Een melkveehouder kreeg na een NVWA-controle een mestboete van RVO wegens het overschrijden van de gebruiksnormen voor mest. Eén van de oorzaken was dat hij een perceel grasland had opgegeven, terwijl hij volgens RVO niet de feitelijke beschikkingsmacht had over dit perceel. De melkveehouder stelde beroep in tegen de mestboete bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat RVO dit terecht had geconstateerd. Weliswaar was sprake van een geldige juridische titel, maar niet was gebleken dat de melkveehouder in de praktijk in staat was het teelt- en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren. In de pachtovereenkomst waren namelijk voorwaarden opgenomen die het landbouwkundig gebruik van het perceel in hoge mate begrensden. Het perceel mocht bijvoorbeeld niet worden bemest, onbeperkt weiden was alleen maar toegestaan in de wintermaanden en het grasland mocht niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid. Vanwege deze beperkingen kon de melkveehouder het perceel niet naar eigen inzicht gebruiken. De omstandigheid dat deze voorwaarden alleen waren opgenomen om de subsidie voor het agrarisch natuurbeheer te continueren, maakte dit niet anders. De melkveehouder kon zich namelijk niet onttrekken aan deze voorwaarden en had anders dan een landbouwer die een perceel in juridisch eigendom heeft, niet de vrije keuze om het agrarisch gebruik al dan niet te beperken vanwege subsidieverlening voor agrarisch natuurbeheer.