Nieuws zonder blog

Terugdraaien startersvrijstelling overdrachtsbelasting niet mogelijk

Kopers van 18 tot 35 jaar oud kunnen bij aankoop van een eigen woning onder voorwaarden een beroep doen op een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Dit kan slecht één keer en een eenmaal gedaan verzoek kan niet teruggedraaid worden.

Startersvrijstelling
De vrijstelling van overdrachtsbelasting bij aankoop van een eigen woning wordt ook wel de startersvrijstelling genoemd. Kopers van 18 tot 35 jaar kunnen een beroep doen op deze vrijstelling. Voorwaarden hiervoor zijn verder onder meer dat de kopers zelf voor langere tijd de woning gaan bewonen en dat de waarde van de woning onder een bepaald bedrag blijft (de woningwaardegrens).

Deze woningwaardegrens bedraagt in 2023 € 440.000, maar gaat per 1 januari 2024 omhoog naar € 510.000. Heb jij een woning gekocht voor meer dan € 440.000 en maximaal € 510.000, dan zou het aantrekkelijk kunnen zijn om overdracht bij de notaris te verplaatsen naar 2024. Houd daarbij wel in de gaten dat je blijft voldoen aan de overige voorwaarden voor de startersvrijstelling (bijvoorbeeld de leeftijdsvoorwaarde!).

Eenmalig
Het beroep op de startersvrijstelling is slechts één keer mogelijk. Als een koper al eerder gebruikmaakte van de startersvrijstelling, kan dat dus niet nog een keer. De Belastingdienst bevestigde onlangs dat een nieuw verzoek ook niet mogelijk is als het eerdere verzoek wordt teruggedraaid.

Een belanghebbende die in 2022 voor het eerst een woning kocht en verzocht om toepassing van de startersvrijstelling, had deze vraag aan de Belastingdienst gesteld. Deze belanghebbende wilde namelijk in 2023 een duurdere woning kopen. Als de startersvrijstelling uit 2022 teruggedraaid zou worden, zou deze belanghebbende in 2023 een hogere vrijstelling kunnen krijgen. De Belastingdienst staat dit echter niet toe.

Gebruik startersvrijstelling
Uit monitoring van het gebruik van de startersvrijstelling blijkt dat in 2022 in 65.000 notariële akten een beroep is gedaan op de startersvrijstelling. Bij 7.000 hiervan werd deels ook een beroep gedaan op het 2%-tarief. Dit gebeurt bijvoorbeeld als een van de partners niet aan de voorwaarden voor de startersvrijstelling voldoet (bijvoorbeeld vanwege het bereiken van de leeftijd van 35). In 2022 werd bij 133.000 notariële akten het 2%-tarief toegepast.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-07-14T09:38:27+02:0014 juli 2023|Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Terugdraaien startersvrijstelling overdrachtsbelasting niet mogelijk

Rechter vindt bijtelling auto geen algemeen bekend feit

Als aan je een auto ter beschikking staat, is in beginsel de bijtelling vanwege het privé gebruik van toepassing. Rechtbank Zeeland-West-Brabant vindt dit echter geen algemeen bekend feit. Dit betekent dat de Belastingdienst aanvullend bewijs nodig heeft voor het opleggen van een vergrijpboete wanneer de bijtelling niet is toegepast.

Werkzaam in autobranche
In de betreffende zaak had een belastingplichtige die zelf werkzaam was in de autobranche geen bijtelling toegepast. De Belastingdienst corrigeerde zijn aangiften inkomstenbelasting over de betreffende jaren met zo’n €21.000 aan navorderingen plus ruim €2.650 aan vergrijpboetes.

Bewijslast inspecteur
Als de aangifte zodanig wordt ingevuld dat er te weinig belasting wordt betaald en er sprake is van ‘grove schuld’, kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen. De inspecteur moet dan wel bewijzen op grond van welke feiten en omstandigheden hij heeft aangenomen dat er sprake is van grove schuld. Daarnaast moet de inspecteur bewijzen dat deze feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.

Algemene bekendheid voldoende?
De inspecteur stelde dat het voor degenen die werkzaam zijn in de autobranche van algemene bekendheid is dat voor een ter beschikking gestelde auto een bijtelling geldt vanwege het privé gebruik, tenzij er met de auto niet meer dan 500 kilometer privé wordt gereden. Nu belastingplichtige geen kilometerregistratie had bijgehouden en geen bijtelling had aangegeven, was hij ernstig nalatig geweest. Hij had moeten begrijpen dat hierdoor te weinig belasting zou worden geheven, aldus de inspecteur.

Bewijs onvoldoende
De rechtbank is echter van oordeel dat het gestelde niet van algemene bekendheid is. De inspecteur had de grove schuld niet op een andere wijze onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de grove schuld van de belanghebbende niet is gebleken. De rechtbank schrapt de boetes dan ook.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-07-14T09:35:59+02:0014 juli 2023|Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Rechter vindt bijtelling auto geen algemeen bekend feit

Voor het eerst in jaren laat de bouw een winstdaling zien

De bouw heeft de omzet in 2022 verder zien aantrekken, maar de winstontwikkeling was voor het eerst in jaren negatief. De omzet steeg met bijna 10%, terwijl de winst met ruim 14% daalde. Na een periode van groei lijkt de branche zich te moeten opmaken voor een krimp in 2023 en het volgende jaar. Dit blijkt uit het nieuwe SRA-Rapport ‘Branches in Zicht 2023, de harde cijfers van Nederlandse ondernemingen’.

Bouw blijft achter bij het mkb-gemiddelde
De omzetgroei in de bouw van bijna 10% was veel sterker dan in 2021 (bijna 5%), maar dit lijkt vooral te komen door de hoge inflatie. De bouw blijft hiermee achter bij het mkb-gemiddelde van ruim 13%. De winstdaling van ruim 14% volgde op een winstgroei van ruim 7% in 2021. Ook in dit opzicht blijft de branche achter bij het mkb-cijfer (1,5% groei). De ontwikkeling van de brutomarge was weliswaar positief (2,7%), maar kon het mkb-gemiddelde van 6,6% evenmin bijbenen.

Grote verschillen binnen de bouw
Binnen de bouw liepen de resultaten sterk uiteen. Zo is het deel van de bouwbedrijven dat de omzet stabiel heeft zien blijven of heeft zien toenemen, gestegen van ruim 64% in 2021 naar bijna 70%. In bijna een kwart van de gevallen ging het zelfs om een omzetstijging van 50% of meer. Tegelijkertijd zag slechts ongeveer de helft van de bouwbedrijven de winst stabiliseren of stijgen (tegenover ruim 60% in 2021). Ruim 30% van de bedrijven in de bouw kreeg echter een winstdaling van 50% of meer voor de kiezen.

Krimp voor bouwinstallateurs
Wat betreft deelbranches is de omzetontwikkeling vooral sterk bij installateurs en de afwerking van gebouwen, op de voet gevolgd door de gespecialiseerde bouw. De winstontwikkeling was echter in al deze deelbranches negatief. Vooral bouwinstallateurs hielden in 2022 onderaan de streep aanmerkelijk minder over dan een jaar eerder, toen de cijfers heel erg goed waren.

Loonkosten stijgen relatief beperkt
Uit de cijfers van SRA-BiZ blijkt dat de personeelskosten in de bouw in 2022 met bijna 7% zijn gestegen. Deze toename was minder sterk dan in 2021 (7,7%) en ook minder sterk dan gemiddeld in het mkb (ruim 10%). De loonkosten zijn met ruim 3% toegenomen, min of meer in lijn met een jaar eerder. In het mkb stegen de loonkosten gemiddeld met ruim 5%.

Financiële positie verslechterd
De financiële positie van bedrijven in de bouw is verslechterd. Uit de analyse van SRA-BiZ blijkt dat het percentage ondernemingen dat aan de financiële verplichtingen kan voldoen (een PD-rating <1%), is uitgekomen op 83,6. Dit betekent een teruggang ten opzichte van het voorgaande jaar (ruim 89). De branche doet het nog wel beter dan het mkb-gemiddelde, dat van 86,4% naar bijna 78% ging. Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-07-14T12:41:49+02:0014 juli 2023|Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Voor het eerst in jaren laat de bouw een winstdaling zien

Rechter: informatieverstrekking bij discussie opbrengstlimiet niet nodig

Gemeentes kunnen voor tal van diensten heffingen opleggen. Daarbij is er vaak discussie of de opbrengsten hiervan de kosten niet overschrijden. Door de rechter is nu beslist dat gemeentes bij dergelijke discussies geen informatie over opbrengsten en kosten meer hoeven te verstrekken.

Opbrengstlimiet
Voor de meeste gemeentelijke heffingen geldt dat de opbrengsten ervan de kosten niet te boven mogen gaan, de zogenaamde opbrengstlimiet. Gebeurt dat wel, dan komt de heffing geheel of gedeeltelijk te vervallen. Of de opbrengstlimiet wordt overschreden, moet blijken uit gemeentelijke stukken, zoals de begroting.

Informatievoorziening
Op basis van een arrest van de Hoge Raad werd er tot nu toe van uitgegaan dat gemeentes verplicht zijn om inzage te geven in de kosten en opbrengsten van heffingen. Op basis hiervan moeten belastingplichtigen zelf (kunnen) checken of een gemeente de opbrengstlimiet overschrijdt.

Online mogelijkheden
De rechtbank is van mening dat het niet meer van deze tijd is dat gemeentes inzage geven in kosten en baten die van invloed zijn op de opbrengstlimiet. Deze informatie is tegenwoordig namelijk eenvoudig online te vinden. Een belastingplichtige had bezwaar gemaakt tegen zijn aanslagen afvalstoffenheffing, rioolbelasting en watersysteemheffing en aangevoerd dat ter zake de opbrengstlimiet was overschreden. Hij beklaagde zich erover dat de gemeente hem hiervoor niet van de noodzakelijke informatie had voorzien, maar de rechter ging hier niet in mee.

Rol gemachtigde
Behalve dat stukken inzake de gemeentelijke begroting eenvoudig online zijn te raadplegen, had de bezwaarmaker ook gebruikgemaakt van een professionele gemachtigde. Deze was volgens de rechtbank deskundig genoeg om te weten waar de benodigde informatie ter onderbouwing van het bezwaar te vinden was. De bezwaren werden dan ook afgewezen.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-07-14T12:50:28+02:0014 juli 2023|Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Rechter: informatieverstrekking bij discussie opbrengstlimiet niet nodig

Eisen verplichte energiebesparing aangescherpt

Bedrijven die veel energie verbruiken zijn verplicht om energiebesparende maatregelen te nemen. Deze verplichting is per 1 juli 2023 aangescherpt. De verplichting gaat voor meer bedrijven gelden en er worden maatregelen verplicht gesteld die betrekking hebben op de productie van hernieuwbare energie en hernieuwbare energiedragers, dan wel de overstap hierop.

Verplichte energiebesparing
Er bestaat al een energiebesparingsplicht voor bedrijven met een energiegebruik van ten minste 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas per jaar. Deze bedrijven zijn verplicht alle mogelijke energiebesparende maatregelen te nemen met een terugverdientijd van maximaal vijf jaar.

Besparingsplicht voor meer bedrijven
Nieuw is dat ook voor ETS-ondernemingen, de glastuinbouw en bedrijven die over een omgevingsvergunning milieu dienen te beschikken, de energiebesparingsplicht per 1 juli 2023 geldt.

ETS-ondernemingen zijn bedrijven die verplicht moeten deelnemen aan het Emission Trade System, een handelssysteem voor de CO2-uitstoot van de industrie. In dat systeem moeten bedrijven voor elke ton aan CO2-uitstoot één emissierecht inleveren, dat men kan kopen en eventueel verhandelen.

Het aantal emissierechten wordt jaarlijks lager vastgesteld, zodat bedrijven ofwel steeds duurdere emissierechten moeten kopen, ofwel moeten investeren in het beperken van de uitstoot.

Maatregelenlijst energiebesparing
Met het oog op de verplichte energiebesparing is ook de erkende maatregelenlijst energiebesparing (EML) ontwikkeld. Op deze lijst staan 149 energiebesparende maatregelen, waarvan de terugverdientijd maximaal vijf jaar bedraagt. De EML bestaat uit de onderdelen gebouwen, faciliteiten en processen, waarbij voor ieder onderdeel diverse maatregelen zijn opgenomen.

Voor de glastuinbouw verschijnt de EML waarschijnlijk in juli 2023.

Onderzoeksplicht
Voor grote energieverbruikende bedrijven bestaat ook een onderzoeksplicht. Die geldt voor bedrijven met een jaarlijks energieverbruik vanaf 10 miljoen kWh elektriciteit of 170.000 m3 gas. Deze bedrijven moeten alle kosteneffectieve maatregelen onderzoeken én hiervoor een uitvoeringsplan opstellen. Je kan op een speciale site checken of je hieraan moet voldoen.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-07-14T09:29:06+02:0014 juli 2023|Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Eisen verplichte energiebesparing aangescherpt

Aftrek hypotheekrente eigen woning bij scheiden

Heb je een gezamenlijke eigen woning en ga je scheiden? Houd dan ook rekening met jouw aftrek hypotheekrente in jouw aangifte inkomstenbelasting. Die kan je namelijk niet in alle gevallen in aftrek blijven brengen.

Nog twee jaar aftrek hypotheekrente
Ga je scheiden en verlaat je de eigen woning? Dan heb je daarna, onder voorwaarden, nog twee jaar recht op aftrek van de hypotheekrente van die woning.

Je kunt alleen de betaalde rente in aftrek brengen voor jouw aandeel in de woning en de hypotheekschuld. Is jouw aandeel bijvoorbeeld 50%, dan kan je ook maar 50% van de hypotheekrente in aftrek brengen.

Aftrek rente als partneralimentatie?
Betaal je meer hypotheekrente dan jouw aandeel? Dan is het meerdere niet aftrekbaar als hypotheekrente eigen woning. Mogelijk kan je het meerdere wel als partneralimentatie in aftrek brengen in jouw aangifte inkomstenbelasting. Is jouw aandeel in de woning en de hypotheekschuld bijvoorbeeld 50%, maar betaal je 70% van de hypotheekrente? Dan kan je 50% in aftrek brengen als hypotheekrente eigen woning en mogelijk 20% als partneralimentatie.

Dit kan alleen als je ook daadwerkelijk met elkaar afgesproken heeft dat je deze partneralimentatie betaalt. Leg dit daarom schriftelijk vast in de afspraken die je onderling met elkaar maakt. Komt het tot een rechtszaak, dan kan de rechter je ook verplichten tot het betalen van deze partneralimentatie.

Complex
Het voorgaande lijkt misschien relatief eenvoudig, maar de fiscale regels rondom een eigen woning bij echtscheiding omvatten veel meer. Ze kunnen bijzonder complex zijn in scheidingssituaties. Elke situatie is bovendien uniek en kan tot andere fiscale gevolgen leiden.

Zo ondervond ook een belastingplichtige die na de scheiding in de eigen woning bleef wonen die op naam stond van zijn ex-partner. De belastingplichtige kon de hypotheekrente niet in aftrek brengen, omdat hij geen juridische of economische eigenaar was van de woning. In de huwelijkse voorwaarden was wel een finaal verrekenbeding opgenomen, maar dat hielp de belastingplichtige niet. Door dit verrekenbeding verkreeg hij namelijk geen eigendomsrecht, maar een vorderingsrecht op 50% van de woning.

Win advies in
Als je niet voldoet aan de fiscale regels, heb je mogelijk ook geen recht op aftrek hypotheekrente, terwijl je daar in jouw onderlinge afspraken wel rekening mee hield. Het is daarom belangrijk om je al vroeg in het proces te laten informeren over de fiscale gevolgen van de keuzes en afspraken die je met elkaar wilt maken. Op dat moment kan je namelijk nog andere keuzes maken. Als je zich pas bij het opstellen van jouw aangifte inkomstenbelasting laat informeren, is dit over het algemeen niet meer mogelijk.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-07-14T09:33:10+02:0014 juli 2023|Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Aftrek hypotheekrente eigen woning bij scheiden

Winst en investeringsvermogen mkb onder druk

Het midden- en kleinbedrijf heeft over 2022 gemiddeld een flink lagere winstgroei laten zien dan in voorgaande jaren, zo blijkt uit het nieuwe SRA-Rapport ‘Branches in Zicht 2023, de harde cijfers van Nederlandse ondernemingen’.

Paul Dinkgreve, bestuurslid van SRA, maakt zich daarom grote zorgen over het mkb. “Als bedrijven nog meer winst moeten inleveren en lenen bovendien steeds duurder wordt, staan de investeringen onder druk, mede gezien het feit dat in het afgelopen jaar al minder ondernemingen kredietwaardig waren.”

Meer omzet, winst blijft achter
De winst in het mkb is in 2022 gemiddeld met 1,5% toegenomen ten opzichte van het jaar ervoor. Dat is mager in vergelijking met de winstgroei van bijna 38% in 2021. Nooit eerder in het SRA-BiZ-onderzoek was de winstgroei zo beperkt. Voor het eerst in jaren waren er bovendien meer bedrijven die hun winst zagen afnemen (53,3%) dan bedrijven waarvan de winst gelijk bleef of steeg. Wel waren de verschillen tussen en binnen de branches groot. Zo moesten de industrie en de bouw het doen met een behoorlijke winstdaling, terwijl de winstgroei juist duidelijk bovengemiddeld was in transport & logistiek, de horeca en de automotive.

Ook ten opzichte van de omzetontwikkeling was de winstgroei in het mkb erg bescheiden. De omzet is in 2022 namelijk met 13,1% gestegen ten opzichte van het jaar ervoor. Het mkb heeft de hogere personeelskosten – die in 2022 met 10,2% stegen – en inflatie deels in de prijzen weten door te berekenen, maar daar zit vanwege de concurrentiepositie een grens aan.

Hoge kosten en inflatie
De bedrijfskosten zijn in het mkb in het afgelopen jaar relatief sterk gestegen, met bijna 14%. Hierbij was de krappe arbeidsmarkt van grote invloed. De toename van de personeelskosten van ruim 10% was veel sterker dan in voorgaande jaren. De lonen stegen met gemiddeld 5,4%.

Dinkgreve: “Het mkb heeft met de omzetstijging deels de hoge inflatie en personeelskosten in de prijzen kunnen doorrekenen, maar daar zit omwille van de concurrentiepositie een grens aan. Een omzetstijging van 13,1% lijkt nog aardig, maar is geflatteerd gezien de inflatie. Voor 2023 zal de inflatie hoog blijven en de klap van de hogere loonkosten moet in 2023 door de cao-afspraken nog komen. Ook zie je al een krimp van de economie in het eerste kwartaal van 2023 en zijn er magere groeiverwachtingen. In die context moeten ondernemers investeren in de energietransitie, digitalisering en innovatie om toekomstbestendig te blijven. Ik maak me daar echt zorgen om.”

Vooral microbedrijven voelen druk
Jacco Vonhof, voorzitter van MKB-Nederland, deelt deze zorg. Vooral als het gaat om het kleinere mkb. Het merendeel van het mkb bestaat uit microbedrijven. Uit de analyse van SRA-BiZ blijkt dat de winstontwikkeling juist in dit segment onder druk staat. 57% van de bedrijven met een omzet tot 1 miljoen euro heeft de winst vorig jaar zien dalen. Bij bijna 40% ging het zelfs om een krimp van 50% of meer. “Bij deze bedrijven zit innovatie vaak in de genen en zij hebben de potentie om gezond te groeien en goede oplossingen te zoeken en te vinden voor alle grote vraagstukken die er liggen”, zegt Vonhof in het SRA-Rapport. “Maar voor deze ondernemers wordt het steeds moeilijker en duurder om aan financiering te komen voor alle noodzakelijke ontwikkelingen die in aantocht zijn.”

“Als het micro-mkb op achterstand komt, raakt alles uit balans. Dat zou voor onze economie en de totale breedte van het bedrijfsleven bepaald geen goede zaak zijn. Als kleine ondernemers bezwijken onder de gevolgen van de huidige ontwikkelingen en grote bedrijven alsmaar verder consolideren, wordt de economie eenzijdiger en verliezen we het broodnodige innovatieve vermogen van juist de microbedrijven.” Volgens Vonhof is het cruciaal dat de lasten voor ondernemers met Prinsjesdag nu niet verder worden verhoogd. “Dat het kabinet is gevallen, mag niet leiden tot verdere vertraging van de aanpak van de grote problemen die er spelen ten aanzien van klimaat, stikstof en op de arbeidsmarkt. We gaan er dan ook van uit dat belangrijke wetgeving doorgang vindt en behandeld blijft worden nu het kabinet demissionair is.”

Kredietwaardigheid verslechterd
Het risico dat een onderneming in het mkb binnen een jaar failliet gaat, berekent SRA aan de hand van de PD-rating (Probability of Default). Dit is feitelijk het vermogen tot betaling. Hoe lager de PD-rating, hoe beter de mogelijkheden voor externe financiering. Uit berekeningen van SRA-BiZ komt naar voren dat gemiddeld 77,9% van het mkb vorig jaar een PD-rating van onder de 1% liet zien. Voor het eerst in jaren betekent dit een verslechtering ten opzichte van het voorgaande jaar (in 2021 was dit 86,4%). Vanaf 2015 tot en met 2021 was consistent een stijging van dit percentage zichtbaar.

De verschillen in kredietwaardigheid binnen en tussen de branches waren opnieuw groot. In transport & logistiek en de automotive is de kredietwaardigheid verbeterd ten opzichte van 2021. Specialistische zakelijke dienstverleners, de industrie, de horeca en de detailhandel laten de sterkste achteruitgang zien. Absoluut gezien hebben de logistieke branche, de bouw en de automotive nu de hoogste kredietwaardigheid, specialistische zakelijke dienstverleners de laagste.

Contact
Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-07-14T09:31:11+02:0014 juli 2023|Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Winst en investeringsvermogen mkb onder druk

Bemiddeling bij thuiszorg, btw of niet?

Met de toenemende vergrijzing neemt ook de vraag naar thuiszorg toe. Maar is bemiddeling bij deze thuiszorg aan te merken als gezondheidskundige verzorging en dus vrijgesteld van btw? Hof Den Haag vond dat bij werkzaamheden die verder gingen dan alleen bemiddelen, wel het geval.

Zorgverlening via zzp’ers
In bovenstaande zaak handelde het om een BV die thuiszorg aanbood via de inzet van zzp’ers. De BV was aangesloten bij een landelijke organisatie en functioneerde als ‘regionaal steunpunt’. De geboden thuiszorg kenmerkte zich door kleinschaligheid en direct contact via vaste aanspreekpunten.

Omvang dienstverlening
De omvang van de dienstverlening was breed. De BV zorgde voor de intake en de indicatie. De BV stelde vervolgens een zorgplan op en stelde het zorgteam samen, waarbij tal van zorgverleners konden worden ingezet. Ook stond de BV bij spoedgevallen klaar en zag toe op de voortgang en de kwaliteit van de zorg en zorgde aldus voor een altijd actueel zorgdossier.

Eén prestatie?
Het Hof boog zich allereerst over de vraag of er sprake was van één prestatie van de BV, de landelijke organisatie en de zorgverleners. Als dit het geval was, volgde het btw-tarief van de nevenprestatie namelijk het tarief van de hoofdprestatie (de zorg die btw-vrijgesteld is). Het Hof vond van niet. De zorgverleners hadden namelijk ieder een eigen takenpakket en voerden dit voor eigen rekening en risico uit. Zij droegen ieder ook de verantwoordelijkheid voor de eigen werkzaamheden en sloten waar nodig een verzekering af om de eigen aansprakelijkheid te kunnen dragen.

Vrijstelling toch van toepassing

Het Hof was echter toch van mening dat een vrijstelling voor medische diensten van toepassing was. De BV vervulde volgens het Hof namelijk een essentiële, specifieke rol bij het verlenen van de thuiszorg. Zonder deze werkzaamheden zou de thuiszorg immers niet van dezelfde kwaliteit zijn. De werkzaamheden zijn volgens het Hof dan ook niet enkel te typeren als bemiddeling, aangezien de BV niet alleen de betrokkenen bij elkaar bracht, maar ook de duur en de aard van de zorg bepaalde. Bovendien werd het proces gecoördineerd en werd er gerapporteerd en beoordeeld of er wijzigingen nodig waren om de kwaliteit te garanderen. Het Hof achtte de dienstverlening dan ook, in tegenstelling tot de rechtbank eerder, vrijgesteld van btw.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-07-07T15:34:21+02:007 juli 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Bemiddeling bij thuiszorg, btw of niet?

Compensatie transitievergoeding diepslapers en afhandeling door UWV

Ben je als werkgever nog bezig met het recht op compensatie voor de transitievergoeding voor dienstverbanden van langdurig zieke werknemers van wie het opzegverbod al vóór 1 juli 2015 was verstreken? Maar waarbij je het dienstverband pas na 1 juli 2015 hebt beëindigd? Daarover is nu duidelijkheid.

Wat was de discussie?
De transitievergoeding bij het beëindigen door de werkgever van het dienstverband, dan wel het niet verlengen van een tijdelijk contract, is sinds 1 juli 2015 wettelijk geregeld. Er bestond discussie over de vraag of er voor werkgevers ook recht op compensatie bestaat voor de dienstverbanden van langdurig zieke werknemers waarbij het opzegverbod al vóór 1 juli 2015 was verstreken, maar waarbij de werkgever het dienstverband pas na 1 juli 2015 had beëindigd.

Het UWV was aanvankelijk van mening dat dit niet het geval was, omdat de werkgever voor de ingangsdatum van de transitievergoeding het dienstverband had kunnen beëindigen. Dergelijke compensatieverzoeken van zogeheten diepslapers werden door het UWV afgewezen. De werknemer had dan wel recht op een transitievergoeding, maar de werkgever kreeg deze niet gecompenseerd.

Standpunt jurisprudentie
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft vorig jaar juni echter bepaald dat ook voor ‘oude’ gevallen, voor wie tussen 1 juli 2015 en de inwerkingtredingsdatum van de compensatieregeling transitievergoeding is betaald bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, compensatie gevraagd kan worden. Hiermee wordt benadrukt dat het doel van de compensatieregeling is om werkgevers te stimuleren ‘slapende dienstverbanden’ te beëindigen door cumulatie van kosten voor de werkgever te compenseren. Wel geldt dat er niet meer gecompenseerd wordt dan de transitievergoeding berekend na twee jaar ziekte, met in achtneming van de huidige rekenregels.

Uitvoeringspraktijk UWV
Het UWV heeft inmiddels aangegeven hoe er omgegaan wordt met dergelijke compensatieverzoeken.

Situatie 1
Stel dat je als werkgever in het verleden al een aanvraag voor compensatie had ingediend welke door het UWV was afgewezen, dan wijzigt die beslissing niet meer door de uitspraak van de CRvB. Het Ministerie van SZW heeft namelijk besloten dat het UWV herhaalde aanvragen niet opnieuw mag beoordelen.

Situatie 2
Heb je als werkgever daarentegen nog niet eerder een aanvraag ingediend, maar is het langer dan zes maanden geleden dat de volledige transitievergoeding is betaald? Dan is een nieuwe aanvraag te laat, omdat de aanvraagtermijn inmiddels is verstreken. Een verzoek om compensatie moet immers binnen zes maanden na de uitbetaling worden ingediend.

Situatie 3
In de overige situaties kun je, als u nog slapende dienstverband heeft van vóór 1 juli 2015, deze beëindigen en daarvoor een compensatieverzoek indienen bij het UWV.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-07-06T20:54:58+02:007 juli 2023|Nieuws, Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Compensatie transitievergoeding diepslapers en afhandeling door UWV

Wijzigingen gedifferentieerde Awf-premie van de baan

Een aantal voorgenomen wijzigingen in de gedifferentieerde premie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds (Awf) gaat na uitgebreid onderzoek niet door. Minister Van Gennip van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Tweede Kamer daarover onlangs geïnformeerd.

Waarom een gedifferentieerde Awf-premie?
Sinds de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is sprake van een hoge en lage Awf-premie. U mag als werkgever een lage Awf-premie toepassen als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Voldoet u daar niet aan, dan betaalt u een hoge Awf-premie. De voorwaarden betreffen de arbeidsovereenkomsten van uw werknemers en zijn bedoeld om vergaande flexibele contracten tegen te gaan en vaste contracten te beschermen.

Welke wijzigingen gaan niet door?
De wijzigingen die niet doorgaan betreffen drie gebieden:

* Wijziging Besluit Wet financiering sociale verzekeringen en Besluit nadere regels oproepovereenkomsten
Al eerder was goedgekeurd dat een tijdelijke urenuitbreiding niet standaard wordt aangemerkt als een tweede tijdelijke arbeidsovereenkomst waarvoor de hoge Awf-premie geldt. Ook was al eerder goedgekeurd dat een arbeidsovereenkomst waarin met een werknemer meerdere arbeidsomvangen zijn afgesproken (met een aantal uren per dag/per week/per maand met een gelijkmatige loonspreiding) niet als een oproepovereenkomst wordt beschouwd. Oorspronkelijk zou deze goedkeuringen alleen voor de jaren 2020 tot en met 2023 gelden. De aangekondigde wijziging gaat echter niet door, waardoor u in deze situaties ook vanaf 2024 de lage premie kunt blijven toepassen.

* Herzieningssituaties waarbij de lage Awf-premie moet worden afgedragen
In de WAB worden vier herzieningssituaties beschreven, situaties waarin door de feiten achteraf alsnog de hoge AWF-premie gaat gelden. Deze zijn bedacht om te voorkomen dat vaste contracten flexibel kunnen worden ingezet. Twee zijn er inmiddels ingevoerd. De lage Awf-premie moet namelijk worden herzien als de arbeidsovereenkomst binnen twee maanden na aanvang eindigt en ook wanneer de parttime werknemer in een kalenderjaar meer dan 30% extra uren werkt dan contractueel is overeengekomen.

De derde herzieningssituatie, waarin de werknemer binnen een jaar na aanvang van de arbeidsovereenkomst een werkloosheidsuitkering krijgt door urenverlies, is nog niet ingevoerd en wordt ook (nog) niet ingevoerd. Deze blijkt na onderzoek te complex en komt niet op grote schaal voor. Wel zal gemonitord worden of deze later alsnog moet worden ingevoerd. U hoeft dan op dit moment nog niet te beoordelen of de werknemer in de WW terecht is gekomen en u op grond van dit onderzoek zelf de AWF-premie dient te verhogen.

De vierde herzieningssituatie, waarin de werknemer opnieuw een werkloosheidsuitkering krijgt nadat de derde situatie heeft plaatsgevonden, zal definitief niet ingevoerd worden. Deze is te complex en komt nauwelijks voor.

* Seizoensarbeid
Een lage Awf-premie voor seizoensarbeid blijkt na onderzoek niet te realiseren. Dat betekent dat bij seizoensarbeiders de hoge Awf-premie van toepassing blijft.

Er is onderzocht of een subsidieregeling ontwikkeld zou kunnen worden om de hoge Awf-premie te compenseren, maar dat bleek niet mogelijk. Het begrip ‘seizoensarbeid’ is namelijk niet eenduidig te definiëren. Daarbij is een subsidie staatssteun, die gericht moet zijn op stimulering van activiteiten. Dat is hier niet het geval en dat ligt juridisch heel moeilijk.

Verder zou een subsidieregeling op zo’n grote schaal risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik met zich meebrengen.

Contact

Zijn er vragen over bovenstaand bericht, neem dan vooral contact met ons op via telefoonnummer 0222-314141 voor onze vestiging op Texel of 0223-612255 voor onze vestiging in Den Helder.

Door |2023-07-06T20:35:30+02:007 juli 2023|Nieuws zonder blog|Reacties uitgeschakeld voor

Wijzigingen gedifferentieerde Awf-premie van de baan