Make Marketing Magic

Over Nieuwsbrief NBC

Deze auteur heeft nog geen informatie verstrekt.
So far Nieuwsbrief NBC has created 663 blog entries.

Mogelijk extra verhoging kinderopvangtoeslag 2025

Het kabinet is van plan de kinderopvangtoeslag voor bepaalde inkomens per 2025 extra verhogen. Deze verhoging komt bovenop de indexatie van de toeslag vanwege inflatie. De Tweede en Eerste Kamer moeten nog instemmen met het uiteindelijke voorstel.

Middeninkomens

Speen

De extra verhoging komt volgens de voorstellen van het kabinet met name ten goede aan de middeninkomens. Dit betekent dat huishoudens met een gezamenlijk inkomen tussen ongeveer € 29.400 en € 159.200 erop vooruit zullen gaan als de plannen ongewijzigd doorgaan.

Beoogd doel

Het kabinet wil voor genoemde inkomens de kosten van kinderopvang verlagen om het aantrekkelijker te maken te blijven werken of meer uren te gaan werken. Hiertoe worden de toeslagpercentages, de maximum uurprijzen en de toetsingsinkomens aangepast.

Tabel eerste kind

De verhoging van de kinderopvangtoeslag richt zich met name op een verhoging van de vergoedingspercentages van de tabel voor het eerste kind. In de praktijk blijkt namelijk vooral het krijgen van het eerste kind van invloed op de keuze om al dan niet te blijven werken, onder meer vanwege de kosten van kinderopvang.

Meer zekerheid

Ouders krijgen ook meer zekerheid over de toekenning van de kinderopvangtoeslag. Dit is een gevolg van het feit dat tot een verzamelinkomen van € 45.701 recht bestaat op het maximale vergoedingspercentage. Wijzigingen van het inkomen leiden daardoor tot die grens niet langer tot vermindering van de toeslag en de bijbehorende problemen inzake terugbetaling.

Door |2024-05-15T15:30:15+02:0015 mei 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Mogelijk extra verhoging kinderopvangtoeslag 2025

Stand van zaken UBO-registers

Minister Van Weyenberg van Financiën heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken met betrekking tot de UBO-registers. Daarbij is hij ook ingegaan op enkele aankomende wijzigingen.

UBO-register

Typen

Voor een aantal juridische entiteiten bestaat de plicht om geregistreerd te zijn in het zogenaamde UBO-register. UBO staat voor ‘ultimate beneficial owner’, ofwel de uiteindelijke belanghebbende. Dit is de persoon die de uiteindelijke eigenaar is van, of de uiteindelijke zeggenschap heeft over een bv, stichting, vereniging of andere organisatie waarvoor de registratieplicht geldt. Het UBO-register is vooral bedoeld om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan.

Aanpassing belang

Momenteel wordt een persoon als UBO aangemerkt als deze persoon meer dan 25% van het belang of de zeggenschap in een juridische entiteit heeft. Voorgesteld wordt om dit te wijzigen en ook al bij een bezit van 25% van het belang of de zeggenschap van een UBO te spreken. Een aantal extra juridische entiteiten zal hierdoor melding moeten maken van een UBO. Er wordt naar gestreefd de uitvoeringslasten hiervan te beperken.

Wijziging verplichte raadpleging UBO-register

Bepaalde instellingen dienen bij zakelijke transacties het UBO-register te raadplegen. Dit kan op dit moment via een kopie die door de Kamer van Koophandel (KVK) wordt verstrekt. Per 1 juni 2024 kan de instelling dit opvragen bij de cliënt als de instelling zelf geen toegang tot het UBO-register heeft. De cliënt kan een gewaarmerkte kopie van de inschrijving in het UBO-register dan zelf opvragen bij de KVK. Zodra de instelling zelf toegang heeft, moet deze de informatie weer zelf bij de KVK opvragen. Ook de terugmelding bij geconstateerde verschillen wordt vanaf dat moment voor deze instelling dan verplicht. Het aantal terugmeldingen zal op termijn ook worden beperkt.

Legitiem belang

Organisaties met een zogenaamd legitiem belang kunnen het UBO-register inzien. Hieronder worden verstaan journalisten, maatschappelijke organisaties en onderwijsinstellingen die zich bezighouden met het voorkomen en bestrijden van witwassen, terrorismefinanciering en delicten die daarmee samenhangen, alsook natuurlijke personen en rechtspersonen die van plan zijn een zakelijke transactie aan te gaan met een andere partij. Uitgewerkt wordt hoe dit vorm te geven.

Door |2024-05-15T15:24:54+02:0015 mei 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Stand van zaken UBO-registers

Fiscale gevolgen terugbetaling niet-aftrekbare lijfrentepremie

Betaalde je meer lijfrentepremies dan je in aftrek kunt brengen in jouw aangifte inkomstenbelasting? Dan kan je het niet aftrekbare deel terugvragen bij de financiële instelling waar je de lijfrente afsloot. Houd wel rekening met de fiscale gevolgen hiervan.

Lijfrentepremies

Euro

Lijfrentepremies zijn onder strikte voorwaarden aftrekbaar. Daarbij gelden per jaar ook maximale bedragen die je in aftrek kunt brengen. Deze maximale bedragen zijn afhankelijk van de hoogte van jouw pensioentekort, uitgedrukt in jouw jaarruimte en uw reserveringsruimte.

De jaarruimte is het pensioentekort dat je in het voorgaande jaar had. De jaarruimte 2024 is dus afhankelijk van jouw pensioentekort in 2023.

Als je in een jaar niet alle jaarruimte gebruikt, wordt dit niet-gebruikte deel gedurende tien jaar bewaard. Deze niet-benutte jaarruimtes vormen samen jouw reserveringsruimte.

Tip! Je kunt in een jaar maximaal lijfrentepremies in aftrek brengen ter grootte van uw jaarruimte en reserveringsruimte. De Belastingdienst heeft voor het berekenen van de jaarruimte en de reserveringsruimte een hulpmiddel op de website staan.

Niet-aftrekbare lijfrentepremies terugvragen

Betaalde je meer lijfrentepremies dan je in aftrek kunt brengen? Dan kan je de financiële instelling verzoeken om het niet-aftrekbare deel terug te betalen. Volgens de wettelijke regels zou terugbetalen van een deel van de premie betekenen dat je over de gehele lijfrente belasting in box 1 moet betalen plus 20% revisierente. In een besluit is echter goedgekeurd dat terugbetaling van het niet-aftrekbare deel zonder die afrekening kan plaatsvinden.

Let op! Voor deze goedkeuring gelden voorwaarden. Zo moet onder meer ook het behaalde rendement op de terugbetaalde premie terugbetaald worden. Ook moet een verklaring ‘geruisloze terugstorting’ worden overlegd.

Opgeven in box 3

Een andere voorwaarde voor de onbelaste terugbetaling is dat je het teruggestorte bedrag alsnog opneemt in box 3; niet alleen in het jaar van terugbetaling, maar ook in de voorgaande jaren.

Voorbeeld
Je hebt in maart 2021 een lijfrente afgesloten en betaalt in 2021 € 10.000 premie hiervoor. Bij het indienen van jouw aangifte inkomstenbelasting kom je erachter dat maar € 6.000 aftrekbaar is. In 2024 vraag je de financiële instelling waar je de lijfrente afsloot daarom om teruggave van € 4.000. De financiële instelling betaalt dit bedrag medio 2025 aan je uit. Daarbij betaalt de financiële instelling ook het op de terugbetaalde premies behaalde rendement uit.

Het voorgaande betekent dat je in jouw aangifte inkomstenbelasting 2022, 2023, 2024 en 2025 het terugbetaalde bedrag plus het daarop behaalde rendement op moet nemen in box 3.

In categorie overige bezittingen

De Belastingdienst is van mening dat je dit bedrag moet opgeven in de categorie overige bezittingen. Je mag dit dus volgens de Belastingdienst niet opgeven in de categorie banktegoeden. Dat is ongunstig, omdat voor de categorie banktegoeden een veel lager forfaitair rendement geldt dan voor de categorie overige bezittingen. Zo bedraagt voor het jaar 2023 het forfait voor banktegoeden 0,92% en voor overige bezittingen 6,17%.

Door |2024-05-15T15:11:00+02:0015 mei 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Fiscale gevolgen terugbetaling niet-aftrekbare lijfrentepremie

Handboek Loonheffingen 2024 weer beschikbaar

Voor werkgevers is het Handboek Loonheffingen 2024 beschikbaar. De Belastingdienst publiceert dit Handboek ieder jaar en vermeldt hierin alle zaken die werkgevers bij de loonheffingen in acht moeten nemen om correcties en boetes te voorkomen.

Wijzigingen en verduidelijkingen

Typen

Het Handboek bevat alle wijzigingen in de loonheffingen ten opzichte van vorig jaar. Wijzigingen worden per hoofdstuk aangegeven. Zo is bijvoorbeeld de vrijstelling voor ov-kaarten verruimd. Ook zijn alle cijfers aangepast voor het jaar 2024 en is bijvoorbeeld aangegeven dat de AOW-gerechtigde leeftijd met twee maanden is verhoogd naar 67 jaar. Sommige zaken zijn verduidelijkt. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven dat je over bedragen in de zogenaamde vrije ruimte niet alleen geen loonheffingen hoeft te betalen, maar ook niet hoeft in te houden.

Lonen en premies

In het Handboek wordt uitgebreid ingegaan op de vraag wat precies tot het loon behoort, inclusief een specificatie van onder meer vrijgestelde loonbestanddelen en loonbestanddelen waarvoor een nihilwaardering geldt. Ook de berekening van premies werknemersverzekeringen en van de premie Zorgverzekeringswet komt uitvoerig aan bod.

Werkkostenregeling

De werkkostenregeling komt uiteraard ook ruim aan bod, inclusief de vraag hoe de vrije ruimte moet worden berekend en de voor de regeling geldende concernregeling. Het Handboek geeft ook cijfermatige voorbeelden en kent verschillende overzichten en tabellen, waaronder voor artiesten en voor toepassing van het anoniementarief.

Let op! Het Handboek gaat in een aparte bijlage ook in op de gevolgen van de Brexit voor bepaalde werknemers.

Downloaden

Het Handboek is te downloaden vanaf de site van de Belastingdienst. Wel is het van belang regelmatig te checken op een nieuwere versie, zodat je op de hoogte blijft van wijzigingen en correcties.

Door |2024-05-15T14:47:12+02:0015 mei 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Handboek Loonheffingen 2024 weer beschikbaar
  • Nieuwsbrief mei 2024

Nieuwsbrief mei 2024

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 13 mei 2024, 20:00 uur.


1. Let op bij terugvragen btw van niet-betalende debiteur

Heeft u debiteuren die hun facturen niet (geheel) betalen? U kunt dan, onder voorwaarden, de btw op deze facturen misschien (deels) terugvragen. Let daarbij wel op een aantal aandachtspunten, zoals het op tijd terugvragen van de btw, het weer afdragen van de btw bij alsnog betalen én mogelijk onverwachte fiscale gevolgen van nadere afspraken met uw debiteur.

Wanneer teruggaaf btw?
Als uw debiteur zijn factuur niet betaalt, kunt u de in rekening gebrachte btw terugvragen die u eerder afdroeg aan de Belastingdienst. Dat kunt u doen als definitief vast komt te staan dat uw debiteur de factuur niet betaalt. Op dat moment kunt u de eerder afgedragen btw via uw btw-aangifte terugvragen (bij vraag 1a of 1b).

Let op!
Staat nog niet definitief vast dat uw debiteur de factuur niet betaalt, maar is één jaar voorbij na het verstrijken van de betaaltermijn van de factuur? Kom dan ook in actie! Dit is namelijk de uiterste termijn waarop u de eerder afgedragen btw kunt terugvragen via uw btw-aangifte. Doet u dat op dat moment niet, dan kan de Belastingdienst uw latere verzoek om btw-teruggaaf weigeren.

Voorbeeld
U stuurt op 4 april 2023 een factuur van € 12.100 inclusief 21% btw. De betaaltermijn is 30 dagen en de factuur is daarom vanaf 4 mei 2023 opeisbaar. In uw btw-aangifte 2e kwartaal 2023 droeg u ter zake van deze factuur € 2.100 btw af. Op 4 mei 2024 is de factuur nog niet betaald, maar staat ook nog niet definitief vast dat deze ook niet betaald gaat worden. Omdat één jaar verstreken is sinds het opeisbaar worden van de factuur, vraagt u in uw btw-aangifte 2e kwartaal 2024 echter wel al € 2.100 terug. Doet u niet per kwartaal, maar per maand btw-aangifte, dan droeg u € 2.100 btw af in de btw-aangifte van april 2023 en vraagt u deze terug in de btw-aangifte van mei 2024.

Let op!
Controleer dus altijd bij het indienen van uw btw-aangifte of u nog openstaande debiteuren heeft waarvan de betaaltermijn meer dan een jaar verstreken is. Op die manier voorkomt u dat u te laat de btw voor oninbare debiteuren terugvraagt.

Debiteur betaalt alsnog
Heeft u btw teruggevraagd van een factuur die niet betaald is en wordt deze alsnog betaald? Dan moet u de btw die u eerder terugvroeg op dat moment weer via uw btw-aangifte afdragen (bij vraag 1a en 1b).

Voorbeeld
Uw debiteur betaalt uw factuur van € 12.100 alsnog op 8 oktober 2024. In uw btw-aangifte 4e kwartaal 2024 draagt u daarom de € 2.100 weer af aan de Belastingdienst. Doet u per maand btw-aangifte, dan draagt u in uw btw-aangifte oktober 2024 de € 2.100 weer af aan de Belastingdienst.

Tip!
Boek de btw die u terugvraagt – nadat een jaar verstreken is na het aflopen van de betaaltermijn – op een aparte grootboekrekening. Op die manier kunt u deze btw beter volgen als later de debiteur alsnog betaalt.

Gedeeltelijke betaling
De regels over het terugvragen en weer afdragen van de btw werken bij gedeeltelijke betaling van de factuur op dezelfde wijze, maar dan pro rata.

Voorbeeld
Op 4 mei 2024 heeft uw debiteur € 4.840 betaald op de factuur van € 12.100. Dit betekent dat van de gehele factuur nog 60% openstaat. In uw btw-aangifte 2e kwartaal 2024 (of mei 2024 als u maandaangifte doet) vraagt u daarom niet de gehele btw terug, maar 60% van de afgedragen btw, in casu € 1.260. Op 8 oktober 2024 betaalt de debiteur nog een keer € 4.840. Van de teruggevraagde € 1.260 draagt u in uw btw-aangifte 4e kwartaal 2024 (of oktober 2024 als u maandaangifte doet) daarom € 840 weer af.

Afspraken met debiteur
Maakt u afspraken met uw debiteur waarbij u bijvoorbeeld de vordering die u heeft, omzet in een lening aan de debiteur? Houd er dan rekening mee dat dit gezien kan worden als een betaling van de factuur door de debiteur. U kunt de btw dan niet terugvragen bij de Belastingdienst en moet al eerder teruggevraagde btw aan de Belastingdienst terugbetalen.

Let op!
Dit is ook zo als later blijkt dat de debiteur de lening niet geheel afbetaalt. U kunt dan niet alsnog de btw terugvragen, omdat door de omzetting in een lening de factuur geacht wordt te zijn betaald.

Crediteurenakkoord
Sluit u een crediteurenakkoord of een schuldeisersakkoord, dan geeft u uw vordering (deels) prijs. In een crediteurenakkoord of schuldeisersakkoord wordt namelijk doorgaans afgesproken dat afgezien wordt van de in het akkoord genoemde vorderingen. Dit heeft tot gevolg dat er juridisch geen sprake meer is van een vordering op uw debiteur. De btw op de onbetaalde, door u prijsgegeven factuur kunt u dan ook niet meer terugvragen.

Let op!
Vroeg u de btw al terug omdat één jaar verstreken was na het opeisbaar worden van de factuur? Dan moet u deze btw weer terugbetalen als u een crediteurenakkoord sluit waarin u de vordering (deels) prijsgeeft.

Geen creditfactuur!
Het is niet toegestaan om een interne creditfactuur op te maken om daarmee te proberen de btw alsnog terug te krijgen van de Belastingdienst. De Belastingdienst accepteert dit niet en behandelt dit als fraude! Zorg daarom dat u op de juiste wijze op tijd de btw terugvraagt. Op die manier is het ook niet nodig om een interne creditfactuur op te maken.


2. Brutoloon belastingvrij ruilen voor nettovergoeding?

Met een zogenaamde cafetariaregeling kunnen uw werknemers brutoloon onder voorwaarden belastingvrij ruilen voor een nettovergoeding. Dat is, ook onder voorwaarden, mogelijk zonder dat het u als werkgever extra geld kost. De Belastingdienst heeft dat onlangs bevestigd.

Cafetariaregeling
Met een zogenaamde cafetariaregeling kunt u vastleggen dat werknemers brutoloon ruilen voor een vergoeding voor bepaalde, in die regeling vastgelegde doelen. Als voor zo’n doel een gerichte vrijstelling voor de loonheffingen geldt, kan die ruil zonder belastingheffing plaatsvinden. Uw werknemer kan dan het gehele geruilde bedrag voor het doel inzetten.

Let op!
Voor de meeste doelen zal echter geen gerichte vrijstelling bestaan. De ruil zal dan niet zonder meer belastingvrij kunnen. U moet dan dus eerst gewoon loonheffing inhouden op het geruilde bedrag voordat dit voor het doel gebruikt kan worden. In feite ruilt de werknemer dan zijn nettoloon. Daar schiet een werknemer dan dus niet veel mee op.

Gebruik vrije ruimte
Als u het uitgeruilde doel echter kunt aanwijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte van de werkkostenregeling, kan de uitruil wel belastingvrij plaatsvinden. In zo’n geval kan de werknemer dus wel het brutobedrag geheel inzetten voor het doel.

Kostenneutraal
Bij aanwijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte is dit voor de werknemers weliswaar belastingvrij, maar kunt u als werkgever toch tegen belastingen aanlopen. Dit is het geval als het totaal van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen dat u aanwijst in de vrije ruimte in een jaar hoger is dan het bedrag van uw vrije ruimte. In zo’n geval betaalt u 80% eindheffing over het meerdere.

Tip!
De Belastingdienst heeft nu goedgekeurd dat u bij de uitruil van brutoloon in een cafetariaregeling hiermee rekening houdt. U kunt dus met uw werknemer afspreken dat u een lager bedrag uitruilt, zodat de uitruil ook voor u als werkgever kostenneutraal verloopt.

Voorbeeld
In een aan de Belastingdienst voorgelegde casus wilde een werknemer met een brutomaandloon van € 3.000 onder de cafetariaregeling € 600 uitgeven voor het leasen van zonnepanelen. De werkgever had uitgerekend dat de werknemer hiervoor € 740 brutoloon moest inleveren om dit kostenneutraal te laten verlopen voor de werkgever. Bij inleveren van € 740 brutoloon en ontvangst van een nettovergoeding van € 600 in ruil daarvoor, hield de werknemer netto € 171 meer over dan zonder de ruil.

De Belastingdienst had geen probleem met deze ruil waarin de werkgever in feite gecompenseerd werd om het een en ander voor de werkgever kostenneutraal te houden.

Gebruikelijk
In dit voorbeeld wees de werkgever per werknemer in totaal niet meer dan € 2.400 als eindheffingsloon in de vrije ruimte. Om die reden ontstond er ook geen conflict met het zogenaamde gebruikelijkheidscriterium waaraan een aanwijzing in de vrije ruimte moet voldoen.

Let op!
Wilt u ook een cafetariaregeling binnen uw onderneming waarbinnen uw werknemers op eigen initiatief brutoloon ruilen voor een nettovergoeding zonder dat dit voor u tot een kostenstijging leidt? Neem dan contact op met een van onze adviseurs. Samen kunnen we dan beoordelen welke mogelijkheden er zijn.


3. Verdere wijzigingen bedrijfsopvolgingsregelingen aangekondigd

De bedrijfsopvolgingsregeling en de doorschuifregeling bij schenken en overlijden gaan nog verder wijzigen. Vorig jaar zijn al wijzigingen voor de BOR en DSR per 2024 en 2025 in de wet opgenomen. Het kabinet kondigt nu in een internetconsultatie nog verdere aanpassingen per 2025 en 2026 aan. Welke zijn dit?

Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en doorschuifregeling (DSR)
De BOR en de DSR zijn belangrijke fiscale faciliteiten bij het schenken of erven van een bedrijf. De faciliteiten betreffen een forse vrijstelling en een doorschuiving van te betalen belasting, op voorwaarde dat het bedrijf wordt voortgezet.

Al aangenomen wijzigingen per 2024 en 2025
Vorig jaar is al een aantal wijzigingen van de BOR en DSR in de wet opgenomen. De meeste hiervan gaan in per 2025, maar één onderdeel geldt al vanaf 2024. Dit betreft het standaard aanmerken van verhuurd onroerend goed aan derden als beleggingsvermogen. Dit onroerend goed komt daardoor niet in aanmerking voor de BOR en de DSR voor een aanmerkelijk belang.

Vanaf 2025 gaan de volgende wijzigingen gelden:

  • De vrijstelling in de BOR gaat naar 100% van de goingconcernwaarde tot € 1.500.000 en 75% over het meerdere. In 2024 bedraagt dit nog 100% tot € 1.325.253 en 83% daarboven.
  • Het is niet langer toegestaan om voor de BOR 5% van het beleggingsvermogen tot het ondernemingsvermogen te rekenen.
  • Bedrijfsmiddelen die zowel zakelijk als niet-zakelijk gebruikt worden, mogen niet langer geheel tot het ondernemingsvermogen voor de BOR en DSR aanmerkelijk belang gerekend worden als de waarde in het economisch verkeer van het bedrijfsmiddel € 100.000 of hoger is. Dit mag nog wel als het bedrijfsmiddel maximaal 10% bestemd is voor niet-zakelijk gebruik.
  • Het is voor de DSR niet langer nodig dat de verkrijger in dienstbetrekking is in de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben. In de DSR in de inkomstenbelasting blijft de dienstbetrekkingseis wel bestaan.
  • Bij schenking moet de verkrijger minimaal 21 jaar oud zijn om van de BOR en DSR aanmerkelijk belang gebruik te kunnen maken.

Aangekondigde wijzigingen in internetconsultatie per 2025 en 2026
In een op 19 april 2024 gepubliceerde internetconsultatie kondigt het kabinet nog een aantal wijzigingen aan.

Let op!
U kunt van 19 april 2024 tot en met 19 mei 2024 op deze voorstellen reageren.

Als de modificaties uit de internetconsultatie straks ongewijzigd in de wet worden opgenomen, wijzigt er onder meer het volgende:

  • Voor verkrijgingen die zich voordoen vanaf 1 januari 2025 geldt nog maar een voortzettingstermijn van drie jaar in plaats van vijf jaar voor verkrijgingen van vóór die datum.
  • Vanaf 1 januari 2026 wordt het makkelijker om van structuur of rechtsvorm te wijzigen zonder dat dit in strijd is met de zogenaamde voortzettingseis en bezitseis die gelden voor de BOR. De precieze invulling moet nog worden uitgewerkt, maar uitgangspunt blijft dat bij wijziging van structuur of rechtsvorm de gerechtigheid tot de onderneming in de vennootschap niet afneemt (voor de voortzettingseis) en niet toeneemt (voor de bezitseis).
  • De BOR en DSR aanmerkelijk belang worden vanaf 1 januari 2026 beperkt tot reguliere aandelen met een minimumbelang van 5%. Dit betekent dat vanaf die datum bijvoorbeeld winstbewijzen, opties op aandelen en trackingstocks niet meer voor de BOR en DSR aanmerkelijk belang kwalificeren.
  • Vanaf 1 januari 2026 komt er een definitie van het begrip preferente aandelen. Deze definitie betekent een wijziging van de wijze waarop de Belastingdienst op dit moment beoordeelt of sprake is van preferente aandelen voor de BOR en DSR aanmerkelijk belang.
  • Vanaf 1 januari 2026 geldt wetgeving die onbedoeld gebruik van de BOR tegengaat. Hierbij gaat het om de aankoop van een onderneming door een ouder persoon met als doel besparing van erfbelasting of schenkbelasting door gebruik van de BOR (de zogenaamde rollatorinvesteringen). Ook het dubbel gebruik van de BOR – waarbij een bedrijf geschonken wordt met de BOR, weer teruggekocht en daarna weer geschonken wordt met de BOR – wordt vanaf 1 januari 2026 tegengegaan.
  • Vanaf 1 januari 2026 worden bij het bepalen van de hoogte van het ondernemingsvermogen ook de schulden die samenhangen met aan de vennootschap ter beschikking gestelde onroerende zaken meegeteld.

Let op!
Dit betreffen voorstellen die nog in een wetsvoorstel moeten worden opgenomen. Dit wetsvoorstel moet vervolgens door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen. Wij houden u op de hoogte wat betreft de voortgang van de voorgestelde wijzigingen.


4. Dga-taks ook bij lening van bank in plaats van bv?

Een dga die te veel geld leent bij de eigen bv, betaalt hierover sinds 2023 belasting. Deze belasting staat ook wel bekend als de dga-taks. Ook geld dat een dga leent van een bank kan, onder omstandigheden, geraakt worden door deze dga-taks.

Drempel dga-taks
Een dga met schulden aan zijn bv(’s) die op 31 december 2024 hoger zijn dan € 500.000, kan in 2024 met de fiscale gevolgen van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap (ook wel de dga-taks) te maken krijgen. Het gaat hierbij niet alleen om de schulden van de dga zelf, maar ook om de schulden van de fiscale partner van de dga. Om te beoordelen of de € 500.000 wordt overschreden, worden de schulden van de dga en de fiscale partner bij elkaar opgeteld.

Schulden en andere rechten
Voor de beoordeling of de drempel van € 500.000 wordt overschreden, tellen alle civielrechtelijke schuldverhoudingen en verplichtingen mee. Ook indirecte schulden tellen mee. Dat betekent dat als een dga alleen geld van een bank kan lenen als de bv borg gaat staan voor die lening of hypotheek verstrekt voor die lening, de lening van de bank ook meetelt voor de drempel van € 500.000.

Aflossing lening bv met lening van een bank
Een dga die in 2023 de dga-taks wilde voorkomen, liep hier ook tegenaan. De dga had in 2023 in totaal € 900.000 geleend van zijn bv. In 2023 bedroeg de drempel nog € 700.000 in plaats van de € 500.000 in 2024. De lening van de dga lag in 2023 daarom € 200.000 boven de drempel.

De dga had het voornemen om € 200.000 te lenen bij een bank en hiermee vóór 31 december 2023 af te lossen op de lening van € 900.000 van zijn bv. De bv wilde het bedrag van de aflossing gebruiken voor de aankoop van onroerend goed. De bank eiste dat de bv een recht van hypotheek verstrekte op het onroerend goed. Zonder die hypotheekverstrekking wilde de bank de € 200.000 niet lenen aan de dga.

Lening bank telt mee voor dga-taks
De Belastingdienst oordeelde dat in deze situatie de schulden aan de bv in het kader van de dga-taks nog steeds € 900.000 bedroegen. De lening van € 200.000 van de bank aan de dga werd namelijk ook aangemerkt als een schuld van de dga aan de bv, omdat de bv hypotheek aan de bank moest verstrekken voor deze lening. Hoewel er dus € 200.000 werd afgelost op de lening van de dga aan zijn bv, werd de € 200.000 die de dga leende van de bank daar dus weer bij opgeteld.

Let op!
Had de bank in het voorbeeld de lening ook verstrekt zonder dat de bv borg stond of hypotheek verstrekte? Dan had de lening van de bank aan de dga niet meegeteld voor de drempel van € 700.000 in 2023. In dat geval had de dga uit het voorbeeld wel de dga-taks in 2023 kunnen voorkomen.

Tip!
Wilt u de dga-taks in 2024 voorkomen, houd dan rekening met het voorgaande. Houd er verder rekening mee dat de drempel in 2024 € 500.000 en niet – zoals in 2023 – € 700.000 bedraagt.


5. Informatie over box 3 in IB tot en met 2023

De arresten van de Hoge Raad over de vraag of box 3-heffing moet plaatsvinden op basis van uw werkelijke rendement – als dat lager is dan het rendement dat volgt uit de wettelijke bepalingen – worden in augustus/september 2024 verwacht. Ter voorbereiding hierop ontwikkelt de Belastingdienst al een digitaal formulier ‘opgaaf werkelijk rendement’. In afwachting van deze box 3-arresten legt de Belastingdienst nog geen definitieve aanslag IB 2022 én 2023 op als daar box 3-vermogen in zit. Dit geldt niet als het box 3-vermogen alleen bestaat uit bank- en spaartegoeden. Aanslagen IB 2021 worden binnenkort waarschijnlijk wel definitief opgelegd in verband met het verjaren van de termijn waarbinnen de Belastingdienst een definitieve aanslag moet opleggen.


6. Wacht niet te lang met aanvraag subsidie elektrische bedrijfsauto

Ondernemers die een nieuwe, volledige elektrische bedrijfsauto willen kopen, kunnen vanaf 23 april 2024 weer de Subsidie Emissieloze Bedrijfsauto’s (SEBA) aanvragen. Wacht daar niet te lang mee. Op 6 mei 2024 was er van de beschikbare € 30.000.000 namelijk nog maar € 12.830.000 over. De subsidie bedraagt maximaal € 5.000 per bedrijfsauto. Er gelden voorwaarden en verschillende subsidiepercentages, afhankelijk van de grootte van de onderneming. Zo is dat voor kleine ondernemingen en non-profitinstellingen 12%, voor middelgrote ondernemingen 10% en voor grote ondernemingen 7%. Belangrijk is verder dat op het moment van aanvragen van de SEBA nog geen definitieve koop- of financial leaseovereenkomst is afgesloten.

Door |2024-05-30T15:07:57+02:0015 mei 2024|Nieuwsbrief|Reacties uitgeschakeld voor Nieuwsbrief mei 2024

Leeftijd bij vrijstelling overdrachtsbelasting geen discriminatie

De overdrachtsbelasting kent een vrijstelling voor personen tussen de 18 en 35 jaar. Die vrijstelling is geen vorm van ongeoorloofde discriminatie, aldus het Hof Den Bosch. Er is immers sprake van een gerechtvaardigde doelstelling van de wetgever. Bovendien bestaat er een redelijke verhouding tussen de maatregel en het te bereiken doel.

Vrijstelling overdrachtsbelasting

Woning

Bij aankoop van een pand is in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Wel bestaat er een vrijstelling voor personen tussen 18 en 35 jaar die deze vrijstelling nog niet eerder hebben toegepast en een woning kopen met een prijs van maximaal € 510.000 (2024). Daarbij is vereist dat de woning na verkrijging anders dan ‘tijdelijk als hoofdverblijf’ gebruikt gaat worden.

Leeftijdsdiscriminatie?

In de betreffende rechtszaak stelde een belastingplichtige dat er sprake was van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie. De man was van mening dat er geen rechtvaardige redenen bestonden om personen ouder dan 35 jaar, de man was 38 jaar oud, van de vrijstelling uit te sluiten. Dit argument werd op grond van de motieven van de wetgever echter verworpen.

Koopstarters helpen

De wetgever wist op grond van onderzoek dat zo’n 70% van de personen die voor het eerst een woning kopen, jonger is dan 35 jaar. Om deze zogenaamde koopstarters te kunnen helpen, is hen de vrijstelling van overdrachtsbelasting toebedeeld. De wetgever heeft hiervoor – mede gelet op de uitvoerbaarheid – dan ook voor mogen kiezen, aldus het Hof.

Geen individuele en buitensporige last

Het Hof verwierp ook het standpunt dat er sprake was van een individuele en buitensporige last. De overdrachtsbelasting is namelijk voor iedereen in vergelijkbare omstandigheden gelijk. Ook had de belastingplichtige ervoor kunnen kiezen geen overdrachtsbelasting te betalen door de woning eenvoudig niet te kopen. Zijn beroep slaagde dan ook niet.

Door |2024-05-08T11:05:11+02:008 mei 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Leeftijd bij vrijstelling overdrachtsbelasting geen discriminatie

Gebitsbeschermers sporters vrijgesteld van btw?

Sommige tandtechnici fabriceren gebitsbeschermers die gebruikt worden in de sport, zoals bij ijshockey. De Belastingdienst heeft zich onlangs gebogen over de vraag of een dergelijke gebitsbeschermer is vrijgesteld van btw.

Medische vrijstelling?

Medisch

De Belastingdienst is nagegaan of een gebitsbeschermer valt onder de categorie medische vrijstellingen en komt tot de conclusie dat dit niet het geval is. Het moet dan namelijk gaan om goederen en diensten die rechtstreeks verband houden met de gezondheidszorg, dan wel een therapeutisch doel hebben.

Rechtstreeks therapeutisch gebruik?

Op grond van het bovenstaande uitgangspunt zijn alleen tandprotheses bedoeld voor rechtstreeks therapeutisch gebruik vrijgesteld voor de btw. De Belastingdienst komt tot de conclusie dat hiervan bij gebitsbeschermers geen sprake is. Die dienen namelijk alleen voor preventie.

Preventie onvoldoende?

Preventie kan weliswaar onder omstandigheden als ‘therapeutisch gebruik’ worden aangemerkt, maar dan moet het gaan om het voorkomen, afwenden of tegengaan van een ziekte, letsel of gezondheidsprobleem, dan wel het opsporen van een ziekte. Omdat er bij een gebitsbeschermer geen concreet risico is dat de gezondheid wordt aangetast, is de Belastingdienst van mening dat de gebitsbeschermer niet is vrijgesteld voor de heffing van btw.

Door |2024-05-07T08:48:51+02:007 mei 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Gebitsbeschermers sporters vrijgesteld van btw?

Let op bij terugvragen btw van niet-betalende debiteur

Heb je debiteuren die hun facturen niet (geheel) betalen? Je kunt dan, onder voorwaarden, de btw op deze facturen misschien (deels) terugvragen. Let daarbij wel op een aantal aandachtspunten zoals het op tijd terugvragen van de btw, het weer afdragen van de btw bij alsnog betalen én mogelijk onverwachte fiscale gevolgen van nadere afspraken met jouw debiteur.

Wanneer teruggaaf btw?

Geld

Als jouw debiteur jouw factuur niet betaalt, kun je de in rekening gebrachte btw terugvragen die je eerder afdroeg aan de Belastingdienst. Dat kun je doen als definitief vast komt te staan dat jouw debiteur de factuur niet betaalt. Op dat moment kun je de eerder afgedragen btw via jouw btw-aangifte terugvragen (bij vraag 1a of 1b).

Let op! Staat nog niet definitief vast dat jouw debiteur de factuur niet betaalt, maar is één jaar verstreken nadat de betaaltermijn van de factuur is afgelopen?  Kom dan ook in actie! Dit is namelijk de uiterste termijn waarop je de eerder afgedragen btw kunt terugvragen via jouw btw-aangifte. Doe je dat op dat moment niet, dan kan de Belastingdienst jouw latere verzoek om btw-teruggaaf weigeren.

Voorbeeld
Je stuurt op 4 april 2023 een factuur van € 12.100 inclusief 21% btw. De betaaltermijn is 30 dagen en de factuur is daarom vanaf 4 mei 2023 opeisbaar. In uw btw-aangifte 2e kwartaal 2023 droeg u ter zake van deze factuur € 2.100 btw af. Op 4 mei 2024 is de factuur nog niet betaald, maar staat ook nog niet definitief vast dat deze ook niet betaald gaat worden. Omdat één jaar verstreken is sinds het opeisbaar worden van de factuur, vraag je in jouw btw-aangifte 2e kwartaal 2024 echter wel al € 2.100 terug. Doe je niet per kwartaal maar per maand btw-aangifte, dan droeg je € 2.100 btw af in de btw-aangifte van april 2023 en vraag je deze terug in de btw-aangifte van mei 2024.

Let op! Controleer dus altijd bij het indienen van jouw btw-aangifte of je nog openstaande debiteuren heeft waarvan de betaaltermijn meer dan een jaar verstreken is. Op die manier voorkom je dat je te laat de btw voor oninbare debiteuren terugvraagt.

Debiteur betaalt alsnog

Heb je btw teruggevraagd van een factuur die niet betaald is en wordt deze alsnog betaald? Dan moet je de btw die je eerder terugvroeg op dat moment weer via jouw btw-aangifte afdragen (bij vraag 1a en 1b).

Voorbeeld
Jouw debiteur betaalt jouw factuur van € 12.100 alsnog op 8 oktober 2024. In jouw btw-aangifte 4e kwartaal 2024 draag je daarom de € 2.100 weer af aan de Belastingdienst. Doe je per maand btw-aangifte, dan draag je in uw btw-aangifte oktober 2024 de € 2.100 weer af aan de Belastingdienst.

Tip! Boek de btw die je terugvraagt nadat een jaar verstreken is na het aflopen van de betaaltermijn op een aparte grootboekrekening. Op die manier kun je deze btw beter volgen als later de debiteur alsnog betaalt.

Gedeeltelijke betaling

De regels over het terugvragen en weer afdragen van de btw werken bij gedeeltelijke betaling van de factuur op dezelfde wijze, maar dan pro rata.

Voorbeeld
Op 4 mei 2024 heeft jouw debiteur € 4.840 betaald op jouw factuur van € 12.100. Dit betekent dat van de gehele factuur nog 60% openstaat. In jouw btw-aangifte 2e kwartaal 2024 (of mei 2024 als u maandaangifte doet) vraag je daarom niet de gehele btw terug, maar 60% van de afgedragen btw, in casu € 1.260. Op 8 oktober 2024 betaalt de debiteur nog een keer € 4.840. Van de teruggevraagde € 1.260 draag je in jouw btw-aangifte 4e kwartaal 2024 (of oktober 2024 als u maandaangifte doet) daarom € 840 weer af.

Afspraken met debiteur

Maak je afspraken met jouw debiteur waarbij je bijvoorbeeld de vordering die je hebt omzet in een lening aan de debiteur? Houd er dan rekening mee dat dit gezien kan worden als een betaling van de factuur door de debiteur. Je kunt de btw dan niet terugvragen bij de Belastingdienst en moet al eerder teruggevraagde btw aan de Belastingdienst terugbetalen.

Let op! Dit is ook zo als later blijkt dat de debiteur de lening niet geheel afbetaalt. Je kunt dan niet alsnog de btw terugvragen, omdat door de omzetting in een lening de factuur geacht wordt te zijn betaald.

Crediteurenakkoord

Sluit je een crediteurenakkoord of een schuldeisersakkoord, dan geef je jouw vordering (deels) prijs. In een crediteurenakkoord of schuldeisersakkoord wordt namelijk doorgaans afgesproken dat afgezien wordt van de in het akkoord genoemde vorderingen. Dit heeft tot gevolg dat er juridisch geen sprake meer is van een vordering op jouw debiteur. De btw op de onbetaalde, door jou prijsgegeven factuur, kun je dan ook niet meer terugvragen.

Let op! Vroeg je de btw al terug omdat één jaar verstreken was na het opeisbaar worden van de factuur? Dan moet je deze btw weer terugbetalen als je een crediteurenakkoord sluit waarin je de vordering (deels) prijsgeeft.

Geen creditfactuur!

Het is niet toegestaan om een interne creditfactuur op te maken om daarmee te proberen de btw alsnog terug te krijgen van de Belastingdienst. De Belastingdienst accepteert dit niet en behandelt dit als fraude! Zorg daarom dat je op de juiste wijze, op tijd de btw terugvraagt. Op die manier is het ook niet nodig om een interne creditfactuur op te maken.

Door |2024-05-07T08:40:47+02:007 mei 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Let op bij terugvragen btw van niet-betalende debiteur

Brutoloon belastingvrij ruilen voor netto vergoeding?

Met een zogenaamde cafetariaregeling kunnen jouw werknemers brutoloon onder voorwaarden belastingvrij ruilen voor een netto vergoeding. Dat is, ook onder voorwaarden, mogelijk zonder dat het jou als werkgever extra geld kost. De Belastingdienst heeft dat onlangs bevestigd.

Cafetariaregeling

Zonnepanelen

Met een zogenaamde cafetariaregeling kun je vastleggen dat werknemers brutoloon ruilen voor een vergoeding voor bepaalde in die regeling vastgelegde doelen. Als voor zo’n doel een gerichte vrijstelling voor de loonheffingen geldt, kan die ruil zonder belastingheffing plaatsvinden. Jouw werknemer kan dan het gehele geruilde bedrag voor het doel inzetten.

Let op! Voor de meeste doelen zal echter geen gerichte vrijstelling bestaan. De ruil zal dan niet zonder meer belastingvrij kunnen. Je moet dan dus eerst gewoon loonheffing inhouden op het geruilde bedrag voordat dit voor het doel gebruikt kan worden. In feite ruilt de werknemer dan zijn nettoloon. Daar schiet een werknemer dan dus niet veel mee op.

Gebruik vrije ruimte

Als je het uitgeruilde doel echter kunt aanwijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte van de werkkostenregeling, kan de uitruil wel belastingvrij plaatsvinden. In zo’n geval kan de werknemer dus wel het brutobedrag geheel inzetten voor het doel.

Kostenneutraal

Bij aanwijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte is dit voor de werknemers weliswaar belastingvrij, maar kunt u als werkgever toch tegen belastingen aanlopen. Dit is het geval als het totaal van vergoedingen, verstrekkingen en ter beschikkingstellingen dat u aanwijst in de vrije ruimte in een jaar hoger is dan het bedrag van uw vrije ruimte. In zo’n geval betaalt u 80% eindheffing over het meerdere.

Tip! De Belastingdienst heeft nu goedgekeurd dat je bij de uitruil van brutoloon in een cafetariaregeling hiermee rekening houdt. Je kunt dus met jouw werknemer afspreken dat je een lager bedrag uitruilt, zodat de uitruil ook voor jou als werkgever kostenneutraal verloopt.

Voorbeeld
In een aan de Belastingdienst voorgelegde casus wilde een werknemer met een brutomaandloon van € 3.000 onder de cafetariaregeling € 600 uitgeven voor het leasen van zonnepanelen. De werkgever had uitgerekend dat de werknemer hiervoor € 740 brutoloon moest inleveren om dit kostenneutraal te laten verlopen voor de werkgever. Bij inleveren van € 740 brutoloon en ontvangst van een nettovergoeding van € 600 in ruil daarvoor, hield de werknemer netto € 171 meer over dan zonder de ruil.

De Belastingdienst had geen probleem met deze ruil waarin de werkgever in feite gecompenseerd werd om het een en ander voor de werkgever kostenneutraal te houden.

Gebruikelijk

In dit voorbeeld wees de werkgever per werknemer in totaal niet meer dan € 2.400 als eindheffingsloon in de vrije ruimte. Om die reden ontstond er ook geen conflict met het zogenaamde gebruikelijkheidscriterium waaraan een aanwijzing in de vrije ruimte moet voldoen.

Let op! Wil je ook een cafetariaregeling binnen jouw onderneming waarbinnen jouw werknemers op eigen initiatief brutoloon ruilen voor een nettovergoeding zonder dat dit voor jou tot een kostenstijging leidt? Neem dan contact op met één van onze adviseurs. Samen kunnen we dan beoordelen welke mogelijkheden er zijn.

Door |2024-05-07T08:24:50+02:007 mei 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Brutoloon belastingvrij ruilen voor netto vergoeding?

Hogere boete zware auto terecht?

Als je met jouw auto op de openbare weg rijdt, moet je motorrijtuigenbelasting betalen. Doe je dit niet, dan loopt je het risico dat je een naheffing met boete moet betalen. Die boete is gekoppeld aan de hoogte van de naheffing. Is dit terecht?

Gewicht mede bepalend

Auto

Hoeveel motorrijtuigenbelasting, mrb, je moet betalen, is onder andere afhankelijk van het gewicht van jouw auto. Hoe zwaarder de auto, hoe hoger de verschuldigde belasting.

Schorsing

Als je jouw auto langere tijd niet gebruikt, kun je het kenteken laten schorsen. Je hoeft dan tijdens de schorsingsperiode geen mrb te betalen. Je mag de auto dan ook niet op de openbare weg gebruiken.

Boete

Gebruik je jouw auto toch bij schorsing, dan kun je een naheffing met boete krijgen als dit wordt geconstateerd. De boete is gekoppeld aan het bedrag van de naheffing. Tot voor kort was de boete even hoog als de naheffing, maar sinds 1 juli 2023 is de boete in beginsel verlaagd tot 50% van de nageheven belasting.

Boete door vergissing

Er speelde een zaak voor de rechter waarbij een automobilist een geschorste auto per abuis toch op de openbare weg had gebruikt. De man gaf aan als hobby meerdere auto’s te bezitten. Van een deel van die auto’s was het kenteken geschorst. Wanneer hij een dergelijke auto toch wilde gebruiken, werd de schorsing weer opgeheven. Hierbij had de man zich kennelijk vergist, zo gaf hij aan.

Hogere boete terecht?

De rechter gaf aan dat volgens de wet de boete gekoppeld is aan de te betalen belasting en daardoor onder andere gekoppeld is aan het gewicht van de auto. Zwaardere auto’s krijgen dus automatisch een hogere boete. De rechtbank was van mening dat dit niet terecht is omdat het verzuim en verwijt vergelijkbaar zijn. In deze zaak was er sprake van een relatief zware auto. De rechtbank matigde de boete tot 25%.

Door |2024-05-03T15:49:44+02:003 mei 2024|MKB Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Hogere boete zware auto terecht?