemeentewet in werking is getreden, kunnen gemeenten ervoor kiezen om de leegstandsheffing op te nemen in een lokale belastingverordening. Pas nadat de leegstandsheffing is opgenomen in zo’n lokale belastingverordening, gaan de twaalf maanden voor leegstand lopen. De gemeente kan dus niet meteen na de lokale belastingverordening de heffing opleggen.

Let op!De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) werkt aan een modelverordening die gemeenten zouden kunnen gebruiken.

De hoogte van de heffing en de beslissing om een leegstandsheffing in te voeren wordt overigens bepaald door de gemeente. Het is dus een keuze en geen verplichting.

Wijzigingen Leegstandswet

Wijzigingen in de Leegstandswet gaan binnenkort voor advies naar de Raad van State. Als deze wijzigingen door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen, krijgen gemeenten effectievere bevoegdheden om leegstand tegen te gaan. Dit zijn onder meer:

  • de mogelijkheid om een collectieve vergunning af te geven voor tijdelijke verhuur van woonruimtes in een gebouw of bij sloop en (ver)nieuwbouw’,
  • het opvragen van het elektriciteitsverbruik van een pand om te controleren of het leegstaat,
  • het opleggen van de verplichting om een langdurig leegstaand pand weer in gebruik te nemen of geven.
Door |2026-06-24T10:01:44+02:0014 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Gemeente kan leegstandsheffing invoeren
  • Advieswijzer Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ)

Advieswijzer Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ)

Wat is de BAZ?

De BAZ betreft een verplichte publieke verzekering tegen inkomensverlies bij langdurige arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen. Het gaat dus nadrukkelijk om een publieke regeling, niet om een private of commerciële verzekering. De BAZ is bedoeld als basisvoorziening. Wie door ziekte, een gebrek, een zwangerschap of bevalling langdurig niet meer kan werken, kan straks onder voorwaarden een uitkering krijgen.

Let op!De BAZ wordt om een aantal redenen ingevoerd. Zo zijn er op dit moment te weinig zelfstandigen adequaat verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, is er sprake van een ongelijk speelveld en vallen onverzekerde zelfstandigen uiteindelijk terug op de bijstand.

Voor wie geldt de BAZ?

De BAZ geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting (IB-ondernemers), met of zonder personeel, die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. Het gaat dan concreet om ondernemers die werken vanuit een eenmanszaak, vof of maatschap.

Voor wie geldt de BAZ niet?

De volgende groepen vallen niet onder de BAZ. Dat betekent dat ze geen premie betalen, maar ook dat ze geen aanspraak kunnen maken op een uitkering.

Directeur-grootaandeelhouders (dga’s) van een bv

Volgens de regering hebben dga’s gemiddeld een hoger inkomen en meer vermogen dan IB-ondernemers, waardoor de noodzaak voor overheidsingrijpen minder groot is. Bovendien zou het toevoegen van deze groep aan de BAZ voor problemen in de uitvoering kunnen zorgen.

Meewerkende partners

Ook meewerkende partners zijn om uitvoeringstechnische redenen uitgezonderd. Deze groep is namelijk vooraf niet te identificeren voor de premieheffing.

Resultaatgenieters

Mensen die resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) genieten, vallen ook niet onder de BAZ. Bij ROW gaat het vaak om bijverdiensten.

Gemoedsbezwaarden

Mensen met principiële bezwaren (vaak van godsdienstige aard) tegen elke vorm van verzekering kunnen ontheffing krijgen.

Combinatieverdieners met voldoende WIA-dekking

Sommige zelfstandigen combineren het zelfstandig ondernemerschap met een baan in loondienst. Zij zijn voor de werkzaamheden in loondienst via hun werkgever verzekerd voor de WIA. Daarom vallen ze, afhankelijk van de hoogte van hun loon, niet of slechts gedeeltelijk onder de BAZ. Bedraagt het SV-loon (het loon waarover premies werknemersverzekeringen worden betaald) minimaal 142,86% van het minimumloon, dan is de zelfstandige niet premieplichtig voor de BAZ. Het gaat hier naar verwachting om ongeveer 600.000 combinatieverdieners.

Medegerechtigden

Commanditaire vennoten en anderen die winst uit onderneming genieten zonder daarvoor arbeid te verrichten (bijvoorbeeld na een bedrijfsoverdracht), vallen niet onder de BAZ.

AOW-gerechtigden

Zelfstandigen boven de AOW-gerechtigde leeftijd betalen geen premie, maar hebben ook geen recht op een uitkering.

Kiezen voor private verzekering: opt-out

Zelfstandigen hoeven niet deel te nemen aan de BAZ. Ze kunnen namelijk kiezen voor een opt-out. Ze moeten dan wel een private (commerciële) verzekering hebben die aan de wettelijke voorwaarden voldoet. Dat betekent dat een private verzekering onder meer:

  • een dekking moet bieden tot de AOW-leeftijd;
  • een uitkering van minimaal 70% van de winst (waarbij de winst maximaal 42,86% van het wettelijk minimumloon bedraagt) moet geven;
  • een wachttijd moet hebben van maximaal 104 weken;
  • periodiek uitkeert (geen eenmalige uitkering);
  • een premie moet hebben die minimaal gelijk is aan de publieke premie.

De verzekeraar kan dan voor de verzekerde een opt-out aanvragen bij het UWV. Deze opt-out kan alleen ingaan per 1 januari of bij de start van de onderneming.

Stabiliteitsbijdrage

Als een zelfstandige kiest voor een private verzekering via de zogenaamde opt-out, moet hij toch nog een premie betalen, de zogenaamde stabiliteitsbijdrage. Dit betreft een vast bedrag per privaat verzekerde. De gedachte hierbij is dat zo wordt voorkomen dat de publieke verzekering vooral de zwaardere risico’s overhoudt en daardoor snel duurder wordt. Deze bijdrage wordt afgedragen door de verzekeraar, maar zal naar verwachting in de premie voor de verzekerde worden verwerkt. De verwachting is dat deze stabiliteitsbijdrage uit zal komen op een bedrag tussen de € 25 en € 35 per maand bij volledige risicoverevening.

Overgangsrecht voor zelfstandige met private AOV

Voor zelfstandigen die al een private arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben, gaat er overgangsrecht gelden. Om onder het overgangsrecht te vallen, moet de verzekering:

  • tot stand zijn gekomen vóór de peildatum;
  • een wachttijd hebben van maximaal 104 weken;
  • een eindleeftijd hebben van minimaal 55 jaar;
  • periodiek uitkeren;
  • geen ongevallenverzekering of woonlastenbeschermer zijn.

Voldoet de verzekering aan genoemde voorwaarden, dan hoeft de zelfstandige niet verplicht aan de BAZ deel te nemen. De verzekerde hoeft dan ook niet opnieuw medisch gekeurd te worden. De stabiliteitsbijdrage blijft wel van toepassing.

Als de verzekering niet aan de voorwaarden voldoet, kan de zelfstandige deze aanpassen, kan hij een nieuwe verzekering afsluiten die wel aan de eisen voldoet of toch instromen in de publieke BAZ.

Let op!De verzekeraar moet binnen dertien weken na inwerkingtreding van de wet een aanvraag doen bij het UWV voor toepassing van het overgangsrecht.

Let op!Alleen wie voor de peildatum een verzekering heeft, kan gebruikmaken van dit overgangsrecht. Op dit moment is nog onduidelijk wanneer die peildatum bekend wordt gemaakt. Vaak gaat deze direct na de bekendmaking in, dus wacht niet te lang met actie ondernemen.

Hoe hoog is de premie voor de BAZ?

De premie voor de BAZ bedraagt 5,4% van de winst uit onderneming. Er geldt een maximum van circa € 171 bruto aan te betalen premie per maand.

Let op!De maximale premie van € 171 is gebaseerd op 142,86% van het minimumloon in 2025. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. De maximale premie van € 171 bruto per maand is verschuldigd vanaf een winst uit onderneming van € 38.000 (5,4% van € 38.000 gedeeld door 12).

Door de koppeling van de BAZ-premie aan de winst uit onderneming, betaalt een zelfstandige met een winst van nul of lager geen BAZ-premie.

Tip! De BAZ-premie is fiscaal aftrekbaar in de aangifte IB als uitgave voor inkomensvoorzieningen.

De zelfstandige ontvangt voor de BAZ-premie een aparte aanslag, naast de aanslag IB en de aanslag Zvw.

Hoe hoog is de BAZ-uitkering?

De hoogte van de BAZ-uitkering is ook afhankelijk van de winst uit onderneming en bedraagt 70% van de gemiddelde winst, maar maximaal het wettelijk minimumloon. Bij de eerdergenoemde winst van € 38.000 of meer is de uitkering dus het minimumloon. Bij een lagere winst bedraagt de uitkering 70% van de gemiddelde winst.

Let op!Bij winst uit onderneming gaat het om de belastbare winst voor belastingen, vermeerderd met ondernemersaftrekken (zoals de zelfstandigenaftrek, meewerkaftrek, aftrek speur- en ontwikkelingswerk en de stakingsaftrek) en vermeerderd met de mkb-winstvrijstelling.

De uitkering is dus erg laag. Reden waarom gesproken wordt van een basisverzekering. Wie meer uitgekeerd wil krijgen, zal zich aanvullend moeten verzekeren.

Het is verder een alles-of-nietsverhaal. Dat betekent dat er wel of geen recht op uitkering bestaat. Er is geen mogelijkheid van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zoals bij de WIA. Eventuele inkomsten naast de uitkering worden voor 70% gekort. Werken loont dus wel.

Arbeidsongeschikt in de zin van de BAZ

De BAZ hanteert een absoluut criterium. Iemand is arbeidsongeschikt als hij of zij door ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet meer in staat is om met arbeid ten minste het wettelijk minimumloon per maand te verdienen. Het feitelijk verdiende inkomen is dus niet van belang. Het UWV gaat kijken of iemand zogeheten basisfuncties kan uitvoeren. Het gaat dan om functies die op de Nederlandse arbeidsmarkt voorkomen met een relatief lage belasting, op of rond minimumloonniveau. Denk hierbij aan eenvoudig administratief werk of lichte productiewerkzaamheden.

Lukt het om zo’n functie uit te voeren, dan is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid.

Let op!Het gegeven dat iemand als zelfstandige zijn eigen werk niet meer kan uitvoeren, is dus niet van belang.

Wachttijd

Er geldt een wachttijd van twee jaar voordat eventueel tot uitkering wordt overgegaan. Dit heeft als voordelen dat de premie lager uitvalt en de druk op de uitvoering voor het UWV afneemt. Deze wachttijd kan de zelfstandige op verschillende manier overbruggen, zoals door eigen vermogen, een broodfonds of een private verzekering. Wel kan er gedurende de wachttijd een beroep worden gedaan op de re-integratiedienstverlening door het UWV.

Behandeling wetsvoorstel

Het kabinet wil de BAZ snel door het parlement loodsen. Dit hangt samen met de deadline van 31 augustus 2026 in verband met het EU Herstel- en Veerkrachtplan en de samenhang met de Zelfstandigenwet, waarin een arbeidsongeschiktheidsverzekering een voorwaarde wordt voor het werken als zelfstandige. Het is de verwachting echter dat de BAZ niet eerder dan in 2030 wordt ingevoerd.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Door |2026-06-24T10:01:44+02:0014 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Advieswijzer Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ)
  • Lagere WOZ-waarde voor PAS-melder

Lagere WOZ-waarde voor PAS-melder

PAS-melder

In deze casus was een melkveebedrijf een PAS-melder. In het verleden had dit melkveebedrijf gebruikgemaakt van de uitzondering die door het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (het PAS) werd geboden op de vergunningsplicht voor bepaalde activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken.

WOZ-waarde lager?

De eigenaar van het melkveebedrijf vond dat de WOZ-waarde lager moest worden vastgesteld omdat hij een PAS-melder was. De verkoopbaarheid van zijn bedrijf stond namelijk al sinds 2019 onder grote druk ten opzichte van agrarische bedrijven die wel over de benodigde vergunningen beschikten.

Oordeel rechtbank Noord-Nederland

Rechtbank Noord-Nederland vond, net als het melkveebedrijf, dat bij het bepalen van de WOZ-waarde rekening gehouden moest worden met het PAS-melderschap.

In 2019 oordeelde de Raad van State immers dat PAS-melders alsnog vergunningsplichtig waren. Na het vaststellen van een legalisatieprogramma door de Minister van LNV, had aanvankelijk in 2025 duidelijkheid voor PAS-melders moeten bestaan. Die termijn is echter inmiddels verlengd naar 2028. Dit heeft een waardeverminderend effect. En dit effect deed zich ook voor bij het melkveebedrijf, aldus de rechtbank.

Agrarische taxatiewijzer

De in de door de gemeenteambtenaar gebruikte agrarische taxatiewijzer zijn kengetallen opgenomen die gebaseerd zijn op agrarische objecten die wél over de benodigde vergunningen beschikken. Daarom is deze taxatiewijzer naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer toepasbaar voor de waardebepaling bij een PAS-melder.

Let op!De WOZ-waarde werd in deze casus door de rechter verlaagd van € 1.091.000 naar € 850.000. Deze verlaging betrof deze specifieke casus en kan daarom niet een op een getalsmatig worden doorgetrokken naar andere casussen.

De rechtbank gaf nog aan dat het feit dat er inmiddels aan oplossingen wordt gewerkt voor de PAS-melders en dat uitkoop ook een optie was, niet leidde tot een ander oordeel. Ook het gegeven dat het betreffende melkveebedrijf nog draaide en als kansrijk kon worden gezien, maakte niet dat er geen waardedruk was. Hetzelfde gold voor de vestiging van het bedrijf buiten een Natura 2000-gebied.

Door |2026-06-24T10:01:44+02:0013 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Lagere WOZ-waarde voor PAS-melder
  • Advieswijzer Echtscheiding en uw bedrijf

Advieswijzer Echtscheiding en uw bedrijf

Er komen vragen op u af als:

  • Kan de onderneming worden voortgezet?
  • Maakt uw partner aanspraak op een deel van (de waarde van) het bedrijf?
  • Wat gebeurt er met het pensioen?
  • Van welke financiële gegevens moet worden uitgegaan bij het berekenen van alimentatie?

Deze advieswijzer bevat een overzicht van enkele belangrijke zaken waarmee u als ondernemer te maken kunt krijgen bij een echtscheiding. Het zijn complexe zaken, die om deskundige begeleiding vragen. Met behulp van deze advieswijzer inventariseert u uw persoonlijke situatie en komen er zaken aan de orde als:

  • Huwelijksvermogensregime: is er een algehele gemeenschap van goederen (vóór 2018), een beperkte gemeenschap van goederen (vanaf 2018) of heeft u huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden gesloten?
  • Is het Nederlands recht wel van toepassing? Dit kan een rol spelen als u in het buitenland heeft gewoond na uw huwelijk of als u en uw partner (ook) een andere nationaliteit hebben.
  • Rechtsvorm van uw bedrijf: is er sprake van een eenmanszaak, vof, maatschap, bv of andere vorm? Staat het bedrijf op uw naam en/of op uw partners naam? Werkt u beiden in het bedrijf? Is er een regeling getroffen over de eigendom van en/of het recht op een deel van de waarde van de onderneming?
  • Vermogens- en inkomenspositie: wat behoort tot uw privé- en zakelijk vermogen? Waaruit bestaat het gezinsinkomen? Heeft u kinderen?
  • Pensioenen: welke regelingen hebben u en uw partner gesloten? Welke aanspraken heeft u beiden opgebouwd voor en tijdens het huwelijk?
  • Fiscaliteit: wat zijn de fiscale gevolgen van de scheiding? Moet u fiscaal afrekenen over de waarde van het bedrijf? Op welke fiscale valkuilen moet u alert zijn?

Tip! Ga regelmatig na of uw huwelijksvermogensregime nog wel past bij uw zakelijke en privébelangen. Laat u daarbij ook goed informeren over actuele wet- en regelgeving.

Let op!Sinds 1 januari 2018 is voor vanaf dat moment te sluiten huwelijken de beperkte gemeenschap van goederen de standaard. In plaats van één gemeenschappelijk vermogen is sprake van drie vermogens: een huwelijksvermogen en een afzonderlijk vermogen voor ieder van de echtgenoten. Voorhuwelijks ondernemingsvermogen valt niet in de beperkte gemeenschap (vraag ook naar de Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen).

Wel geldt dat een redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid voldaan dient te worden aan de gemeenschap, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van de echtgenoten komt of is gekomen. Dit vereist een nauwkeurige administratie tijdens het huwelijk. Het is verstandig om de waarde van de voorhuwelijkse onderneming goed vast te stellen en hierbij op te nemen op basis van welke grondslag dit is gebeurd.

Door de wettelijke regeling die geldt vanaf 1 januari 2018 is het overeenkomen van huwelijkse voorwaarden over het algemeen van nog groter belang dan voor die tijd.

Verdeling

Bij een algehele of beperkte gemeenschap vindt bij echtscheiding verdeling plaats van het vermogen dat in de gemeenschap is gevallen. Beide partijen zijn gerechtigd tot hun aandeel in de gemeenschap. In het kader van de verdeling dient waardering van het ondernemingsvermogen dan wel van de aandelen plaats te vinden, op voorwaarde dat deze tot de gemeenschap behoren.

Huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden

Zonder huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden valt de (waarde van de) onderneming in de te verdelen gemeenschap; met uitzondering van het voorhuwelijks ondernemingsvermogen bij een beperkte gemeenschap van goederen. In dat geval kan wel sprake zijn van een redelijke vergoeding aan de gemeenschap voor kennis, vaardigheden en arbeid, die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.

Wellicht heeft u in uw huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden wel specifieke bepalingen opgenomen over de gerechtigdheid tot het eigen bedrijf. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een verrekenbeding, waarbij de waarde van het geheel of van een gedeelte van de onderneming moet worden verrekend.

Ook kan het zijn dat u een zogenaamd jaarlijks verrekenbeding in uw huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden heeft staan waar u nooit uitvoering aan heeft gegeven. De wet gaat er bij een echtscheiding dan in beginsel van uit dat uw totale vermogen gelijk met elkaar verrekend dient te worden.

Tegenbewijs is weliswaar mogelijk, maar de praktijk leert dat dit vaak erg lastig is. Ook kan het zijn dat er wel jaarlijkse berekeningen zijn gemaakt, maar dat die niet goed blijken te zijn; bijvoorbeeld omdat opgepotte winsten in de bv niet meegerekend zijn, terwijl dat wel had gemoeten. Het gevolg is dan dat of de berekeningen opnieuw gemaakt moeten worden (hetgeen vaak complex blijkt te zijn), of dat het totale vermogen toch verrekend dient te worden.

In het kader van een echtscheiding kan om afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden worden gevraagd. Het kan dan gaan om verdeling van een eenvoudige gemeenschap of een verrekening in het kader van een verrekenbeding.  Ook is het vaak lastig om achteraf nog vast te stellen wat er precies tussen de partijen verrekend moet worden.

Let op!Als u voor het huwelijk een eenmanszaak had die u tijdens het huwelijk met beperkte gemeenschap van goederen (dus alleen bij huwelijken gesloten na 1 januari 2018) in een besloten vennootschap heeft ingebracht, dan wordt deze besloten vennootschap niet zonder meer beschouwd als een voorhuwelijkse onderneming. Dit kan betekenen dat de vennootschap gemeenschappelijk is geworden en uw partner recht heeft op de helft van de waarde van de aandelen in de vennootschap.

Het kan dus zomaar zijn dat u als ondernemer de waarde van uw onderneming moet delen met uw (ex-)partner. De activa/passiva van het bedrijf dienen hiervoor reëel te worden gewaardeerd. De scheiding brengt het risico met zich mee dat het uitkopen van de ex-partner ten koste kan gaan van de continuïteit van het bedrijf. Als het bedrijf dan ook de belangrijkste inkomensbron is, is het zaak te zoeken naar passende oplossingen. Denk hierbij ook aan het (tijdelijk) aanhouden van een belang in de onderneming door uw ex-partner. Maar ook aan het verrekenen met andere bezittingen of het overnemen van schulden.

Let op!Ga na of bij een bedrijfsfinanciering ook privézekerheden, bijvoorbeeld een hypotheek op de woning, zijn verstrekt. Dit vraagt dan om extra aandacht bij de afwikkeling van de scheiding.

Verevening van pensioenrechten

Bij een echtscheiding heeft de ex-partner in principe recht op de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Dit wordt pensioenverevening genoemd. De ex-partner krijgt dan een voorwaardelijk recht. Daarnaast heeft de ex-partner recht op een bijzonder partnerpensioen/nabestaandenpensioen.

Tip! U bent vrij om samen met uw (ex-)partner een andere verdeling af te spreken of zelfs te besluiten niet tot verevening van het ouderdomspensioen over te gaan. Let wel, in maart 2026 heeft een Kennisgroep van de Belastingdienst laten weten dat het afzien van verevening van pensioen beschouwd kan worden als een schenking, als de echtgenoot die hiervan afziet hier niet voor gecompenseerd wordt en als de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding wel van toepassing is.

Ook conversie van pensioen is mogelijk. Dan zet u de rechten voor uw ex-partner om in een eigen pensioen en u bent niet meer ‘verbonden’ aan elkaar. Wijkt u af van de wettelijke regeling, dan moet dit wel zijn vastgelegd in de huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant. Als u wenst af te wijken van de wet is het van belang om advies in te winnen bij een fiscalist en/of pensioendeskundige.

Let op!Van het bijzonder partnerpensioen/nabestaandenpensioen moet u expliciet afzien als dat gewenst is.

Fiscale gevolgen afspraken pensioen in eigen beheer

Over pensioen in eigen beheer heeft u voor 1 januari 2020 moeten beslissen, opbouw is sinds 1 juli 2017 al niet meer mogelijk. Koos u ervoor om het pensioen in eigen beheer ongewijzigd te laten (zonder verdere opbouw) en gaat u scheiden, dan blijft uw ex-partner voor zijn of haar deel van het reeds opgebouwde pensioen in eigen beheer afhankelijk van het reilen of zeilen van uw bv. De bv is en blijft immers in dit geval de pensioenuitvoerder. Omdat dit nadelig kan zijn voor uw ex-partner, kan deze eisen dat het pensioenaandeel elders wordt ondergebracht. U en uw bv moeten hieraan meewerken. Dit is alleen anders als door afstorting van het pensioen de continuïteit van uw onderneming aantoonbaar in gevaar komt. Bovendien mag het afstorten er niet voor zorgen dat uw eigen pensioen in gevaar komt. Komt het in gevaar, dan moet er sprake zijn van post-relationele solidariteit, en moet de ex-partner ‘meedelen’ in het eventuele tekort, en krijg dus minder afgestort pensioen mee, maar houdt wel het volledige recht op dan een deel in de eigen bv.

Tip! Het staat u en uw (ex-)partner te allen tijde vrij om te kiezen voor een alternatieve financiële oplossing.

Koos u ervoor om de pensioenaanspraak in eigen beheer af te kopen met een belastingkorting of om te zetten in een oudedagsverplichting, dan verliest uw partner zijn of haar rechten op een deel van het in eigen beheer opgebouwde ouderdomspensioen (partnerpensioen). Uw partner dient daarvoor wellicht ‘passend’ te worden gecompenseerd. ‘Passend’ kan ook betekenen dat u samen met uw partner schriftelijk vastlegt dat compensatie (uitsluitend) plaatsvindt wanneer u overlijdt of bij echtscheiding. Ook hier geldt dat iedere keuze mogelijk fiscale voordelen biedt, maar ook tot ongewenste fiscale complicaties kan leiden en dus moeten deze vooraf goed in beeld gebracht worden.

Let op!In bepaalde situaties is de partnercompensatie belast als periodieke uitkering en/of aftrekbaar als onderhoudsverplichting.

Alimentatie

Ook na een echtscheiding hebben uw ex-partner en u de plicht voor elkaar en de kinderen te zorgen door bij te dragen in de kosten van levensonderhoud (alimentatie). Voor het berekenen van de alimentatie gelden de zogenaamde ‘Tremanormen’. Bij de ondernemer is het van groot belang om niet alleen naar de jaarstukken uit het verleden te kijken, maar ook naar de kasstroom van de ondernemer, prognoses en informatie over de onderneming en de branche.

Partneralimentatie

Wanneer een van de ex-partners niet genoeg inkomsten heeft om van te leven, heeft de ander de plicht om bij te dragen in de kosten. Bij verzoekschriften tot echtscheiding die na 1 januari 2020 zijn ingediend, geldt dat de partneralimentatie beperkt is in duur. Hoe lang alimentatie betaald dient te worden, hangt af van verschillende factoren, zoals de duur van het huwelijk, leeftijd van betrokkenen, leeftijd van eventuele kinderen en het moment van het ontvangen van AOW. Een veel gehoorde misvatting is dat de duur van partneralimentatie standaard vijf jaar zou zijn.

In tegenstelling tot partneralimentatie is kinderalimentatie bij de betaler ervan niet aftrekbaar en bij de ontvanger onbelast.

Let op!Partneralimentatie is bij de betaler ervan aftrekbaar en bij de ontvanger belast.

Voor de verkrijger van alimentatie zijn de hiermee samenhangende advocaatkosten aftrekbaar als de procedure ter verkrijging van alimentatie voor hem of haar succesvol verloopt. Dit is ook het geval als de verkrijger geen succes heeft, maar er een redelijke kans op succes is geweest. Degene die alimentatie moet betalen, kan de kosten van de advocaat niet aftrekken. Dit staat los van de vraag of de procedure voor degene van wie de betaling geëist werd, al dan niet succesvol is verlopen.

Over de hoogte en de duur van de alimentatie kunt u met elkaar naar eigen inzicht en mogelijkheden afspraken maken. Neem de afspraken volledig en duidelijk op in een echtscheidingsconvenant. Voorkom discussie over het ondernemersinkomen en de onderlinge draagkrachtverdeling. Daarnaast is het bij een ondernemer van groot belang dat een dubbeltelling voorkomen wordt. Toekomstige geldstromen van de onderneming moeten niet twee keer worden meegenomen, dat wil zeggen zowel bij de waardering van de aandelen als bij de alimentatie.

Kinderalimentatie

De kosten van de kinderen (ook wel behoefte genoemd) worden in beginsel berekend aan de hand van het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen in een gezin en de leeftijd van de kinderen. Ook kan rekening worden gehouden met hoge (netto) oppaskosten voor en na de scheiding.

Bij het bepalen van draagkracht van ouders voor kinderalimentatie wordt gebruikgemaakt van een formule die is opgenomen in de Tremanormen. Aan de hand van het netto besteedbaar inkomen wordt dan berekend wat een ouder redelijkerwijs kan bijdragen in de kosten van de kinderen. In de formule wordt rekening gehouden met de bijstandsnorm, alsook een component voor woonlasten.

Worden er schulden afgelost of heeft iemand bijzondere verplichtingen, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan kan de formule hierop worden aangepast. Ouders die gaan scheiden, hoeven minder kinderalimentatie te betalen naarmate zij meer voor de kinderen zorgen (zorgkorting).

Indien de ouders samen een tekort hebben aan draagkracht voor de kinderalimentatie, dan dient onderzocht te worden of de draagkracht niet hoger is, wanneer gerekend wordt met de daadwerkelijke woonlast van de ouders in plaats van met het forfaitaire bedrag.

Let op!Er kan bij kinderalimentatie sprake zijn van samenloop van onderhoudsverplichtingen. Dit is aan de orde als er sprake is van bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige stiefouder of wanneer de ouders kinderen hebben bij verschillende partners. Ook dit heeft gevolgen voor de berekening.

Let op!In tegenstelling tot partneralimentatie is kinderalimentatie bij de betaler ervan niet aftrekbaar en bij de ontvanger onbelast.

Fiscaal partnerschap

Een echtscheiding kan voor de scheidende partners uiteenlopende fiscale consequenties hebben. Op het moment dat u het verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed heeft ingediend en u ook niet meer op hetzelfde adres ingeschreven staat, bent u geen fiscaal partner meer. Wel mag u in dat jaar nog kiezen om als fiscale partners de belastingaangifte in te vullen. Dit kan het jaar daarop niet meer. Bent u geen fiscaal partner meer, dan heeft dit vooral direct gevolgen voor een aantal regelingen in de inkomstenbelasting en voor eventuele toeslagen. Op hoofdlijnen gaat het om de volgende regelingen.

Doorschuiffaciliteit

Behoort het ondernemingsvermogen tot de te ontbinden gemeenschap van de (huwelijks)partners? Dan wordt het deel van uw onderneming, dat volgens het huwelijksvermogensrecht toekomt aan uw partner, bij ontbinding van de gemeenschap geacht te zijn overgedragen tegen reële waarde. Over de fiscale meerwaarde (goodwill, reserves en stille reserves) van dit deel van de onderneming moet u als ondernemer dan afrekenen. Onder voorwaarden hoeft er echter niet te worden afgerekend en geldt er een belastingvrije doorschuiffaciliteit.

Terbeschikkingstelling (TBS)

Als u een vermogensbestanddeel (zoals een pand) ter beschikking stelt aan de onderneming, aanmerkelijk belang vennootschap of werkzaamheid van een verbonden persoon, dan is op dit vermogensbestanddeel de TBS-regeling van toepassing. Partners gelden voor de TBS-regeling als verbonden personen. De positieve en negatieve voordelen behaald met dit vermogensbestanddeel vormen dan belastbaar resultaat uit overige werkzaamheid (box 1). Met de echtscheiding eindigt de verbondenheid en de terbeschikkingstelling en vindt over het betreffende (aandeel in het) TBS-vermogen een fiscale afrekening plaats, tenzij er een doorschuiffaciliteit (fiscale begeleiding) van toepassing is. Bij huwelijkse voorwaarden speelt dit vaak niet. Het vermogensbestanddeel behoort tot uw vermogen en alleen u heeft te maken met de TBS-regeling.

Aanmerkelijk belang

Hebben uw partner en u een aanmerkelijk belang (AB), dan kan de scheiding tot gevolg hebben dat bij een of beide partners niet langer sprake is van een aanmerkelijk belang. Op dat moment is sprake van een fictieve vervreemding in de zin van de AB-heffing met een fiscale afrekening tot gevolg. Onder voorwaarden geldt ook hier een doorschuiffaciliteit.

Eigen woning

Bij een echtscheiding verlaat doorgaans een van de partners de woning. Op dat moment is deze woning voor de vertrekkende partner geen hoofdverblijf meer en daarmee zou voor dit aandeel in de woning de eigenwoningregeling en bijbehorende hypotheekrenteaftrek komen te vervallen. Maar, op voorwaarde dat de ex-partner in de woning blijft wonen, blijft de eigenwoningregeling op grond van de scheidingsregeling nog maximaal twee jaar na vertrek gelden. Naast de scheidingsregeling zijn er ook nog vele fiscale valkuilen als er een eigen woning in het spel is. Zo kan de aftrekbaarheid van de eigenwoningrente (deels) in gevaar komen als hierover geen goede afspraken zijn gemaakt.

Tot slot

Een echtscheiding vraagt om goede (fiscale) begeleiding. Er zijn veel regels om rekening mee te houden. Denk hierbij ook aan de verdeling van lijfrenten en kapitaalverzekeringen. Wij kunnen u begeleiden bij dit complexe proces.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Door |2026-06-24T10:01:44+02:0013 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Advieswijzer Echtscheiding en uw bedrijf
  • Nieuwe fiscale regelingen voor startups en scale-ups

Nieuwe fiscale regelingen voor startups en scale-ups

Wetsvoorstel werkelijk rendement box 3

In het door de Tweede Kamer al aangenomen wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 wordt het werkelijke rendement volgens de hoofdregel belast volgens een vermogensaanwasbelasting. Dit betekent dat zowel de gerealiseerde als de ongerealiseerde waardeontwikkelingen tot het werkelijke rendement horen.

Op de hoofdregel geldt een uitzondering voor onroerende zaken en startups en scale-ups. Het werkelijke rendement wordt voor die vermogensbestanddelen berekend volgens een vermogenswinstbelasting: alleen gerealiseerde waardeontwikkelingen (bijvoorbeeld bij verkoop) horen dan tot het werkelijke rendement.

Let op! De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is 1 januari 2028. De Eerste Kamer moet nog stemmen over het wetsvoorstel.

Definitie startup en scale-up

In het oorspronkelijke wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is opgenomen dat de vermogenswinstbelasting geldt voor startende ondernemingen. Dit wordt gewijzigd in startups en scale-ups. In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen startups en scale-ups is een definitie opgenomen van een startup en een scale-up: een bedrijf dat een onderneming drijft die gericht is op snelle groei door middel van een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel dat zijn oorsprong vindt in innovatie.

Let op! Onder een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel wordt verstaan het vermogen van een onderneming om de omzet snel te laten groeien zonder lineaire inzet van meer mensen, meer middelen of hogere kosten, door gebruik te maken van technologie die tot lagere marginale kosten leidt en schaalvoordelen biedt. Onder innovatie wordt verstaan het ontwikkelen of verbeteren van producten, diensten, processen of technologieën, waarbij sprake is van technische vernieuwing of significante functionele verbetering ten opzichte van de sector.

Om een startup of scale-up te zijn in de definitie mogen de aandelen of winstbewijzen niet verhandeld worden op een gereguleerde markt of voor meer dan 25 procent in handen zijn van een lichaam waarvan de aandelen of winstbewijzen worden verhandeld op een gereguleerde markt.

Let op!Bij de RVO kan straks een beschikking aangevraagd worden of sprake is van een startup of scale-up.

Lagere loonheffing aandelenopties

In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen startups en scale-ups is ook een maatregel opgenomen die medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups stimuleert door een lagere loonheffing. 
Op inkomen uit aandelenopties voor werknemers van startups en scale-ups wordt hiertoe een korting van 35% toegepast, waardoor de grondslag waarover loonheffing wordt berekend 65% van het inkomen bedraagt. Het effectieve loonheffingentarief wordt daarmee ongeveer 32% waarmee het ongeveer gelijk is aan het tarief in box 2.

Naast de lagere loonheffing wordt ook het heffingsmoment verplaatst naar het moment van daadwerkelijke verkoop van de aandelen die verkregen zijn bij de uitoefening van het aandelenoptierecht.

Let op! De regeling gaat ook gelden voor aandelenopties die zijn uitgegeven op of na 17 april 2025 mits de loonheffing over het inkomen uit de aandelenopties zich nog niet heeft voorgedaan.

Afschaffing meewerkaftrek en stakingsaftrek

Om de hiervoor gemelde fiscale stimulatie van de startups en scale-ups te financieren wordt de meewerkaftrek en de stakingsaftrek in de inkomstenbelasting per 1 januari 2027 met 75% versoberd en per 1 januari 2030 volledig afgeschaft.

Internetconsultatie

Het wetsvoorstel ligt nu ter internetconsulatie. Tot en met 29 april 2026 kan iedereen hierop reageren. In het kader van eventuele staatssteun moet de lagere loonheffing op aandelenopties nog voor goedkeuring voorgelegd worden aan de Europese Commissie. De staatssecretaris van Financiën is voornemens om het wetsvoorstel in september bij de Tweede Kamer in te dienen. Het streven is om de lagere loonheffing op aandelenopties per 1 januari 2027 in werking te laten treden.

 
Door |2026-06-24T10:01:45+02:008 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Nieuwe fiscale regelingen voor startups en scale-ups
  • Vanaf 2028 21% btw op sierteeltproducten

Vanaf 2028 21% btw op sierteeltproducten

Sierteeltproducten

Bij sierteeltproducten moet gedacht worden aan bloembollen, snijbloemen, planten en boomkwekerijproducten. Deze producten vallen nu nog onder het verlaagde btw-tarief van 9%. Het kabinet wil echter dat deze producten vanaf 1 januari 2028 onder het normale btw-tarief van 21% vallen.

Waarom?

Vanaf 1975 geldt het verlaagde btw-tarief op de levering sierteeltproducten. Het doel was om de betaalbaarheid van sierteeltproducten voor lagere inkomens te bevorderen en de werkgelegenheid in de sierteelt te stimuleren. Uit een evaluatie komt naar voren dat het btw-verlaagde btw-tarief niet geschikt is voor dit doel.

Internetconsultatie

Het kabinet begrijpt de impact van de voorgenomen btw-verhoging en wil iedereen de kans geven om te reageren op het voorstel. Daarom kan iedereen die dat wil tot en met 7 mei 2026 reageren op de internetconsultatie.

Door |2026-06-24T10:01:46+02:008 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Vanaf 2028 21% btw op sierteeltproducten
  • Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen

Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen

Bent u voor 1 januari 2018 getrouwd en heeft u geen huwelijkse voorwaarden opgesteld? Dan blijft voor u de oude wettelijke regeling gewoon gelden, de algehele gemeenschap van goederen.

De beperkte gemeenschap van goederen

Vanaf 1 januari 2018 kunt u nog alleen in algehele gemeenschap van goederen trouwen als u dit afspreekt bij huwelijkse voorwaarden. Als u niets met elkaar regelt, krijgt u automatisch te maken met de beperkte gemeenschap van goederen.

geldt op voorwaarde dat het Nederlands recht op u van toepassing is. Als u bijvoorbeeld meerdere of een andere nationaliteit(en) heeft of als u direct na uw huwelijk in het buitenland bent gaan wonen, kan het zijn dat Nederlands recht in uw geval helemaal niet van toepassing is. U dient zich in dat geval goed te laten voorlichten over de vraag of het Nederlands huwelijksvermogensrecht in uw geval wel geldt.

Tip! Ook in zo’n geval kunnen huwelijkse voorwaarden overigens uitkomst bieden, doordat u hierin expliciet kunt kiezen voor de toepassing van bijvoorbeeld het Nederlands huwelijksvermogensrecht. Dit voorkomt een hoop discussies of onduidelijkheid achteraf.

Let op! Raadpleeg tijdig een deskundige die de gevolgen kan overzien als uw situatie ‘iets internationaals’ heeft.

Drie vermogens

Uitgangspunt van de huidige wettelijke regeling van de beperkte gemeenschap van goederen is dat er drie vermogens zijn in plaats van één gemeenschapsvermogen, namelijk: het privévermogen van de één, het privévermogen van de ander en het gemeenschappelijke vermogen. De gemeenschap omvat alle gezamenlijke goederen en gezamenlijke schulden die echtgenoten voor het huwelijk al hadden en alle goederen en schulden die zij vanaf aanvang van de gemeenschap tot aan de ontbinding van de gemeenschap verkrijgen of maken, met uitzondering van erfenissen, schenkingen of verknochte goederen, zoals een letselschade-uitkering. Het privévermogen en de privéschulden van voor het huwelijk vallen buiten de gemeenschap.

Privé

Het feit dat er standaard drie vermogens zijn, maakt dat u al snel te maken kunt krijgen met de zogenaamde vergoedingsrechten. Hiermee wordt bijvoorbeeld de situatie bedoeld dat privégeld, zoals een ontvangen erfenis, is geïnvesteerd in een gemeenschappelijk goed, zoals de echtelijke woning, en dit bedrag vergoed dient te worden door de gemeenschap. Onder de wetgeving tot 1 januari 2018 was dit voorbeeld alleen aan de orde voor zover er sprake was van een erfenis die verkregen is onder een uitsluitingsclausule. Dat wil zeggen: de overledene heeft in een testament uitdrukkelijk bepaald dat de erfenis niet in enige gemeenschap zal vallen.

Let op! Bij de beperkte gemeenschap van goederen is het maken van een uitsluitingsclausule door een erflater niet meer nodig. Er kan wel een insluitingsclausule of gemeenschapsclausule worden gemaakt als iemand wil dat de partner van de erfgenaam ook erft.

Onderneming

Voorhuwelijks ondernemingsvermogen valt niet in de gemeenschap. Als u als ondernemer in het huwelijk treedt, valt de onderneming dus niet in de beperkte gemeenschap. Punt van discussie kan de redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid zijn, in het kader van die voorhuwelijkse onderneming. De vergoeding dient voldaan te worden aan de gemeenschap.

De redelijke vergoeding is aan de orde voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen. Inmiddels zijn hier gerechtelijke uitspraken over te vinden. Lastig is en blijft echter in hoeverre aan de rechter voorgelegde gevallen vergelijkbaar met elkaar zullen zijn, wat ‘een redelijke vergoeding’ is en hoe dit precies bepaald dient te worden.

Gerechtshof Den Haag heeft eind 2023 aangegeven dat de gedachte achter deze bepaling is dat bij ondernemers met een privéonderneming de gemeenschap op een gelijke wijze zou moeten meeprofiteren als wanneer de echtgenoot zou werken voor een salaris. In deze casus constateerde het Gerechtshof dat op basis van de stukken en de standpunten van partijen de met de onderneming gegenereerde inkomsten tijdens het huwelijk al volledig ten bate van beide echtgenoten zijn gekomen en de inkomsten zijn aangewend voor het betalen van de kosten van de huishouding. Aan een redelijke vergoeding kom je dan niet meer toe.

In een beslissing van de rechtbank Amsterdam uit april 2023 werd wel een redelijke vergoeding toegekend. De rechtbank overwoog dat de redelijke vergoeding aan de hand van concrete omstandigheden moet worden vastgesteld. Dergelijke omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de volledige waardestijging ten bate van de gemeenschap komt. De vrouw had in deze zaak echter onvoldoende gesteld en zodoende niet voldaan aan haar stelplicht. Dit betekent volgens de rechtbank echter niet dat de vrouw geen deel van de vermogenstoename van de onderneming toekomt. Dit had ermee te maken dat de man had erkend dat twee derde deel van de waardestijging van de onderneming aan de gemeenschap toekomt. De vrouw ontving dus de helft hiervan.

In 2024 is een belangrijke uitspraak gedaan over de redelijke vergoeding door de rechtbank Gelderland. In die zaak had de man een voorhuwelijkse onderneming.  De vrouw maakte aanspraak op de redelijke vergoeding. De rechtbank hield rekening met de omstandigheid dat de man zijn eigen inkomen kon bepalen en het eigen vermogen van de vennootschap steeg. De man zocht aansluiting bij het minimale gebruikelijk loon van een dga, de vrouw ging uit van de helft van de behaalde winst. De rechter ging hier allebei niet in mee. De rechtbank overwoog dat het om een open norm gaat en de winst uit onderneming van invloed kan zijn bij het bepalen van de hoogte van de redelijke vergoeding. De winst is echter niet maatgevend.  De rechtbank vond een vergoeding van € 140.000,00 per huwelijksjaar redelijk. De rechtbank heeft aangesloten bij een beloning die de man in een gelijksoortige onderneming of omstandigheden zou ontvangen als ondernemer, hierbij werd wel rekening gehouden met hetgeen al ten goede was gekomen aan de gemeenschap en met de latente belastingclaim.

Tip! Maak voorafgaand aan het huwelijk afspraken over de invulling van het begrip ‘redelijke vergoeding’ of wijk af van de wettelijke regeling in huwelijkse voorwaarden.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit vergoedingsrecht kan worden vastgesteld aan de hand van de toegenomen waarde van het privévermogen. Ook dient het vertrekpunt in kaart te worden gebracht: wat was de waarde van de voorhuwelijkse onderneming ten tijde van de huwelijksvoltrekking? Op welke grondslag heeft deze waardering plaatsgevonden? Heeft deze waardering plaatsgevonden door een professional waar beide echtgenoten vertrouwen in hebben?

Tip! Wanneer u de rechtsonzekerheid die de beperkte gemeenschap van goederen op dit punt met zich meebrengt zo veel mogelijk wilt voorkomen, doet u er verstandig aan huwelijkse voorwaarden te laten opstellen.

Tip! Leg het vermogen of de waarde van de onderneming en het privévermogen van partijen voor het huwelijk nauwkeurig vast.

Ongelijke verdeling huwelijkse goederengemeenschap en verrekenbeding is aangepakt

Per 1 januari 2026 is de Successiewet aangepast. Aanleiding is de uitkomst van een arrest van de Hoge Raad van begin 2024 waarbij twee echtgenoten huwelijkse voorwaarden aangingen in het zicht van overlijden van een van hen. De Hoge Raad oordeelde dat de ongelijke verdeling – waarbij de langstlevende 90% kreeg toebedeeld – niet in strijd was met de wet. Het voordeel in deze casus bestond eruit dat de achterblijvende partner minder erfde en er dus minder erfbelasting hoefde te betalen dan bij een gelijke verdeling (50%-50%).

Het kabinet wilde deze constructie bestrijden. De wijziging van de Successiewet gaat echter veel verder. Vanaf 1 januari 2026 wordt namelijk schenk- of erfbelasting geheven bij elke ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap en bij elk toegepast verrekenbeding waarbij aan een partner meer toekomt dan de helft van de gemeenschap of de te verrekenen som. Hiermee worden dus niet alleen huwelijkse voorwaarden getroffen die gewijzigd zijn in het zicht van overlijden, maar alle huwelijkse voorwaarden waarvan het effect is dat er een ongelijke verdeling ontstaat.

De wijziging van de Successiewet betekent vanaf 1 januari 2026:

  • Bij overlijden: als een partner bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap of bij uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als verkrijging op grond van erfrecht. Afhankelijk van de hoogte en andere verkrijgingen, is de langstlevende partner hierover erfbelasting verschuldigd.
  • Bij echtscheiding: als een partner door ontbinding van de huwelijksgemeenschap of uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als schenking. Afhankelijk van de hoogte en andere schenkingen is hierover schenkbelasting verschuldigd.

Let op! Er geldt overgangsrecht. Huwelijkse voorwaarden waarin al een ongelijke verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is overeengekomen vóór 16 september 2025 16.00 uur en huwelijkse voorwaarden waarin al een finaal verrekenbeding met ongelijke breukdelen is overeengekomen vóór 16 september 2025 16.00 uur worden niet getroffen door de wetswijziging.

Alle huwelijkse voorwaarden die vanaf 16 september 2025 16.00 uur zijn aangegaan, worden wel volledig door de wetswijziging getroffen. Ook huwelijkse voorwaarden die vanaf 16 september 2025 16.00 uur worden gewijzigd, waarbij aanpassingen in het gemeenschappelijke vermogen naar ongelijke breukdelen plaatsvindt, worden vanaf 1 januari 2026 volledig door de wetswijziging getroffen. Dit geldt ook als ongelijke verdeling op dat moment iets minder ongelijk wordt (bijvoorbeeld van 90:10 naar 60:40). Het is wel mogelijk om andere wijzigingen in de huwelijkse voorwaarden aan te brengen zonder het overgangsrecht te verliezen.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

 
Door |2026-06-24T10:01:47+02:007 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen
  • Nieuwe wijziging youngtimerregeling per 2027

Nieuwe wijziging youngtimerregeling per 2027

Youngtimerregeling in 2026

Met ingang van 2026 is de youngtimerregeling gewijzigd. In 2026 bedraagt daardoor de bijtelling voor privégebruik van een auto die zestien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen 35% van de waarde in het economisch verkeer. In 2025 lag de leeftijdsgrens voor deze regeling nog op vijftien jaar.

Overgangsregeling in 2026

Is de auto in 2026 jonger dan zestien jaar, maar vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedraagt de bijtelling in 2026 25% van de cataloguswaarde. Heeft een dergelijke auto geen CO2-uitstoot, dan kan tot een cataloguswaarde van € 30.000 in 2026 een bijtellingspercentage van 21% worden toegepast.

Voor de auto die in 2025 al aan dezelfde werknemer ter beschikking werd gesteld en die in 2025 vijftien jaar of ouder was, geldt een overgangsregeling. Voor deze auto mag heel 2026 nog uitgegaan worden van een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer.

Huidige wettelijke regels youngtimerregeling vanaf 2027

Met ingang van 1 januari 2027 gaat, onder de huidige wettelijke regels, de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling in een keer naar 25 jaar. Er geldt dan geen overgangsrecht meer.

Nieuwe wijziging youngtimerregeling vanaf 2027

De Tweede kamer meent dat de korte overgangsperiode in de huidige youngtimerregeling voor onbedoelde neveneffecten zorgt voor verkopers en gebruikers van youngtimers. De Tweede Kamer vindt dan ook dat de regering moet afzien van de verhoging van de leeftijdsgrens in een keer naar 25 jaar met ingang van 1 januari 2027.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om de verhoging naar 25 jaar vanaf 1 januari 2027 geleidelijk te laten plaatsvinden. Dit zou dan gecombineerd kunnen worden met een hoger bijtellingspercentage dan 35% over de waarde in het economische verkeer.

E-timerregeling?

De Tweede Kamer doet ook het verzoek om een e-timerregeling uit te werken om te voorkomen dat elektrische leaseauto’s die na vier of vijf jaar vrijkomen uit de lease massaal naar het buitenland worden geëxporteerd.

Door |2026-06-24T10:01:47+02:007 april 2026|Reacties uitgeschakeld voor Nieuwe wijziging youngtimerregeling per 2027