Nieuwsbank artikelen

  • Gps-fout parkeerapp komt voor risico van parkeerder

Gps-fout parkeerapp komt voor risico van parkeerder

Parkeerbelasting betaald in andere gemeente

Een parkeerder betaalde via een parkeerapp parkeerbelasting, maar door een gps-fout betaalde hij parkeerbelasting in een andere gemeente dan de gemeente waar zijn auto stond. Omdat voor de werkelijke parkeerlocatie niet was betaald, legde de gemeente een naheffingsaanslag op.

Volgens het hof mag van een parkeerder worden verwacht dat hij controleert of de door de app voorgestelde parkeerzone overeenkomt met de plaats waar hij heeft geparkeerd. Dit geldt in het bijzonder wanneer de parkeerlocatie dicht bij een zonegrens of gemeentegrens ligt. De fout in deze zaak was niet veroorzaakt door onjuiste informatie in de app over tarief- of parkeerzone maar door de werking van het gps-signaal. Deze fout komt volgens het hof voor risico van de parkeerder.

Onderscheid tussen parkeerzone en tarief

Het hof maakt onderscheid tussen de selectie van de parkeerzone en de juistheid van het getoonde tarief. De parkeerder moet eerst controleren of de juiste zone is geselecteerd. Is dat het geval, dan mag hij in beginsel vertrouwen op het tarief dat de app voor die zone toont. De verantwoordelijkheid van de gemeente ziet volgens deze benadering op de juistheid van de informatie die zij aan de aanbieder van de parkeerapp verstrekt. Die verantwoordelijkheid strekt zich volgens het hof niet uit tot een onjuiste zoneselectie als gevolg van een gps-fout.

Let op! Controleer bij het starten van een parkeeractie altijd of de door de app voorgestelde parkeerzone overeenkomt met de plaats waar de auto staat. Dit is extra belangrijk in de buurt van een zone- of gemeentegrens. Bewaar bij twijfel zo mogelijk schermafbeeldingen van de locatie, de voorgestelde en geselecteerde zone, het tarief en de parkeeractie.

Verhouding tot arrest Hoge Raad

In een eerder arrest (5 juni 2020) oordeelde de Hoge Raad dat een parkeerder mocht vertrouwen op het tarief dat in een door de gemeente toegestane parkeerapp werd getoond. Het onjuiste tarief was in die zaak veroorzaakt door een fout in de informatie-uitwisseling tussen de gemeente en de aanbieder van de app. De gemeente had daardoor volgens de Hoge Raad niet aan haar informatieplicht voldaan; van de parkeerder kon niet worden verlangd dat hij het tarief in de app ook nog vergeleek met de bebording of de parkeerautomaat.

De uitspraak van het hof ligt daarmee gedeeltelijk in het verlengde van het arrest van de Hoge Raad, maar brengt ook een nieuwe risicoverdeling aan. Daarbij kan de vraag worden gesteld of een gps-fout werkelijk buiten de risicosfeer van de gemeente behoort te vallen. De gemeente staat immers het gebruik toe van een parkeerapp die automatisch een zone voorstelt. Het is uiteindelijk aan de Hoge Raad om hierover duidelijkheid te geven.

Door |2026-10-22T17:00:31+02:0014 oktober 2026|Reacties uitgeschakeld voor Gps-fout parkeerapp komt voor risico van parkeerder
  • Per 1 november wijziging Eerstejaars Ziektewet-beoordelingen

Per 1 november wijziging Eerstejaars Ziektewet-beoordelingen

Eigenrisicodragers ZW

Een werkgever kan er twee keer per jaar voor kiezen om eigenrisicodrager voor de ZW (hierna eigenrisicodrager) te worden. Dat betekent dat hij zelf de ZW-uitkeringen moet betalen van werknemers die ziek uit dienst zijn gegaan gedurende de periode van 104 weken loonbetaling, bijvoorbeeld na afloop van een contract voor bepaalde tijd. Een eigenrisicodrager moet ook zelf door een gecontracteerde Arbodienst of bedrijfsarts laten vaststellen of er recht bestaat op een ZW-uitkering. Is dat het geval, dan moet de eigenrisicodrager de uitbetaling van de uitkering verzorgen en is hij verantwoordelijk voor de re-integratie. 

Eerstejaars ZW-beoordeling

Op grond van de Ziektewet is het UWV verplicht om na een jaar te beoordelingen of een werknemer nog steeds in aanmerking komt voor een ZW-uitkering. Er wordt beoordeeld of de werknemer 65% of meer van zijn loonwaarde kan verdienen. Is dit het geval, dan vervalt het recht op een ZW-uitkering. In de praktijk voerde het UWV deze eerstejaars ZW-beoordeling niet meer uit vanwege een capaciteitsgebrek bij het UWV.

Gewijzigde werkwijze

Vanaf 1 november 2026 komt het UWV echter met een nieuwe aanpak. Eigenrisicodragers kunnen vanaf die datum zelf werknemers bij het UWV melden als de kans groot is dat de ZW-uitkering voor hen kan stoppen. Om die kans te beoordelen moet de eigenrisicodrager een screening uitvoeren. Daarbij moet gekeken worden naar werknemers die minimaal 44 en maximaal 54 weken ziek zijn. De bedrijfsarts van de eigenrisicodrager, eventueel ondersteund door derden zoals bijvoorbeeld een arbeidsdeskundige, bekijkt dan of er een reële kans is dat de ZW-uitkering kan stoppen.

Waarom?

Omdat het UWV op dit moment meer ZW-beoordelingen moet uitvoeren dan zij aankan, gelet op de beschikbare capaciteit, is gekozen voor een beoordeling van die gevallen waarbij een reële kans aanwezig is dat zij hun ZW-uitkering verliezen. Er vindt dus een prioritering plaats voor wat betreft de eerstejaars ZW-beoordelingen.

Let op! In mei 2026 is al een pilot gestart wat betreft deze werkwijze met een beperkt aantal administratiekantoren (Acture, HCS, Robidus). De werkwijze is per 1 november dus beschikbaar voor alle eigenrisicodragers.

Door |2026-10-22T17:00:31+02:0013 oktober 2026|Reacties uitgeschakeld voor Per 1 november wijziging Eerstejaars Ziektewet-beoordelingen
  • Geen generieke verlaging invorderingsrente coronabelastingschulden

Geen generieke verlaging invorderingsrente coronabelastingschulden

Standaard betalingsregeling

In de coronaperiode konden ondernemers vanaf 2020 tot 1 april 2022 uitstel van betaling krijgen voor hun belastingschulden. Vanaf 1 oktober 2022 moeten zij die via de standaard betalingsregeling voor coronaschulden in 60 maandelijkse termijnen aflossen. Deze regeling loopt voor veel coronabelastingschulden op 1 oktober 2027 af.

Let op! Voorwaarde voor de standaard betalingsregeling is dat de ondernemer vanaf 1 oktober 2022 voldoet aan alle nieuwe aangifte- en betalingsverplichtingen. De ondernemer moet ook vanaf 1 oktober 2022 de 60 maandelijkse termijnen op tijd betalen. Gebeurt dat niet, dan kan de standaard betalingsregeling worden ingetrokken.

Achterstand op standaard betalingsregeling

De ondernemer die een achterstand oploopt op de betalingsregeling en die niet wil dat deze wordt ingetrokken kan de Belastingdienst vragen de betalingsregeling (tijdelijk) aan te passen. Zo bestaat de mogelijkheid voor een kwartaalbetaling in plaats van een maandbetaling. Een andere mogelijkheid is om één keer een periode van maximaal zes aaneengesloten maanden te stoppen met betalen. Tot slot bestaat er de mogelijkheid dat de standaard betalingsregeling wordt verlengd van 60 maanden (vijf jaar) naar zeven jaar.

Let op! Voor al deze mogelijkheden gelden voorwaarden én ze brengen (financiële) gevolgen (waaronder meer invorderingsrente) met zich mee. Kijk voor de voorwaarden en de gevolgen op de website van de Belastingdienst.

Stand coronabelastingschulden

Van de ruim 266.000 ondernemers die in 2022 begonnen aan de standaard betalingsregeling hebben ongeveer 89.000 hun schuld volledig afgelost. Ongeveer 79.000 ondernemers hadden medio augustus 2026 nog een coronabelastingschuld van totaal € 2,3 miljard. Bij ongeveer 100.000 ondernemers is de standaard betalingsregeling ingetrokken of is sprake van sanering of faillissement.

Let op! De Belastingdienst stuurt elk kwartaal een schuldenoverzicht en een overzicht van de verwerkte betalingen naar de ondernemer.

Geen generieke verlaging invorderingsrente

Ook komt er geen generieke verlaging van de invorderingsrente voor op dit moment nog openstaande coronabelastingschulden. Bij de standaard betalingsregeling is namelijk bewust niet afgezien van de invorderingsrente om een prikkel te houden tot tijdige betaling en aflossing. Bovendien vindt de staatssecretaris een verlaging van de invorderingsrente moeilijk uitlegbaar aan ondernemers die hun coronabelastingschuld wel tijdig of zelfs al helemaal hebben afgelost of die hun reguliere belastingschulden tijdig betalen.

Tip! De staatssecretaris wijst nog op geldfit.nl voor een laagdrempelig en onafhankelijk startpunt voor ondernemers die op zoek zijn naar hulp of advies bij hun belastingschulden.

Door |2026-10-22T17:00:31+02:0013 oktober 2026|Reacties uitgeschakeld voor Geen generieke verlaging invorderingsrente coronabelastingschulden
  • Subsidie Private Laadinfrastructuur (SPRILA) nog mogelijk

Subsidie Private Laadinfrastructuur (SPRILA) nog mogelijk

Voor wie?

Om voor de SPRILA in aanmerking te komen moet je onderneming in Nederland gevestigd zijn, economische activiteiten uitvoeren en ingeschreven staan bij de KVK. Je onderneming moet eigen elektrische voertuigen of bouwwerktuigen hebben.

Maar ook als je werknemers of je klanten elektrisch rijden kun je in aanmerking komen voor de SPRILA. Hetzelfde geldt als je vastgoedeigenaar bent en je huurders laadinfrastructuur nodig hebben.

Let op! Ga je als ondernemer de laadinfrastructuur exploiteren? Dan kom je niet in aanmerking voor de SPRILA.

Voorwaarden

Voorwaarde voor de SPRILA is dat je de laadinfrastructuur in Nederland op eigen terrein of op een gehuurd terrein plaatst. De laadinfrastructuur mag niet openbaar zijn, maar alleen op bepaalde momenten te gebruiken zijn door een specifieke groep gebruikers. 

Let op! Er gelden nog meer voorwaarden die je hier kunt vinden.

Hoogte subsidie laadinfrastructuur

De hoogte van de subsidie is afhankelijk van het soort laadstation (AC of DC) in combinatie met het maximaal aan het elektrisch voertuig te leveren vermogen.

De hoogte van de subsidiebedragen lopen op van € 400 voor een AC-laadstation met een vermogen vanaf 11 kW tot € 44.000 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 550 kW.

Let op! Als mkb-ondernemer kom je in aanmerking voor een verdubbeling van deze subsidiebedragen. Je hebt daarvoor een mkb-verklaring nodig, die je via deze link kunt maken.

Meer details over de hoogte van de subsidie vind je hier.

Subsidie batterij

Voor een batterij is maximaal tot 1.000 kWh subsidie mogelijk. Het subsidiebedrag is € 60 per kWh. Voor mkb’ers is dit € 85 per kWh. Voor de batterij gelden aanvullende voorwaarden.

Aanvragen

Aanvragen van de SPRILA is al mogelijk vanaf 20 januari 2026. Begin juni 2026 zijn de budgetten verhoogd voor laadinfrastructuren en batterijen. Begin oktober 2026 was van de € 68.500.000 voor laadinfrastructuren met AC- of DC-laadstations € 56.337.003 aangevraagd. Voor batterijen was op dat moment € 34.426.278 van de € 45.000.000 budget aangevraagd.

Is je subsidie lager dan € 25.000, dan ontvang je het volledige subsidiebedrag in één keer. Bij subsidies vanaf € 25.000, krijg je eerst een voorschot van 50%.

Let op! Aanvragen kan nog tot 18 december 12.00 uur. Houd er rekening mee dat de budgetten mogelijk eerder al op zijn.

OV-concessiehouders en touringcarbedrijven

OV-concessiehouders en touringcarbedrijven kunnen ook in aanmerking komen voor de SPRILA. Begin oktober 2026 was van het beschikbare budget van € 9.000.000 van deze groep € 1.124.308 aangevraagd.

Door |2026-10-22T17:00:32+02:0012 oktober 2026|Reacties uitgeschakeld voor Subsidie Private Laadinfrastructuur (SPRILA) nog mogelijk
  • Voorstel Zelfstandigenwet openbaar

Voorstel Zelfstandigenwet openbaar

Twee toetsen

Het wetsvoorstel introduceert twee toetsen: 

  1. de zelfstandigentoets, en 
  2. de werkrelatietoets.

Zelfstandigentoets

Bij de zelfstandigentoets vindt een beoordeling plaats of de zelfstandige zich ook als echte zelfstandige gedraagt. Denk hierbij aan zaken als het hebben van een KvK en een btw-nummer, een aparte rekening voor zakelijke transacties en meerdere opdrachtgevers (minimaal drie in het lopende en afgelopen kalenderjaar). Het is mogelijk om jarenlang één klant te hebben mits er daarnaast ook andere klanten zijn van enige omvang.

Let op! Dit criterium van minimaaldrie opdrachtgevers zorgt wel voor de nodige kritiek.

De zelfstandige moet verder jaarlijks een zeker minimumbedrag besteden aan bepaalde voorzieningen om ondernemersrisico’s af te dekken zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering, een pensioenvoorziening en een verzekering tegen bedrijfsaansprakelijkheid. 

Let op!Dit minimumbedrag wordt later bekendgemaakt. Het gaat om een vast bedrag, ongeacht omzet of tarief. Ook dit punt heeft tot kritiek geleid. Het is dus wachten of deze punten nog aangepast worden.

Werkrelatietoets

De werkrelatietoets beoordeelt of de werkende zich binnen een specifieke opdracht als echte zelfstandige gedraagt. Daarvoor geldt dat beide partijen de wil moeten hebben om buiten een arbeidsovereenkomst te werken. Daarnaast moet de werkende vrij zijn om te bepalen hoe, waar en wanneer hij de werkzaamheden uitvoert (locatie- en tijdsgebonden werk uitgezonderd) en het werk voor eigen rekening en risico uitvoeren.

Veilige haven

De wet is niet verplicht, maar biedt een optie voor wie vooraf zekerheid wil (de ‘veilige haven’). Daarbij geldt dat er geen rangorde en geen weging is. Als er aan één criterium niet wordt voldaan, dan geeft de wet geen zekerheid. Van belang is de feitelijke uitvoering en niet wat op papier staat. Verliest een zelfstandige tijdens de opdracht een criterium, dan vervalt de veilige haven vanaf dat moment.

Wie niet aan de criteria van de wet voldoet, is niet vanzelf een werknemer. Er volgt dan een reguliere beoordeling, waarbij nog steeds geoordeeld kan worden dat sprake is van zelfstandigheid.

Let op! De wet is niet nodig en hoeft daarom niet toegepast worden op zelfstandigen bij wie duidelijk is dat ze zelfstandige zijn. Denk aan zelfstandigen die eenmalige – vaak korte – diensten leveren aan bedrijven, zoals advieswerk, het geven van een training, of een eenmalig financieel advies.

Uitvoering

Een mogelijk opdrachtgever kan wat betreft de zelfstandigentoets bij een zzp’er navraag doen of deze aan genoemde criteria voldoet. Ook kan de zelfstandige zelf een dergelijke verklaring voorzien van bewijs opstellen. Daarnaast wordt het mogelijk dat er gewerkt wordt met een ‘derdenverklaring’, waarbij bijvoorbeeld een accountant of boekhouder zo’n verklaring afgeeft.

De voorwaarden voor de werkrelatietoets moeten opdrachtgever en opdrachtnemer per opdracht gezamenlijk afspreken en vastleggen, en in de praktijk ook zo uitvoeren.

Controlerende instanties, zoals de Belastingdienst of de Arbeidsinspectie, hebben als taak om te controleren of er in de praktijk ook wordt gewerkt conform wat is afgesproken.

Invoering

De beoogde invoering is 1 januari 2028, maar de wet moet nog worden ingediend bij de Tweede Kamer en daarna nog door de Eerste Kamer worden behandeld.

Let op! De consultatie loopt van 1 oktober tot en met 29 oktober 2026.

Door |2026-10-22T17:00:32+02:0012 oktober 2026|Reacties uitgeschakeld voor Voorstel Zelfstandigenwet openbaar
  • Afschaffing bosbouwvrijstelling per 2029 zonder overgangsrecht

Afschaffing bosbouwvrijstelling per 2029 zonder overgangsrecht

Bosbouwvrijstelling

Voordelen uit een bosbedrijf zijn bij toepassing van de bosbouwvrijstelling vrijgesteld van inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting. Door de brede definitie van de begrippen ‘voordelen’ en ‘bos’ kunnen zowel bosbouwbedrijven als niet-bosbouwbedrijven van de vrijstelling gebruikmaken.

Voorbeelden van niet-bosbouwbedrijven die (deels) gebruik kunnen maken van de bosbouwvrijstelling zijn bedrijven die winst maken met de verkoop van kerstbomen- en takken, de verhuur of verkoop van grafrechten op natuurbegraafplaatsen en de verkoop van snoeisel, zoals taxushagen voor de farmaceutische industrie. 

Afschaffing per 1 januari 2029

Het kabinet stelt voor om de bosbouwvrijstelling per 1 januari 2029 af te schaffen omdat onderzoeksbureau SEO de bosbouwvrijstelling negatief heeft beoordeeld op doeltreffendheid en doelmatigheid. Zo is ruim 99% van de gebruikers van de bosbouwvrijstelling een niet-bosbouwbedrijf. Het kabinet vindt bovendien dat de afschaffing van de bosbouwvrijstelling het belastingstelsel eenvoudiger maakt.

Geen overgangsrecht

Het voorstel is om de bosbouwvrijstelling in een keer af te schaffen zonder overgangsrecht.

Let op! Het voorstel tot afschaffing van de bosbouwvrijstelling is opgenomen in het Belastingplan 2027. De Tweede en de Eerste Kamer moeten nog instemmen hiermee. De afschaffing per 2029 is dus nog niet definitief.

Volgt de landbouwvrijstelling en cultuurgrondvrijstelling ook?

Het Financieel Dagblad meldt dat in aanloop naar begrotingsbesprekingen in het voorjaar van 2027 verkend wordt hoe fiscale landbouwregelingen kunnen worden afgeschaft of hervormd. LTO meldt in reactie daarop dat Staatssecretaris Eerenberg van Financiën in de Algemene Financiële Beschouwingen heeft aangegeven op dit moment niet te willen tornen aan de landbouwvrijstelling.

Hoewel onderzoeksbureau SEO ook de landbouwvrijstelling negatief beoordeeld heeft op doeltreffendheid en doelmatigheid, lijkt het er op dit moment daarom niet op dat de landbouwvrijstelling in 2027 als volgende aan de beurt is om afgeschaft te worden.

Het is niet duidelijk of dit ook geldt voor de cultuurgrondvrijstelling in de overdrachtsbelasting bij aankoop van landbouwgrond. Ook deze vrijstelling is door onderzoeksbureau SEO negatief beoordeeld.

Door |2026-10-22T17:00:33+02:009 oktober 2026|Reacties uitgeschakeld voor Afschaffing bosbouwvrijstelling per 2029 zonder overgangsrecht
  • Expatregeling (voorheen 30%-regeling) vanaf 2027 27%

Expatregeling (voorheen 30%-regeling) vanaf 2027 27%

Expatregeling

Als een werknemer aan de voorwaarden voor de expatregeling voldoet, kun je op dit moment maximaal 30% van het loon belastingvrij vergoeden aan die werknemer.

Hierbij geldt wel een maximum aan loon waarover je de 30% mag berekenen. Dit maximum is de zogenaamde WNT-norm. Deze bedraagt in 2026 € 262.000. De maximale belastingvrije vergoeding onder de expatregeling bedraagt daarom in 2026 € 78.600 (30% van € 262.000).

Van 30% naar 27%

Vanaf 2027 gaat de maximale vergoeding van 30 naar 27%. De WNT-norm bedraagt in 2027 € 273.000. De maximale belastingvrije vergoeding onder de expatregeling bedraag daarom in 2027 € 73.710 (27% van € 273.000).

Let op! Alleen voor werknemers waarvoor je al vóór 2024 de expatregeling toepaste, mag je vanaf 2027 nog het percentage van 30% gebruiken, zolang de periode van 60 maanden nog niet verstreken is.

Salarisnorm deskundigheid omhoog

Om aan de expatregeling deel te kunnen nemen moet de werknemer een specifieke deskundigheid hebben die niet of nauwelijks op de Nederlandse arbeidsmarkt te vinden is. Dit is een lastig criterium en daarom is hieraan een salarisnorm gekoppeld. Als het salaris van de werknemer hoger is dan deze salarisnorm, wordt de werknemer geacht over de specifieke deskundigheid te beschikken.

Deze salarisnorm bedraagt in 2026 € 48.013. Voor werknemers die instromen en jonger zijn dan 30 jaar en hun masterdiploma hebben behaald, is de norm lager (in 2026 € 36.497).

Deze bedragen gaan in 2027 omhoog. Deze verhoging is in 2024 al aangekondigd naar € 50.436 respectievelijk € 38.338. Op deze verhoging moet nog wel de indexatie vanaf 2025 worden toegepast. De exacte bedragen zijn daarom nog niet bekend.

Tip! Paste je al vóór 2024 de expatregeling toe voor je werknemer, dan geldt de verhoogde salarisnorm niet voor deze werknemer.

Overigens geldt geen salarisnorm voor werknemers die voor wetenschappelijk onderzoek of onderwijs werken bij bepaalde onderzoekinstellingen en voor werknemers die arts in opleiding tot specialist (aios) zijn.

Let op! Er gelden nog meer voorwaarden voor toepassing van de expatregeling. Laat je daarover informeren door onze adviseurs.

Overgangsrecht

Voor werknemers die vóór 2024 de expatregeling al toepasten, geldt dus overgangsrecht. Zij mogen gedurende het restant van de 60 maanden nog 30% toepassen en hoeven bovendien niet te voldoen aan de verhoogde salarisnorm.

Stapt de werknemer over naar een andere werkgever en blijft de expatregeling van toepassing? Dan blijft ook het overgangsrecht van toepassing.

Let op! De expatregeling kan van toepassing blijven als de nieuwe werkgever en de werknemer gezamenlijk binnen vier maanden na indiensttreding een verzoek daartoe doen. Bovendien mag de periode tussen het einde van arbeidsovereenkomst bij de oude werkgever en de totstandkoming van de nieuwe arbeidsovereenkomst bij de nieuwe werkgever niet langer zijn dan drie maanden.

Werkelijke kosten (ETK-regeling)?

Je kunt er ook voor kiezen om in plaats van toepassing van de expatregeling, de werkelijke extraterritoriale kosten (ETK) te vergoeden. Deze keuze kan je een keer per jaar maken in het eerste loontijdvak en geldt dan voor het gehele kalenderjaar.

Door |2026-10-22T17:00:33+02:008 oktober 2026|Reacties uitgeschakeld voor Expatregeling (voorheen 30%-regeling) vanaf 2027 27%
  • Year-end tips: what can or must you still sort out in 2026?

Year-end tips: what can or must you still sort out in 2026?

Please note! Due to significant uncertainty as to whether the government’s plans will be approved by the House of Representatives and the Senate, some of the tips below may still change (in part) before the end of the year. Please bear this in mind!

1. Should you pay a dividend in 2026, or not?

Should you pay a dividend this year, or would it be better to wait until 2027? There is no one-size-fits-all answer to this question. In any case, be sure to take the following points into consideration:

  • It may be wise to set a dividend equal to the first tax bracket of 24.5 per cent. In 2026, this bracket extends up to €68,843 and, if you have a tax partner, up to €137,686. Above that threshold, the rate is 31 per cent.
  • Bear in mind, however, that the dividend payment may cause your general tax credit to fall further. As a result, the dividend payment may be less attractive than anticipated. If you are no longer entitled to the general tax credit anyway, this effect will not apply. Please discuss this with our advisers. You should also do so if you have already reached state pension age, due to the potential impact of the dividend payment on the elderly tax credit.
  • The government has proposed a plan to reduce the second tax bracket of 31% by 1.8 percentage points to 29.2% in the years 2027 to 2030 inclusive. This may be a reason to defer any dividend exceeding the first tax bracket of €68,843/€137,686 until 2027. Given that the first tax bracket of 24.5 per cent – which is likely to rise to €69,607 in 2027 (or €139,214 for tax partners) – will be reached first, deferring this dividend until 2027 seems a more sensible option in any case.
  • Whether it is sensible to pay out a dividend in 2026 will also depend on how the proceeds are to be used. Will you spend the 2026 dividend, or will it fall straight into Box 3 at the start of 2027? The latter scenario makes the dividend payment at 24.5% slightly less favourable.
  • If the dividend payment is necessary to reduce an excessive loan balance to below the threshold for excessive borrowing, then the dividend will have to be paid out in 2026 in any case.

Please note! Discuss your own situation with our advisers. They can calculate the effect of the dividend payment on, for example, your tax credits and your tax liability in Box 3. Based on this, you can decide whether or not to pay out a dividend. At present, the advice is to wait for the time being until there is a little more clarity on which tax plans will ultimately be passed by the House of Representatives and the Senate.

2. Bear in mind the reduction in the threshold for excessive borrowing

The measure concerning excessive borrowing from one’s own company broadly means that a director and major shareholder who borrows too much from their own private limited company will pay Box 2 tax on this amount. A threshold of €500,000 currently applies, but the government intends to lower this limit to €100,000. This will be implemented in five stages of €80,000 per year, starting in 2027. By the end of 2027, the threshold will stand at €420,000, and by the end of 2031, the €100,000 limit will have been reached. Although the measure still needs to be passed by the House of Representatives and the Senate, it may well be wise to factor the reduction in the threshold into your dividend planning.

Please note! As is currently the case, home loan debts remain exempt under the proposal and will therefore not count towards the threshold from 2027 onwards. However, for home loan debts incurred on or after 1 January 2023, the condition applies that these must be secured by a mortgage registered against the property.

3. Prepare for the 12% additional employer’s levy on company-owned fossil-fuel cars

From 2027, a 12% pseudo-final levy will apply to company cars if these vehicles emit CO₂ (hereinafter: fossil-fuelled company cars). This levy is calculated on the basis of the car’s list price (and, for cars older than 25 years, on the basis of its market value). This is an employer’s levy that you are not permitted to pass on to the employee! Furthermore, the employee may also be liable for the additional tax liability relating to private use.

So what can you still do now to avoid this levy in 2027?

  • Ensure that the fossil-fuelled passenger car is already made available to an employee by 31 December 2026. You will then not have to pay the 12% pseudo-final levy on this car until 31 December 2030, even if you make the car available to another employee.
  • Ensure that the passenger cars you make available to your staff are fully electric or hydrogen-powered. These passenger cars do not emit any CO₂. The 12% pseudo-final levy therefore does not apply to these cars.

Any vehicle that is not a passenger car, such as a van, lorry or tractor, is also exempt from the 12% pseudo-final levy. Please note, however, that a campervan and a minibus may also be classified as passenger cars. Check the classification in the vehicle registration register. An M1 vehicle is a passenger car!

Please note! When changing employers, the transitional arrangement – which normally runs until 31 December 2030 – ceases to apply. This is because the transitional arrangement is linked to the car in combination with the employer. If a former employee takes the car with them to a new employer, that link is broken and the transitional arrangement lapses. The new employer will then be subject to the 12% pseudo-final levy from day one.

There are still a number of exceptions to the 12% pseudo-final levy. For example, under certain conditions, a replacement car is exempt from the levy for up to fourteen consecutive days, and manual-gearbox driving school cars are also exempt.

4. Still in the private limited company in 2026?

There may be various reasons for setting up a private limited company in 2026 and transferring your income tax business into it. One reason could be that you were already planning to do this and also wish to transfer a fossil-fuelled passenger car into the company:

  • If you do this in 2026 and make the car available through the private limited company by the end of 2026 at the latest, you can benefit from the transitional arrangements until 31 December 2030 at the latest. You will not be subject to the 12% pseudo-final levy until then.
  • If you do not set up the private limited company until 2027, the 12% pseudo-final levy will apply from day one of the company’s incorporation. This is the case even if, for income tax and corporation tax purposes, you can transfer the sole trader business retroactively from 1 January 2026 via a silent transfer!

If you contribute the income tax business to the private limited company in 2026 with a tax settlement, you can still benefit from the cessation allowance of €3,630. In 2027, this allowance will fall to €908. If you still have a FOR that is due to be released, you can also make use of the cessation allowance in the event of a silent contribution.

Furthermore, a number of the entrepreneur’s income tax benefits will be further scaled back. For example, the self-employed person’s allowance will fall from €1,200 in 2026 to €900 in 2027; the additional self-employed person’s allowance for a start-up will fall from €2,123 in 2026 to €10 in 2027; and the family business allowance will be reduced by 75% in 2027.

This may also be a reason to switch to a private limited company (BV) in 2026.

Please note! Whether it is advantageous to transfer your income tax-registered business into a private limited company naturally depends not only on the 12% pseudo-final levy, the cessation allowance and other business tax deductions. In addition to tax considerations, other factors, such as limited liability, may also play a role. You should therefore consult our advisers to determine whether switching to a private limited company might be advisable. Do not wait too long to do so. You will need a solicitor to set up a private limited company, and solicitors’ diaries generally fill up quickly towards the end of the year.

5. Check whether the new authorisation scheme for labour providers affects you

From 2027, a new authorisation scheme will come into force for parties that supply workers (labour providers). This is regulated by the Labour Supply Authorisation Act (Wtta).

The licensing scheme applies to anyone who makes workers (including self-employed persons) available to third parties. This includes temporary employment agencies, secondment agencies and agencies that supply self-employed persons. However, even a private limited company that supplies its director-major shareholder to another company may fall under the licensing scheme!

Fortunately, there are exceptions. For example, peer-to-peer lending where no profit is made is not subject to the authorisation scheme. The same applies to lending and borrowing within a group of companies.

If no exception applies, you may be able to apply for an exemption. This is possible if your income from lending services in a given year amounts to less than 10 per cent of your total income and that income does not exceed €5 million per year. In addition, an accountant must certify annually that these thresholds are not exceeded.

Please note! To be able to make use of a transitional arrangement, it is important that you submit an application between 1 November 2026 and 31 December 2026! This will ensure that you can continue to lend for the time being. It is, however, important that you also submit an application for admission to the scheme between 1 May 2027 and 30 June 2027. If you have an SNA quality mark by 30 June 2027 at the latest, you do not need to register for the transitional scheme in 2026. You will, however, still need to apply for admission between 1 May 2027 and 30 June 2027.

6. Postpone the purchase of a Box 3 property until 2027

A property that is not your main residence – for example, a holiday home or a property you let out – falls under Box 3. If you are planning to purchase such a property, it may be advantageous to have the transfer at the solicitor’s take place in 2027 rather than in 2026.

This is because the transfer tax on the acquisition of properties that are not your main residence is currently still 8 per cent, but will be 7 per cent from 2027 onwards. Furthermore, the flat-rate Box 3 tax on bank balances (should you purchase the property using bank balances) is considerably lower than that applied to the property itself, which is classified as other assets.

7. Consider your (electric or old) car

For a new, fully electric car made available in 2026, an additional tax liability of 18 per cent applies to the first €30,000 of the list price and 22 per cent on the amount above that. If the new, fully electric car is first made available in 2027, the additional tax liability will be 20 per cent on the first €30,000 of the list price and 22 per cent on the amount above that. If the car runs on hydrogen or is powered by solar panels, the €30,000 limit does not apply and the additional tax liability in 2026 will be 18 per cent of the full list price, and in 2027 20 per cent of the full list price. These additional tax rates apply for a period of 60 months. This may be a reason to try to acquire a car with zero CO₂ emissions in 2026, or failing that, in 2027.

If your car with CO₂ emissions falls under the ‘youngtimer’ scheme, the additional tax liability will not be 22 per cent (or 25 per cent for a car first registered before 2017) of the list price, but 35 per cent of the market value. The ‘youngtimer’ scheme will apply in 2026 if the car is 16 years old or older on 1 January 2026, or if it was already at your disposal in 2025 and turns 16 in 2026. From 1 January 2027, the age limit is likely to rise to 17 years (it is currently 25 years) and from 1 January 2028 to 20 years. Do you drive the ‘youngtimer’ through your income tax business, such as a sole trader? If so, you may wish to transfer the car to your private name. Normally, this isn’t possible without further ado, but due to the legislative change, there may be options available. Please discuss this with our advisers.

8. Make use of your allowance under the work-related expenses scheme (wkr)

Check whether you have any remaining allowance under the work-related expenses scheme (wkr) and make use of it. In 2026, this allowance amounts to 2 per cent of the first €400,000 of the wage bill and 1.18 per cent above that amount. Any allowance remaining in 2026 cannot be carried forward to 2027!

Incidentally, the allowance will increase slightly in 2027. It will then amount to 2.16% on the first €400,000 of the wage bill and 1.18% on the amount above that.

Please note! The targeted exemption for staff discounts on sector-specific products will be abolished from 2027. Therefore, only in 2026 will you still be able to grant a targeted exemption for a reimbursement or discount of up to 20 per cent of the product’s market value, with a maximum of €500 per employee per year.

9. Ensure you comply with the new share option scheme for start-ups and scale-ups

A new, attractive scheme for share options at start-ups and scale-ups is due to come into force, probably from 2027. Under the new scheme, 35% of the benefit (= the difference between the proceeds from the sale of the shares on the one hand and the contribution and purchase price of the shares on the other) remains tax-free. Furthermore, the employee only pays tax upon the sale of the shares acquired through the share options.

Various conditions apply, and the Netherlands Enterprise Agency (RVO) must classify your company as an innovative start-up or scale-up. What is important for now is that share option rights granted on or after 17 April 2025 may be eligible for the new scheme. It is therefore important that these share option rights have not yet been included in payroll tax as at 31 December 2026. In any case, ensure that share option rights granted on or after 17 April 2025 meet this requirement.

Door |2026-10-22T17:00:33+02:008 oktober 2026|Reacties uitgeschakeld voor Year-end tips: what can or must you still sort out in 2026?
  • Eindejaarstips: wat kun of moet je nog regelen in 2026?

Eindejaarstips: wat kun of moet je nog regelen in 2026?

Let op! Vanwege grote onzekerheid of plannen van het kabinet wel door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd, kan een aantal van onderstaande tips voor het einde van het jaar (deels) nog wijzigen. Houd daar rekening mee!

1. Dividend uitkeren in 2026 of toch niet?

Moet je dit jaar nog dividend uitkeren of kun je beter wachten tot 2027? Het antwoord op die vraag is niet voor iedereen gelijk te beantwoorden. Neem in je overweging in ieder geval de volgende punten mee:

  • Het kan verstandig zijn een dividend vast te stellen ter grootte van de eerste schijf van 24,5%. Deze schijf loopt in 2026 tot € 68.843 en als je een fiscale partner hebt tot € 137.686. Boven die grens bedraagt het tarief 31%.
  • Houd er wel rekening mee dat door de dividenduitkering mogelijk je algemene heffingskorting extra daalt. Hierdoor kan de dividenduitkering toch minder aantrekkelijk zijn dan gedacht. Heb je sowieso al geen recht meer op de algemene heffingskorting, dan treedt dit effect overigens niet op. Overleg hierover met onze adviseurs. Doe dat ook als je de AOW-gerechtigde leeftijd al hebt bereikt, in verband met een mogelijk effect van de dividenduitkering op de ouderenkorting.
  • Het kabinet heeft een plan geopperd om de tweede schijf van 31% in de jaren 2027 tot en met 2030 te verlagen met 1,8%-punt naar 29,2%. Dit kan een reden zijn om het dividend dat uitstijgt boven de eerste schijf van € 68.843/€ 137.686 uit te stellen naar 2027. In verband met het eerst volmaken van de eerste schijf van 24,5% die in 2027 loopt tot waarschijnlijk € 69.607 (bij fiscale partners € 139.214), lijkt uitstellen naar 2027 van dit dividend sowieso verstandiger.
  • Of het verstandig is om in 2026 nog dividend uit te keren, zal ook afhankelijk zijn van het bestedingsdoel. Geef je het dividend in 2026 nog uit of valt dit begin 2027 meteen in box 3? Dat laatste maakt de dividenduitkering tegen 24,5% weer iets minder gunstig.
  • Als de dividenduitkering nodig is om een excessieve leningstand te verminderen tot onder de grens voor het excessief lenen, zal het dividend ook sowieso in 2026 moeten worden uitgekeerd.

Let op! Overleg over je eigen situatie met onze adviseurs. Zij kunnen berekenen wat het effect van de dividenduitkering op bijvoorbeeld je heffingskortingen is en je belasting in box 3. Aan de hand daarvan kun je beslissen om wel of niet dividend uit te keren. Op dit moment is het advies in ieder geval nog even te wachten totdat er iets meer duidelijkheid is over welke belastingplannen de eindstreep in de Tweede en Eerste Kamer gaan halen.

2. Houd rekening met verlaging bedrag excessief lenen

De maatregel excessief lenen bij de eigen vennootschap betekent grofweg dat de dga die te veel leent bij de eigen bv, hierover box 2-heffing betaalt. Er geldt nu nog een drempel van € 500.000, maar het kabinet wil de grens verlagen naar € 100.000. Dit gebeurt dan in vijf stappen van € 80.000 per jaar, te beginnen in 2027. Eind 2027 bedraagt de grens dan € 420.000 en eind 2031 is de € 100.000-grens bereikt. Hoewel de maatregel nog door de Tweede en Eerste Kamer moet worden aangenomen, is het misschien wel goed om in je dividendplanning al rekening te houden met de verlaging van de drempel.

Let op! Eigenwoningschulden blijven in het voorstel, net als nu, uitgezonderd en tellen dus ook vanaf 2027 niet mee voor de drempel. Voor eigenwoningschulden die zijn ontstaan op of na 1 januari 2023 geldt wel de voorwaarde dat deze moeten zijn gedekt met hypothecaire inschrijving op de woning.

3. Anticipeer op 12% extra werkgeversheffing over de fossiele auto van de zaak

Vanaf 2027 geldt een 12% pseudo-eindheffing voor personenauto’s van de zaak als deze auto’s CO2 uitstoten (hierna: fossiele personenauto van de zaak). Deze heffing wordt berekend over de cataloguswaarde van de auto (en bij auto’s ouder dan 25 jaar over de waarde in het economisch verkeer). Het is een werkgeversheffing die je niet mag verhalen op de werknemer! Bovendien kan daarnaast ook de werknemer nog worden geconfronteerd met de bijtelling over het privégebruik. 
Want kun je nu nog doen om de heffing in 2027 te voorkomen?

  • Zorg dat de fossiele personenauto op 31 december 2026 al ter beschikking staat aan een werknemer. Voor deze personenauto hoef je dan tot en met 31 december 2030 geen 12% pseudo-eindheffing te betalen, ook niet als je de auto aan een andere werknemer ter beschikking stelt.
  • Zorg dat de personenauto’s die je aan je personeel ter beschikking stelt volledig elektrisch of waterstof aangedreven zijn. Deze personenauto’s stoten geen CO2 uit. De 12% pseudo-eindheffing geldt daarom niet voor deze auto’s.

Alles wat geen personenauto is, zoals een bestelauto, vrachtwagen en tractor, wordt ook niet geraakt door de 12% pseudo-eindheffing. Houd er echter rekening mee dat een kampeerauto en een personenbus ook een personenauto kunnen zijn. Kijk hiervoor in het kentekenregister naar de aanduiding. Een M1-voertuig is een personenauto!

Let op! Bij wisseling van werkgever stopt het overgangsrecht dat normaal loopt tot en met 31 december 2030. Dit overgangsrecht is namelijk gekoppeld aan de auto in combinatie met de werkgever. Als een ex-werknemer de auto meeneemt naar een nieuwe werkgever is die combinatie verbroken en vervalt het overgangsrecht. De nieuwe werkgever krijgt dan vanaf dag 1 met de 12% pseudo-eindheffing te maken.

Er geldt nog een aantal uitzonderingen op de 12% pseudo-eindheffing. Zo valt onder voorwaarden een vervangende auto gedurende maximaal veertien aaneengesloten dagen niet onder de heffing en is de handgeschakelde lesauto ook uitgezonderd.

4. In 2026 de bv nog in?

Er kunnen verschillende redenen zijn om in 2026 nog een bv op te richten en je IB-onderneming in te brengen in de bv. Een van de redenen kan zijn dat je dit toch al van plan bent en ook een fossiele personenauto wilt inbrengen in de bv. Er bestond onduidelijkheid of het overgangsrecht van de 12% pseudo-eindheffing zou blijven bestaan bij inbreng van een IB-onderneming na 31 december 2026. Om die reden was, voor behoud van het overgangsrecht, het advies om de bv op te richten in 2026 en de personenauto uiterlijk eind 2026 vanuit de bv ter beschikking te stellen.

Voor behoud van het overgangsrecht van de 12% pseudo-eindheffing is dat echter niet nodig. De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief van 16 oktober 2026 namelijk aangegeven dat het overgangsrecht ook van toepassing blijft als een personenauto vóór 1 januari 2027 mede voor privédoeleinden ter beschikking staat aan een IB-ondernemer. Als deze IB-ondernemer zijn onderneming met de personenauto inbrengt in een bv, geldt voor deze personenauto het overgangsrecht, aldus de staatssecretaris. Ook als de oprichting van de bv en de inbreng pas plaatsvindt na 31 december 2026. 

Maar er kunnen nog andere redenen zijn om je IB-onderneming in 2026 nog in te brengen in een bv.

Breng je de IB-onderneming in 2026 ruisend (met fiscale afrekening) in de bv in? Dan kun je nog profiteren van de stakingsaftrek van € 3.630. In 2027 daalt deze aftrek naar € 908. Heb je nog een FOR die vrijvalt, dan kun je bij een geruisloze inbreng overigens ook gebruikmaken van de stakingsaftrek.

Ook wordt een aantal voordelen van de ondernemer in de inkomstenbelasting verder versoberd. Zo daalt de zelfstandigenaftrek van € 1.200 in 2026 naar € 900 in 2027, daalt de extra zelfstandigenaftrek van een starter van € 2.123 in 2026 naar € 10 in 2027 en gaat de meewerkaftrek in 2027 met 75% omlaag. Dit kan ook aanleiding zijn om in 2026 over te stappen naar een bv.

Let op! Of het aantrekkelijk is om je IB-onderneming in te brengen in de bv is uiteraard niet alleen afhankelijk van de stakingsaftrek en andere ondernemersaftrekken. Naast fiscale argumenten kunnen ook andere argumenten, zoals de aansprakelijkheidsbeperking, een rol spelen. Overleg daarom met onze adviseurs of overstap naar de bv raadzaam is. Wacht daarmee niet te lang. Voor de oprichting van een bv heb je een notaris nodig en de agenda’s van notarissen lopen over het algemeen snel vol aan het einde van het jaar.

5. Controleer of het nieuwe toelatingsstelsel voor uitleners jou raakt

Vanaf 2027 is een nieuw toelatingsstelsel voor partijen die werknemers uitlenen (uitleners) van kracht. Dit is geregeld in de Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta).

Het toelatingsstelsel geldt voor iedereen die arbeidskrachten (ook zzp’ers) ter beschikking stelt aan derden. Denk aan uitzenders, detacheerders en uitleners van zzp’ers. Maar ook de bv die de dga uitleent aan een andere onderneming kan onder het toelatingsstelsel vallen!

Gelukkig zijn er uitzonderingen. Zo valt collegiale uitleen waarbij geen winst wordt gemaakt niet onder het toelatingsstelsel. Hetzelfde geldt voor in- en uitleen binnen concernverband.

Is er geen uitzondering van toepassing, dan kun je misschien om ontheffing verzoeken. Dit kan als je inkomsten uit uitlenen in een jaar minder dan 10% van je totale inkomsten zijn én die inkomsten niet hoger zijn dan € 5 miljoen per jaar. Daarbij moet een accountant dan jaarlijks verklaren dat deze drempels niet worden overschreden.

Let op! Om gebruik te kunnen maken van een overgangsregeling is het belangrijk dat je tussen 1 november 2026 en 31 december 2026 een aanmelding doet! Zo regel je dat je voorlopig kunt blijven uitlenen. Belangrijk is dan wel dat je ook tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027 een aanvraag tot toelating tot het stelsel doet. Heb je uiterlijk op 30 juni 2027 een SNA-keurmerk, dan hoef je geen aanmelding voor de overgangsregeling te doen in 2026. Je moet dan wel een aanvraag tot toelating doen tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027.

6. Stel de aankoop van box 3-woning uit naar 2027

Een woning die niet jouw hoofdverblijf is, bijvoorbeeld een vakantiewoning of een woning die je verhuurt, valt in box 3. Ben je van plan zo’n woning aan te schaffen, dan kan het voordelig zijn om de overdracht bij de notaris niet in 2026, maar in 2027 plaats te laten vinden. De overdrachtsbelasting voor de verkrijging van woningen die niet je hoofdverblijf zijn, bedraagt namelijk nu nog 8%, maar vanaf 2027 7%. Bovendien is de forfaitaire box 3-heffing over een banktegoed (mocht je de woning met banktegoeden aanschaffen) een stuk lager dan over de woning die als overige bezitting wordt aangemerkt.

7. Denk na over je (elektrische of oude) auto

Voor een in 2026 ter beschikking gestelde volledig elektrische nieuwe auto geldt een bijtelling van 18% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Wordt de volledig elektrische nieuwe auto in 2027 voor het eerst ter beschikking gesteld, dan is de bijtelling 20% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Rijdt de auto op waterstof of met zonnepanelen, dan geldt de beperking tot € 30.000 niet en bedraagt de bijtelling in 2026 18% over de gehele cataloguswaarde en in 2027 20% over de gehele cataloguswaarde. Deze bijtellingspercentages gelden voor een periode van 60 maanden. Dit kan misschien reden zijn om te proberen in 2026 nog, of anders in 2027, een auto zonder CO2-uitstoot ter beschikking te krijgen.

Valt je auto met CO2-uitstoot onder de youngtimerregeling, dan bedraagt de bijtelling geen 22% (of 25% bij een auto met eerste toelating vóór 2017) over de cataloguswaarde, maar 35% over de waarde in het economisch verkeer. De youngtimerregeling is in 2026 van toepassing als de auto op 1 januari 2026 16 jaar of ouder is of in 2025 al aan jou ter beschikking stond en in 2026 16 jaar wordt. Vanaf 1 januari 2027 gaat de leeftijdsgrens waarschijnlijk omhoog naar 17 jaar (dit is nu nog 25 jaar) en vanaf 1 januari 2028 naar 20 jaar. Rij je de youngtimer vanuit je IB-onderneming, bijvoorbeeld een eenmanszaak? Dan wil je de auto misschien wel overbrengen naar privé. Normaal gesproken kan dat niet zomaar, maar in verband met de wetswijziging zijn er misschien mogelijkheden. Overleg daarover met onze adviseurs.

8. Benut je ruimte in de werkkostenregeling (WKR)

Controleer of je nog vrije ruimte over hebt in de WKRen benut deze. In 2026 bedraagt deze vrije ruimte 2% over de eerste € 400.000 loonsom en 1,18% daarboven. Vrije ruimte die je in 2026 overhebt, kun je niet doorschuiven naar 2027!

In 2027 gaat de vrije ruimte overigens iets omhoog. Deze bedraagt dan 2,16% over de eerste € 400.000 loonsom en 1,18% daarboven.

Let op! De gerichte vrijstelling voor personeelskorting op branche-eigen producten verdwijnt vanaf 2027. Alleen in 2026 kun je daarom nog gericht vrijgesteld een vergoeding of korting geven van maximaal 20% van de waarde in het economisch verkeer van het product, met een maximum per werknemer van € 500 op jaarbasis.

9. Zorg dat je voldoet aan nieuwe regeling aandelenopties bij start-ups en scale-ups

Er komt, waarschijnlijk met ingang van 2027, een nieuwe, aantrekkelijke regeling voor aandelenopties bij start-ups en scale-ups. Onder de nieuwe regeling blijft 35% van het voordeel (= het verschil tussen de verkoopopbrengst van de aandelen enerzijds en de inleg en de koopsom van de aandelen anderzijds) belastingvrij. En de werknemer betaalt pas belasting bij verkoop van de aandelen die met de aandelenopties zijn verkregen.

Er gelden allerlei voorwaarden en de RVO moet jouw onderneming aanmerken als een innovatieve start-up of scale-up. Belangrijk voor nu is dat aandelenoptierechten die op of na 17 april 2025 zijn toegekend, mogelijk gebruik kunnen maken van de nieuwe regeling. Het is dan van belang dat deze aandelenoptierechten op 31 december 2026 nog niet in de loonbelasting zijn betrokken. Zorg er in ieder geval voor dat de vanaf 17 april 2025 toegekende aandelenoptierechten daaraan voldoen.

Door |2026-10-22T17:00:34+02:008 oktober 2026|Reacties uitgeschakeld voor Eindejaarstips: wat kun of moet je nog regelen in 2026?
  • Terecht beperkte aftrek pensioen bij scheiding voor 1 mei 1995

Terecht beperkte aftrek pensioen bij scheiding voor 1 mei 1995

Verschil scheiding voor of vanaf 1 mei 1995

Bij scheidingen voor 1 mei 1995 wordt het opgebouwde pensioen dat aan de ex-partner toekomt via verrekening aan hem of haar toebedeeld. De pensioengerechtigde ontvangt dan wel het hele pensioen, maar moet het aan de ex-partner toekomende deel doorbetalen aan hem of haar.

Voor scheidingen vanaf 1 mei 1995 geldt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS). De ex-partner ontvangt onder deze wet het aan hem of haar toekomende deel van het pensioen rechtstreeks van het pensioenfonds.

Verschil belastingdruk

Door invoering van de tariefmaatregel in 2020 zijn persoonsgebonden aftrekposten beperkt in aftrek. In 2026 is de aftrek maximaal 37,56 %. Hierdoor kan er een verschil ontstaan tussen het in aftrek gebracht doorbetaalde pensioen (maximaal aftrekbaar tegen 37,56 %) en de belasting over het doorbetaalde pensioen (maximaal belast tegen het hoogste tarief van 49,50%).

Dit verschil kan alleen ontstaan bij scheidingen van voor 1 mei 1995. Bij scheidingen vanaf 1 mei 1995 doet zich dit niet voor, omdat het pensioen rechtstreeks door het pensioenfonds betaald wordt aan de ex-partner.

Toch geen strijd met gelijkheidsbeginsel

In een casus die werd voorgelegd bij gerechtshof Den Haag over iemand die voor 1 mei 1995 scheidde van zijn partner, oordeelde het gerechtshof dat dit verschil in behandeling in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. Het gerechtshof stond daarom aftrek van het doorbetaalde pensioen toe, zonder toepassing van de tariefmaatregel.

De Hoge Raad oordeelde echter dat een scheiding van voor 1 mei 1995 en een scheiding vanaf 1 mei 1995 geen gelijke gevallen zijn. Er kan daarom ook geen strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel. Gevolg is dat op de aftrek van het doorbetaalde pensioen de tariefmaatregel gewoon van toepassing is.

Door |2026-10-22T17:00:34+02:007 oktober 2026|Reacties uitgeschakeld voor Terecht beperkte aftrek pensioen bij scheiding voor 1 mei 1995